Wally Moes

Jozef Israëls, Albert Neuhuys en Anton Mauve worden in een adem genoemd als we het hebben over de ontdekking van het Gooi door kunstenaars. Zij zijn volgens de literatuur verantwoordelijk geweest voor een algehele nationale en internationale bekendheid van deze streek en voor Laren in het bijzonder.  Er is echter nooit onderzocht waarom er in de laatste twee decennia van de negentiende eeuw een grote opmars ontstond van veelal Amsterdamse kunstenaressen die naar het Gooi trokken. Een van de bekendste vrouwelijke kunstenaars die zich aan het einde van de negentiende eeuw in Laren vestigde was Wally Moes (1856-1918). Zij behoorde tot de groep van tweede generatie kunstenaars die naar het Gooi trok.

Geen uitzonderlijk talent

Wilhelmina (‘Wally’) Walburga Moes (1856-1918) werd geboren in een welgesteld koopmansgezin in Amsterdam. Zij kwam voor het eerst in aanraking met kunst door de interesse voor muziek en tekenen van haar moeder. Diens overleden broer was schilder geweest. Door hem had haar moeder veel kunstenaars leren kennen en had daardoor ‘een levendige belangstelling voor de Beeldende Kunsten opgedaan’. In haar memoires schrijft Wally: ‘In Piëteitvol aandenken aan die teerbeminde broer bespeurde Mama dus zeker met vreugde bij mij enige aanleg voor tekenen’. Tijdens de lagere schooljaren ging Wally dan ook samen met haar zus Mathilde en broer Hermann een avond in de week naar tekenles bij de heer Velthuyzen – een mislukt kunstenaar.  Moes raakte helemaal in de ban van het tekenen, zodat zij al gauw alles tekende wat los en vast zat. Haar talent werd al gauw opgemerkt door Carl Lemke, een Duitse professor in de esthetica aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Hij adviseerde haar om toelatingsexamen te doen. Hoewel Wally aanleg had voor tekenen en schilderen, was zij geen uitzonderlijk talent. Wally schrijft in haar autobiografie dat zij waarschijnlijk in 1876 werd aangenomen aan de Rijksacademie, omdat directeur Bastiaan de Poorter zo graag een damesschilderklasje wilde. Dat zij en haar klasgenoten aan het einde van het eerste schooljaar geen overgangsexamen hoefden af te leggen, bevestigt dit vermoeden'(uit: Wally Moes 1961, pp 63 en 72).

Wally Moes, Slapende baby, © Simonis en Buunk

Wally Moes, Slapende baby, © Simonis en Buunk.

Protest

Hoewel Wally veel leerde, verliet zij anderhalf jaar na aankomst de academie, uit protest tegen de kwaliteit van het onderwijs; een grote groep leerlingen kwam destijds in opstand tegen de conservatieve leermethoden van enkele docenten. Na negen maanden in Dusseldorff te werken in het atelier van de landschapschilder Richard Burnier, keerde zij in 1880 echter terug naar de Rijksacademie, omdat Gustave Allebé directeur was geworden en haar niets meer in de weg stond om op een loge te gaan werken. Allebé heeft een grote invloed op haar manier van werken gehad, met name omdat hij haar overtuigde dat het ‘uit moest zijn met het eeuwige studie-schilderen’, en zij zich moest gaan toeleggen op de echte, volwassen schilderkunst.

Intieme taferelen

Bij haar terugkomst aan de Amsterdamse academie leerde Wally Thérsèse Schwartze kennen. Zij werden goede vriendinnen. In 1883 bezocht Wally samen met Thérèse bijvoorbeeld Parijs. Daar kwam zij in aanraking met het werk van de Franse impressionisten en realisten, zoals Millet en Manet. Het zien van deze werken wekte bij Wally interesse op voor het alledaagse onderwerp. Bij terugkeer in Nederland legde zij zich dan ook voornamelijk toe op het schilderen van intieme taferelen van moeders met kinderen; een keuze die haar lovende kritieken, een Willink Collenprijs en een aankoop van een werk bij Museum Boymans opleverde.

Plein-air schilderen in Laren

Hoewel Wally erg succesvol was in het schilderen van intieme taferelen, probeerde zij tijdens haar verblijf in Laren het plein-air schilderen zichzelf eigen te maken.  Op aanraden van Mauve en Peter Gabriël probeerde zij zich los te maken van haar academische gedetailleerde stijl en meer te werken vanuit kleur. Wally was hierin echter veel minder succesvol en staakte deze pogingen nadat  zij een niets ontziende sneer kreeg van Gabriël. Deze was tijdens de zomermaanden van 1886 op bezoek bij zijn zeer gewaardeerde collega Mauve en zag Wally ploeteren op een studie van spelende  kinderen in het gras: ‘Je kinderen zitten niet buiten, niet in het gras. Hun kleeren, hun gezichten, hun handen moeten vol zijn van ’t gras waarin ze zitten. Ge mot ze gras laten vréten’ (uit: Lien Heyting 1994, p. 22).

Carrière switch

Wallys carrière kwam abrupt tot een einde toen er reuma bij haar werd ontdekt. Doordat het schilderen omstreeks 1914 zeer moeizaam ging, legde zij zich toe op het schrijven. Wally schreef meerdere boeken, namelijk een autobiografie Heilig ongeduld (pas vrij gegeven door haar familie in 1961), Gooise dorpsvertellingen (1913), Larense Dorpsvertellingen (1919) en Nagelaten vertellingen (1929). Deze carrière switch is vermoedelijk beïnvloed door haar vriendin Etha Fles, die zelf ook haar talenten zocht in de literatuur en de kunstkritieken. Wally bleef schrijven tot haar dood in 1918.

 

Auteur: Sarah Thurlings-Heijse,

Uit: Margriet van Seumeren, Sarah Heijse en Nikkie Herberigs, Gooise vrouwen in de kunst (2008)

Publicatiedatum: 09/12/2014