Steentijd: de eerste boeren in Noord-Holland

De eerste boeren die zich in de Nieuwe Steentijd in Noord-Holland vestigden, kwamen terecht in een drassig landschap dat permanent onder invloed stond van de getijden. Op de strandwallen van Kennemerland en de kreekoevers van West-Friesland wisten ze akkers aan te leggen en met succes gewassen zoals emmertarwe en gerst te verbouwen, waardoor de leefwijze van de mens voorgoed zou veranderen.

Book 7 min

Wie terug zou reizen naar de Steentijd, zou ons land niet meer herkennen. Rond 5300 v. Chr. is het westelijk deel van Nederland een nat waddengebied, waar permanente bewoning nog niet mogelijk is. Pas als er tussen 4000 en 2000 v. Chr. strandwallen langs de kust ontstaan, vormen er kwelders, bossen en moerassen achter de duinen, die de omgeving groen en bewoonbaar maken. De variatie in het landschap zorgt voor een grote rijkdom aan planten en dieren, die ook mensen aantrekt. Deze mensen zijn nomaden, die met jagen, vissen en verzamelen in hun levensonderhoud voorzien.

Maar zij weten nog niet dat er een grote cultuuromslag op komst is. Al rond 9000 v. Chr. worden in het Nabije Oosten de wilde voorlopers van onze gewassen voor het eerst gecultiveerd. Ook met veeteelt zijn ze daar vroeg: de domesticatie van landbouwdieren als het rund, schaap, geit en varken volgt zo’n duizend jaar later. Deze geheel nieuwe levenswijze, waarbij men op één plek blijft wonen en daar een gemeenschap opbouwt, verspreidt zich in rap tempo richting het westen. Rond 4000 v. Chr. bestaat een groot deel van Europa uit boerensamenlevingen, die voor het eerst op grote schaal het landschap naar hun hand zetten.

Steentijdboerderij in het Hunebedcentrum Borger. Foto: Sarah Remmerts de Vries.

Akkers in de duinen

Rond 5300 v. Chr. komen de eerste boeren van de Hongaarse laagvlakte aan in Zuid-Limburg, waar ze zich vestigen op de vruchtbare lössgronden langs de Maas. De boeren van deze ‘bandkeramische cultuur’, genoemd naar de typerende bandvormige versieringen op hun aardewerk, stichten dorpjes bij Maastricht, Sittard, Geleen, Beek en Elsloo, waar ze graan verbouwen en vee houden langs de rivier of op de zandgronden. In het noorden van ons land strijken de eerste boeren rond 3400 v. Chr. neer in Drenthe. Boeren van deze ‘trechterbekercultuur’, die hun naam eveneens ontlenen aan hun aardewerk, staan bekend om het bouwen van de hunebedden. De volken in Limburg en Drenthe vormen de eerste boerensamenlevingen van Nederland.

In het kustgebied wonen aanvankelijk alleen nog jager-verzamelaars, die in de natte moerassen vooral vissen en vogels vangen. Toch zien we vanaf 3700 v. Chr. ook daar steeds meer aanwijzingen voor beginnende boeren. Zij wonen bijvoorbeeld op de oude strandwallen in Midden- en Zuid-Kennemerland: zandruggen met daartussen lage strandvlakten. Op de oudste strandwal, die rond 3200 v. Chr. gevormd is, liggen tegenwoordig Spaarnwoude en Haarlemmerliede. Sporen van een eergetouw (voorloper van de ploeg) zijn op verschillende plekken in het duingebied gevonden. Zo is bij Velsen een akkerlaag uit de Nieuwe Steentijd aangetroffen, waar waarschijnlijk gewassen zoals emmertarwe of gerst op verbouwd werden.

Familie van de trechterbekercultuur in het Hunebedcentrum Borger. Foto: Sarah Remmerts de Vries.

Vruchtbaar moerasland

De eerste boerennederzettingen van Noord-Holland vinden we echter in het oosten van West-Friesland. Een gebied dat aanvankelijk onder grote invloed staat van het Zeegat van Bergen en daardoor te nat en gevaarlijk is voor bewoning. Als dit water door ophoping van zeeklei steeds meer dichtslibt, verbeteren de omstandigheden en ontstaat er een aangenaam, vruchtbaar landschap. West-Friesland blijft een groot deltagebied van getijdengeulen en kreken, maar op de oevers kan relatief veilig gewoond worden. Dat gebeurt onder meer bij Noorderboekert, waar oude akkers zijn gevonden met ploegsporen en huisafval. Dankzij het alomtegenwoordige water onderhouden de West-Friese boeren handelscontacten met nederzettingen in andere streken. Over de geulen, meren en rivieren is namelijk een directe verbinding mogelijk met het huidige Duitsland.

Ook het getijdenlandschap in de Kop van Noord-Holland is in de Nieuwe Steentijd al bewoond. Opgravingen bij Keinsmerbrug, Mienakker en Zeewijk laten zien dat deze zogenaamde ‘enkelgrafnederzettingen’ uit de periode 2900 tot 2500 v. Chr. eveneens hun huizen en akkers op de hoger gelegen oeverwallen aanleggen. Ook vondsten van bewoning op de Hoge Berg op Texel bevestigen dit beeld. Die plekken kiest men natuurlijk niet voor niets. In dit gebied is het nodig om voortdurend mee te bewegen met de dynamiek van de zee. Het water zorgt voor voedsel, in de vorm van vis, zeehonden en watervogels, maar vormt voor de prille boerensamenlevingen ook een voortdurende dreiging tijdens stormen en hoog water.

Haver, boekweit en rogge. Foto: Judith van Amelsvoort.

Smakelijke gerstepap

Die nattigheid maakt echter dat de Noord-Hollandse moerasgrond zeer vruchtbaar is en uitermate geschikt voor het verbouwen van gewassen. De eerste boeren telen vooral emmertarwe (de ‘moeder’ van ons huidige tarwe) en gerst. Van emmertarwe wordt brood gebakken, gerst is beter geschikt voor het maken van pap. Om de graankorrels te verwerken, moeten deze eerst gemalen worden. In vrijwel elke nederzetting uit de Steentijd zijn daarom speciale maalstenen gevonden voor dit doeleinde.  Naast graan worden ook erwten, vlas en maanzaad verbouwd. Uit vlas kan lijnzaad worden verkregen. Zowel lijnzaad als maanzaad voorzien in de behoefte aan olie, dat gebruikt wordt voor het bereiden van maaltijden, de verzorging van leer en natuurlijk als brandstof.

De pap of graanbrij wordt bereid in aardewerken potten, die op of bij het vuur werden gekookt. Daarnaast maakt men gebruik van speciale kookstenen: ronde stenen die in het vuur worden verhit en vervolgens bij de pap worden gedaan, om daar hun warmte af te geven. Vast voedsel kan ingepakt in stevige bladeren of klei in de as van het vuur worden gelegd, zodat het langzaam gaart – een beetje zoals een gepofte aardappel. Bij de pap worden vaak smaakmakers toegevoegd, zoals vet, vlees, vis of groenten. Complete vissen worden met skelet en al meegekookt, zodat de graten week en eetbaar worden. Ook is bekend dat Noord-Hollandse boeren wel eens variëren in de papmaaltijd door een brij van eikeltjes te maken. Heel rijk aan zetmeel, dus boordevol calorieën.

Maalsteen met emmertarwe. Foto: Silar, via Wikimedia (CC BY-SA 4.0).

Het beste van twee werelden

Dat vlees en vis voor in de pap halen de steentijdboeren uit hun natuurlijke omgeving. In het Noord-Hollandse kwelderlandschap jagen ze op wild, trekvogels en vissen. Daarnaast verzamelen ze, afhankelijk van wat er in het seizoen voorhanden is, wilde planten, fruit, zaden en noten. In de lente worden vooral jonge scheuten en bladgroen gegeten, in de zomer en herfst vruchten, noten en bessen. De jacht op wild vindt vooral plaats in de herfst en winter. We weten bijvoorbeeld dat in de Kop van Noord-Holland veel wilde appels, eikels en hazelnoten zijn gevonden. Er wordt gejaagd op eenden en men gaat met kano’s de zee op om schelvis, kabeljauw en wijting te vangen. Maar ook zeehonden, wiens huiden gebruikt worden voor het bekleden van de kano’s. De boeren in het oosten van West-Friesland vissen ondertussen in de grote meren met fuiken op zoetwatervis.

Naast het verbouwen van gewassen en het houden van vee, maken de steentijdboeren dus gretig gebruik van wat de natuur te bieden heeft. En dat is hard nodig. Het voedsel dat via landbouw verkregen kan worden, biedt namelijk niet genoeg afwisseling voor een gebalanceerd dieet. Door alleen te leven van graan en vlees, ontbreekt het aan bepaalde vitamines en mineralen die nodig zijn om gezond te blijven. Een gebrek aan deze stoffen kan leiden tot bloedarmoede, scheurbuik, botontkalking, blindheid en een verminderde groei bij kinderen. Het koolhydraatrijke voedsel, in combinatie met het steengruis van maalstenen, leidt bovendien tot sterke slijtage van de tanden.

Het is dan ook nog maar de vraag of de eerste boeren beter af zijn dan hun nomadische voorouders. Ze hebben het voordeel dat ze op één plek kunnen blijven wonen, voorraden aanleggen en daardoor verzekerd zijn van voedsel. Maar hun eetpatroon is vaak eenzijdig en hun leefomstandigheden, dicht op elkaar met vee in dezelfde ruimte, weinig hygiënisch. De boeren in het kwelderlandschap van Noord-Holland hebben echter het beste van twee werelden: de zekerheid van verbouwd voedsel, gecombineerd met rijke aanvullingen uit de natuur, waardoor zij misschien wel het gezondste en afwisselendste menu hebben van alle steentijdboeren in Nederland. Als dat geen mooie culinaire start van onze provincie is…

Steentijdtuin met vlas (lijnzaad) in het Hunebedcentrum Borger. Foto: Sarah Remmerts de Vries.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries

Bronnen:

Publicatiedatum: 15/08/2022

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

2 reacties

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

NL | EN