Siervuurwerk was altijd een grote bron van vermaak

Oud en Nieuw zal dit jaar zonder siervuurwerk worden gevierd. En dat is voor liefhebbers van vuurwerk jammer. Al eeuwenlang vormde siervuurwerk het hoogtepunt van menig volksfeest.

We hebben het dan wel over siervuurwerk en niet over rotjes, die belhamels elk jaar in de laatste weken van het jaar maar wat graag laten knallen. Dat doen jongetjes overigens al eeuwenlang, zo blijkt uit de archieven.

Vooral Hartjesdag was berucht. Hartjesdag was een oud volksfeest, dat traditioneel op de derde maandag in augustus werd gevierd, niet alleen in Haarlem en Bloemendaal, maar ook in de Amsterdamse volksbuurten. Mannen verkleedden zich als vrouwen en vrouwen droegen mannenkleding, dat was zo de traditie van het volksfeest dat tot aan de Tweede Wereldoorlog werd gevierd.

Maar het was vooral een berucht feest, want met name in de Amsterdamse Jordaan en in de Haarlemmerdijkbuurt werden in de negentiende eeuw ieder jaar weer taferelen gemeld van ‘afschuwelijke dronkenschap en tomeloze losbandigheid.’ Om maar niet te spreken van die rotjochies die door de stad trokken om nietsvermoedende burgers met voetzoekers en sissers de stuipen op het lijf te jagen.

Schilderij door Johan Braakensiek (1858-1940), Hartjesdag, collectie Amsterdam Museum. Beeld: Wikimedia Commons.

Gevaarlijk kanonnetje

Eén Amsterdammer heeft daar blijkbaar zo genoeg van dat hij een brief naar De Telegraaf stuurt, die de krant op 18 augustus 1895 afdrukt. Hij vraagt zich af of het wel zin heeft dat de burgemeester van Amsterdam telkens weer het afsteken van vuurwerk en ‘het branden van teertonnen’ strafbaar stelt, want hij heeft niet de indruk dat dit soort dreigementen veel uithaalt. Zou de politie, zo vraagt hij zich af, de ‘rustige burgerij’ niet een oneindig grotere dienst bewijzen als ze de verkoop van vuurwerk zou beletten? En zou het niet beter zijn als ouders de zakken van hun kroost zouden inspecteren? ‘Neemt ze de pijpsleutels af,’ zo stelt de briefschrijver voor. ‘Hun gevaarlijk kanonnetje schieten heeft rustigen voorbijgangers zoo vaak een ongeluk bezorgd, soms een oog ontroofd.’

Als we wat meer over siervuurwerk willen weten, stuiten we in dezelfde krant, die van 9 april 1898, op een brief van een vertegenwoordiger van de Amsterdamse firma J.P. Horsten en Zn., die al 47 jaar vuurwerk maakt en daarmee al menige menigte in verrukking heeft gebracht. De briefschrijver vindt het maar niks dat Amsterdam zijn vuurwerk uit Engeland haalt, terwijl notabene twee Nederlandse vuurwerkfabrieken bij recente vuurwerkwedstrijden in de prijzen zijn gevallen. De briefschrijver wil graag het misverstand wegnemen dat de inhuldigingsfeesten voor koningin Wilhelmina wel gouden tijden zullen betekenen voor een vuurwerkreiziger zoals hij.

K, 21 december 1983. Stadsarchief Amsterdam / Frans Busselman (1927-1993), Afbeeldingsbestand OSIM00008003648

Vuurwerkdubbeltjes

Nou mooi niet dus, want het vuurwerk voor de hoofdstad wordt voor duizenden guldens geleverd door … een Engelse firma. En was het niet een Engelse firma, zo voegt hij er fijntjes aan toe, die bij de tentoonstelling van het Hotel- en Reiswezen van 1895 enkele vuurpijlen op het publiek terecht liet komen? Nee, dan kunnen de ‘vuurwerkdubbeltjes’ beter terecht komen bij de Nederlandse vuurwerkindustrie, want dan voorkom je in ieder geval dat ‘duizenden Hollandsche werklieden en hun huisgezinnen een bangen winter zouden kunnen afwachten.’

Dat de Engelsen het  vuurwerk mochten leveren, was overigens niet zo gek, want de Londense firma Pain had op de Amsterdamse Wereldtentoonstelling van 1895 toch maar mooi de eerste prijs gewonnen op een vuurwerkconcours. Drie jaar later mogen ze hun kunsten weer vertonen aan de oevers van het IJ, wanneer gevierd wordt dat Wilhelmina de kroon bestijgt. De Telegraaf verheugt zich al op het slotnummer: een ‘stuk’ van 40 meter breed en 15 meter hoog, met niet alleen beeltenissen van ons vorstenhuis, maar ook de wapens van Nederland, de provincies en de ‘overzeesche bezittingen.’

Na de inhuldiging kwam Koningin Wilhelmina terug in Den Haag, waar ook feest gevierd werd. Er was onder meer op 13 september 1898 een groot vuurwerk in Scheveningen, waar de torpedoboten Krakatauen Idjenaan bijdroegen met zoeklichten, stralenbundels en vuurpijlen. “… een groote verlichting van Bengaalsch vuur te midden van Oranjezonnen” en tot slot het portret van de Koningin in vuurwerk gaf groot enthousiasme bij de toeschouwers. Illustratie van Petrus van Geldorp (1872-1939) uit het kinderboek Haantje de Voorste door F.H. van Leent. Foto: Koninklijk Huisarchief .

Czaar Peterfeesten

Natuurlijk wordt niet alleen in Amsterdam vuurwerk afgestoken, in Zaandam doen ze dat in augustus 1897 ter ere van de Czaar Peterfeesten. ’s Avonds is er een verlichte gondelvaart langs de Binnenzaan, waarbij tal van met lampions versierde pleziervaartuigen onder een  verlichte Magere Brug doorglijden. Om half elf is de vloot bij de Voorzaan aangeland, waarna een schitterend vuurwerk losbarst, dat wordt geleverd door de Koninklijke Nederlandsche Pyrotechnische fabriek van de firma G.J. Ruysch uit Utrecht. De Engelsen komen er in Zaandam niet in.

Het vuurwerk brengt hulde aan zowel de Zaanlandse Zeilvereeniging als aan Czaar Peter, waarvoor een draaiende batterij Romeinse kaarsen en zwermpotten worden ingezet. Jammer genoeg ontstaat er na afloop van het vuurwerk een ‘vreeselijk gedrang.’ Er is namelijk veel volk op de been en  de doorgangen zijn op sommige plekken zeer smal. Het publiek blijft echter goedgehumeurd, zo schrijft de krant. ‘Er heerschte algemeene vrolijkheid en dus getroostte men zich gaarne een duw of een stoot, en zong men er lustig overheen.’

L.J. Coster

Van de Zaanstreek gaan we naar Haarlem, waar een paar decennnia daarvoor, in juli 1856 gevierd wordt dat Lourens Janszoon Coster een standbeeld heeft gekregen. De stad is met bloemen versierd, het muziekcorps van de Haagse grenadiers speelt op Zomerzorg een aan L.J. Coster opgedragen triomfmars en ’s avonds is er een prachtig vuurwerk op het exercitieterrein buiten de Nieuwpoort. Dat spektakel duurt anderhalf uur en bestaat uit 18 grote stukken, die zijn vervaardigd door de heren J. van Leeuwen en Zoon, kunstvuurwerkmakers te Haarlem.

De verslaggever van het Algemeen handelsblad heeft al heel wat vuurwerk gezien, maar dit slaat alles. Hij is lyrisch over het Bengaals en Grieks vuur waarmee een buitengewoon grote drukpers wordt uitgebeeld. Ook een aan L.J. Coster gewijde triomfboog, versierd met molenwieken en fonteinen van gekleurd vuur, leidt tot ‘oh’ en ‘ah’-geroep bij het massaal toegestroomde publiek. Maar het klapstuk is toch een tempel, gewijd aan L.J. Coster, waarbij de kunstvuurwerkmakers maar liefst drie duizend Bengaalsche lansen in stelling brengen, naast zuilen, altaren, globes, zonnen, Romeinse kaarsen en boeketten van luchtpijlen. Geen wonder dat het publiek luidkeels ‘Hoera!’ roept als het laatste vuurwerk is uitgedoofd.

Costerfeesten, onthulling van het standbeeld op de Grote Markt, 1856. “Lourens Janszoon Coster”. Lithografie (Steendruk van P.Blommers), Noord-Hollands Archief / Beeldcollectie van de gemeente Haarlem, Inventarisnummer NL-HlmNHA_53001632

Gouden ballen

Keren we nog één keer terug naar de hoofdstad, waar koningin Wilhelmina en haar moeder in de zomer van 1898 op bezoek gaan. De audiëntie, waaraan officieren van de schutterij, de zee- en  landmacht deelnemen, duurt maar kort, want het koninklijk gezelschap wil het vuurwerk voor geen goud missen.

Dat vuurwerk, zo lezen we in De Telegraaf, bestaat uit ‘knallende luchtschoten’ en ‘gouden ballen’ die snel de lucht in vliegen, waarna ‘vurige lichtstaarten’ de duisternis in worden geschoten, die zorgen voor ‘een vonkenregen van rood, groen, geel, paars en oranje.’ Vervolgens stijgen ballonnen op die hoog in de lucht een kleurige vonkenregen loslaten, terwijl gouden letters de wens ‘Leve Wilhelmina’ vormen.

Voor de Vuurwerkfabriek van Schuurmans worden de stukken van de portretten van Koningin Emma en Wilhelmina getoond. Fotograaf onbekend, 1930, Leeuwarden. Beeld: Geheugen van Nederland, [SFA022817096], Het Leven, Spaarnestad Photo.

Mocht u nu zeggen, daar had ik wel bij willen zijn, dat moeten we er toch even op wijzen dat niet alles in die tijd rozengeur en maneschijn was. Zo kondigt De Telegraaf op 13 mei 1894 een concert mét vuurwerk in de Parktuin in de Plantage aan, dat in die tijd een uitgaansbuurt is, met theaters en ander vermaak. Een kaartje voor het evenement, zo lezen we, kost 49 cent, maar kinderen beneden de 10 jaren en ‘Dames zonder geleide’ worden niet toegelaten. Want laten we wel zijn, ‘dames zonder geleide’ zijn natuurlijk dubieus; die kun je dus maar beter niet binnenlaten.

Voor dit artikel is geput uit het digitale krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek, www.delpher.nl. De passage over Hartjesdag is gebaseerd op informatie van Stadsarchief Amsterdam.

Auteur: Arnoud van Soest

Publicatiedatum: 16/12/2020

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.