Mode en het Zaans Kostuum

Het Zaans Kostuum is bekend geworden in de verschijningsvorm van rond 1780. Vooral het kostuum van de vrouw, jak en rok breed silhouet, kostbare stoffen, oorijzer, sieraden en de kaper spreekt tot de verbeelding. De mannen droegen het gangbare driedelige kostuum, lange jas, kniebroek, vest en driekante steek. Feitelijk ligt de bloeiperiode tussen ca. 1750 en 1850. Het accent ligt wel op de tijd rond 1780. Uit deze periode zijn de meeste publicaties geweest en is ook de meeste kleding bewaard gebleven. Het Zaans Museum heeft een prachtige collectie van deze kleding.

Relatie met Nood-Holland

De Zaanstreek is onderdeel van Noord-Holland en de kleding en de sieraden hebben dan ook veel verwantschap met elkaar. In de Zaanstreek was echter een doopsgezinde bovenlaag die trendsettend was voor de streek. Eenvoud was het devies. De vrouwen droegen dus vaak jakken en rokken in plaats van japonnen en de kanten van de mutsen waren smal en ongeplooid. De mannen hadden vaak kostuums van donkere stoffen.

Twee leden van Historische Kostuumgroep De Zaanse Kaper in het kostuum van ca. 1780. Foto: Inge Bosman.

Tegenstrijdigheid

Deze neiging naar eenvoud nam niet weg dat er dure sieraden, stoffen, kanten, en geborduurde accessoires gebruikt werden voor de kostuums. Stoffen waren in de achttiende eeuw heel kostbaar en men liet het ‘breed’ hangen. De rokken waren tussen de drie en zes meter breed.

Ondanks het feit dat vrouwen paniers droegen, hadden zij toch meerdere rokken aan. Een panier is een onderrok met ovalen hoepels en dient als heupverbreding. Ook wel in een vorm met twee losse heupstukken aan een tailleband. De term panier komt uit het Frans en betekent letterlijk (brood)mand of korf. Niet alleen de bovenrok (wagd) was van een kostbare stof, zo ook de rok eronder, die zichtbaar werd bij het zitten gaan.

Zijden, – of wollen damasten stoffen werden gebruikt voor de bovenkleding evenals de gebloemde sits. Sits is een glanzende katoenen stof met bloempatronen, oorspronkelijk door de VOC uit India geïmporteerd. Deze dure stof was bijzonder geliefd en werd veel gebruikt voor kleding.

Zijden jakken uit de ZOV-collectie in het Zaans Museum. Foto: Ruud Rittbergen.

Detail sitsen rok. Collectie Zaans Museum, objectnummer: ZOV-06168.

Waarom ligt het accent op de periode 1780?

De trendsettende elite in de Zaanstreek was doopsgezind en soberheid was een deugd. Er zijn daarom maar heel weinig portretten van bemiddelde mensen gemaakt of bewaard gebleven. Wél werden er veel prenten gemaakt van vrouwen in Zaans kostuum en ook werd hierover geschreven. Bijvoorbeeld in het modetijdschrift Kabinet van Mode en Smaak uit 1791, uitgegeven bij Adriaan Loosjes in Haarlem.

Hierin  staat “Eene Zaandammer Dame” afgebeeld met een uitgebreide beschrijving van haar kleding. Er wordt gerefereerd aan de kostbaarheid van deze dracht. Veel aandacht wordt aan de kaper besteed. En sindsdien is dit  het “handelsmerk” van de Zaanse streekdracht. Het is zelfs de naam van historische kostuumgroep de Zaanse Kaper geworden.

Zaanse Dame, Kabinet van Mode en Smaak, 1791.

Beschrijving van het Zaans Kostuum van ca. 1780 in detail

De herenkleding heeft geen specifiek Zaanse kenmerken, behalve dat de kleuren meestal minder uitbundig waren, dan in de stad. De heren droegen over een lang linnen hemd, dat aan de hals en manchetten afgezet was met batisten lubben, een driedelig kostuum, een rok (lange jas) een kamizool (vest) en een kniebroek. Het kostuum kon van één stof en één kleur zijn (zijde of laken), maar ook van verschillende stoffen en kleuren. Het kamizool was soms prachtig geborduurd of van kostbare zijden damast gemaakt. De rok werd open gedragen, zodat het kamizool zichtbaar was.

Hier werden zijden kousen bijgedragen, die met ingebreide motieven versierd konden zijn en zwart leren schoenen met zilveren gespen. De kousen werden omhooggehouden m.b.v. zilveren gespen aan de pijpen van de klepbroek. Het gouden of zilveren horloge werd in een zak in de broekband gedragen en de horlogeketting met signetten (stempels) hing er ter versiering buiten. Een korte pruik en een driekante steek completeerden het geheel.

Uit teksten uit die tijd blijkt dat de Zaanse heer over het algemeen een eenvoudige uitvoering van dit kostuum droeg. Veel Zaankanters waren doopsgezind en pronken hoorde niet bij die geloofsovertuiging, veeleer trachtte men eenvoudig en sober te leven.

Links: Gerrit Claasz. Honig 1779, Collectie Zaans Museum, objectnummer: ZOV-03934. Rechts: Blauwe kamizool en zwarte broek van zijde, Collectie Zaans Museum, objectnummer: ZOV-02412.

De dames droegen over een lang linnen hemd een keurslijf (corset). Daar overheen kwamen een wit linnen onderrok en de panier (hoepelrok). Dan weer een aantal onderrokken, van sitsen, linnen, wollen of katoenen stoffen. De bovenrok (de wagd) was vaak van zijde. Changeant zijde, ook wel gloedzijde genoemd, was zeer geliefd, evenals zijden damast of gebrocheerde zijde. Over het keurslijf werd een kroplap (half hemdje, later chemisette genoemd) van witte damast gedragen, aan de hals afgezet met een smalle kant. Het jak (kassekien) kon van zijde zijn, meestal een andere kleur dan de rok, maar bij de changeant zijden rokken werden ook wel sitsen jakken gedragen. De driekwart mouwen hadden vaak losse elleboogstukjes die afgezet waren met kant. De onderarmen werden bedekt door gebreide zijden wantjes (vingerloze handschoenen, ook wel mitaines genoemd) die ook weer met kant versierd werden. De wantjes werden m.b.v. een zijden lintje met gouden gespje voor afzakken behoed.

Over de wagd werd een schort gedragen. Dit had een versierende functie. Het was vaak gemaakt van sits of Oost-Indisch bont (een geruite stof van een mengweefsel, half zijde, half linnen). Hier overheen kwam vaak een zijden taillelint. Het schort werd met behulp van een (gouden) corsetpen op zijn plaats gehouden.

De hals werd bedekt met een fijne witte batisten doek, aan de randen versierd met Dresdener borduurwerk of afgezet met een strook kant. De doek werd meestal hoog aan de hals dichtgespeld. Hier overheen droeg met een halsketting, vaak een zgn. bootjesketting in goud gevatte granaten, of andere edelstenen. Over de borst werd een zijden lint gespeld dat met een gouden gesp of sierspeld versierd kon zijn. Witte of gekleurde, zijden kousen, met ingebreide of op geborduurde motieven versierd, werden in zijden schoentjes gedragen.

Collectie Zaans Museum, objectnummers: ZOV-02249-02467-02516-05659-07056-08563.

Hoofdtooi

Het meest kenmerkende aan de Zaanse klederdracht is de hoofdtooi.

De oorijzerdracht (‘de kap’) heeft zicht ontwikkeld uit de zeventiende eeuwse regentendracht. Vrouwen droegen een witte (boven)muts die aan weerszijden van het hoofd af stond. Deze vorm maakte een ijzeren beugeltje noodzakelijk. Om te voorkomen dat de uiteinden van het ijzer in de wangen prikten werden deze omgebogen en van klein knopjes, poten, voorzien. Later ‘boeken’ genoemd.

Detail van portret van Catharina Hoogsaet(1607-1685) door Rembrandt van Rijn (1606-1669), 1657, particuliere collectie.

Toen deze mutsen en oorijzers bij de stadse elite uit de mode raakten, kwamen ze op het platteland in de mode en maakten een hele ontwikkeling door. Die ontwikkeling verschilde per streek. Het ‘ijzertje’ groeide uit van een ½ c.m. brede, sterk gebogen band, tot een rechte, (7 cm.)  brede band van goud of zilver. Ook de poten of boeken groeiden van kleine knopjes tot grote (6 x 4 cm) rechthoeken in het midden van de negentiende eeuw.

De bovenmuts, afgezet met kant, werd met behulp twee kapspelden in het oorijzer gespeld. Onder de bovenmuts werden aan beide zijden van het hoofd twee gouden zij(haar) naalden gedragen, die versierd waren met drijfwerk. Tenslotte werd voorhoofds(haar)naald onder de muts gestoken. Deze was van goud en bij de rijken versierd met diamanten.

Het eigen haar was onder de muts niet zichtbaar. In plaats daarvan werd een randje valse krulletjes  (gemaakt van touw of eigen haar) om het hoofd bevestigd. Op het achterhoofd werd onder de tussenmuts een kartonnen pol gedragen. De pol lijkt op de ovale haarvlecht. Dit verlengde de schedelvorm,wat men in die tijd mooi vond.

Replica pol door Inge Bosman.

Kinderen werden aangekleed zoals de ouders. Dit blijkt onder andere uit kleding die bewaard is en ook uit deze pastelportretten van Rienk Jelgerhuis.

Links: Marijtje Honig 7 jaar oud, Collectie Zaans Museum, objectnummer: ZOV-02926. Rechts: Michel J. Jongewaard, 8 jaar oud, Collectie Zaans Museum, objectnummer: ZOV-05780.

Empire

Er zijn allerlei aanwijzingen, onder andere in prenten, dat in de Zaanstreek de empiremode (vanaf 1790/1800) door de meeste vrouwen aanvankelijk niet gevolgd werd. Mogelijk kwam dit deels door de economische recessie in die tijd. Maar kennelijk was men ook gehecht aan de kostbare zijden en sitsen stoffen. Bovendien is de Zaankanter praktisch, en de oude mode was veel warmer dan de luchtige empiremode met z’n ragdunne stoffen.

Men probeerde sluike modesilhouet wel te benaderen door minder rokken te dragen en de panier uit te laten. En de jakken kregen dezelfde ronde hals en smalle rug van de empirejaponnen. Later werden ze van katoen gemaakt en kregen ook lange mouwen. Maar rond 1820 gaan de rijkere Zaankanters toch over naar de dunnere japonnen, waarbij de doopsgezinde vrouwen de achttiende eeuwse mutsen blijven dragen (zie b.v. het portret van Machteltje Honig hieronder.)

Links: Mevr. Seydehagen, Collectie Zaans Museum, objectnummer: ZOV-07069. Rechts: Brechje Sijpestein 1791, particuliere collectie.

Streekdracht is niet statisch

Het is een modevolgende dracht. Wanneer het silhouet van de mode verandert, verandert ook het Zaans kostuum. Eigenlijk is vooral de hoofdtooi van de vrouw, oorijzer, mutsen, sieraden, het kenmerkende van deze streekdracht. Deze verandert ook mee met de mode. Het oorijzer en de bijbehorende sieraden zijn aanvankelijk klein, midden achttiende eeuw, en worden steeds groter tot zij hun grootste vorm hebben rond 1850. Daarna houdt deze dracht in de Zaanstreek op.

Het is vooral de gegoede middenstand, met name de kooplieden van de Zaanstreek die zich deze dracht konden veroorloven. De gewone Zaankanters droegen eenvoudiger kleding gemaakt van (vaak) donkere wollen en linnen stoffen, waarbij veel minder stof gebruikt werd. Er waren ook zilveren en koperen oorijzers en sieraden. Maar hoe rijk of arm, ook zij probeerden de mode te volgen.

Links: Machteltje C. Honing 1820, Collectie Zaans Museum, objectnummer: ZOV-04179. Rechts: Antje Hendriks Kaat 1842, Collectie Zaans Museum, objectnummer: ZOV-07061.

Het Zaans Kostuum in de 21e eeuw

In het Wevershuis op de Zaanse Schans wordt op originele weefgetouwen zeildoek geweven door mensen in het arbeiderskostuum van 1850. De vrouwen dragen geen oorijzers maar mutsen, hullen.

Tijdens het werk vertellen zij hierover. Net als in het vlakbij gelegen Jisperhuisje.

Vrouwen met hul in de zomerdracht van ca. 1850.

Historische kostuumgroep de Zaanse Kaper maakt al 25 jaar replica kostuums uit de periode 1750 -1850 naar voorbeelden uit het Zaans Museum. Zij geven shows, lezingen en cursus en dragen zo hun kennis over het Zaans kostuum weer over.

Historische kostuum groep de Zaanse Kaper in replica kostuum ca. 1780.

Auteur: Inge Bosman

Literatuur:

  • Honig, Zaans Kostuum fantasie of realiteit, Anno 1961 – nr. 5 1992
  • Jaarboek Nederlandse Kostuumvereniging 2000, Relaties Mode en Streekdracht
  • Havermans-Dikstaal, Aangekleed gaat uit, Streekkleding en cultuur in Noord-Holland 1750 – 1900
  • J.W. van Sante, Het dagverhaal van Aafje Gijsen
  • Johnson, Karakterschetsen, zeden en gewoonten van mannen en vrouwen in het jaar 1816
  • Vis, De Zaansteek: een beschrijving van het Zaansche volksleven in zijn historische ontwikkeling
  • Tijdschrift Kabinet van Mode en Smaak, 1791, Uitgegeven bij Adriaan Loosjes in Haarlem
  • De ontdekking van de Nederlander in boeken en prenten rond 1800  E. Koolhaas-Grosveld, Walburg Pers
  • Reis door Holland in de jaren 1806-1812, E. Maaskamp

Publicatiedatum: 04/11/2020