‘Slaven zijn kippen’ en andere verhalen over de slavernij

Met voetboeien, liederen en persoonlijke verhalen besteedt het Rijksmuseum aandacht aan het Nederlandse aandeel in de slavernij.

Het moest er een keer van komen, vond directeur Taco Dibbits. Slavernij heeft 250 jaar lang deel uitgemaakt van de Nederlandse geschiedenis. En als je een nationaal museum van kunst en geschiedenis bent, hoort een expositie over het Nederlandse aandeel in de slavenhandel daar ook bij.

Niet om met het vingertje te wijzen, want ‘de koloniale slavernij ligt immers achter ons; de samenleving van nu draagt daar geen verantwoordelijkheid voor,’ zegt Valika Smeulders, hoofd geschiedenis, bij de perspresentatie. Een presentatie die vanwege corona digitaal is, zodat journalisten niet in staat zijn om de tentoonstelling te bekijken. Middelbare scholieren wél, want die hebben de toekomst, zegt Dibbits. Scholieren doen alleen géén verslag in de media, dus gelukkig zijn er filmpjes en is er een catalogus die méér dan genoeg informatie biedt om een indruk te geven.

Meervoudige voetboei voor het ketenen van tot slaaf gemaakte mensen, circa 1600-1800. Schenking van de heer J.W. de Keijzer. Collectie Rijksmuseum.

Géén oordeel

De expositie velt geen oordeel, vervolgt Smeulders, maar is vooral bedoeld om mensen in staat te stellen zich in de slavernijgeschiedenis te verdiepen, ‘zodat we beter begrijpen waar we vandaan komen.’

Het Rijksmuseum heeft voor deze prikkelend vormgegeven tentoonstelling niet alleen geput uit de eigen collectie, want de schilderijen die het museum bezit vertellen doorgaans maar één kant van het verhaal. Het is namelijk de elite die het geld heeft om zich te laten portretteren. Geld dat soms is verdiend met de handel in producten die door slaven op plantages worden verbouwd, van suiker tot tabak.

‘Van hen die aan de macht waren zijn bezittingen bewaard gebleven, maar mensen in slavernij mochten geen bezit hebben,’ legt Smeulders uit. Slaven mogen niet schrijven en worden niet geportretteerd. Áls er al over ze wordt geschreven, dan is het omdat ze bij de handelswaar horen of omdat ze als crimineel worden beschouwd wanneer ze in opstand komen.

Tot slaaf gemaakte mannen graven trenzen voor de waterafvoer op de plantage, circa 1850. Anoniem. Aankoop met steun van het Johan Huizinga Fonds/Rijksmuseum Fonds, 2013. Collectie Rijksmuseum.

Persoonlijke verhalen

Zo komt het museum op het idee om tien ‘persoonlijke’ verhalen te vertellen van mensen die bij de slavernij betrokken zijn. Verhalen over slaven (het museum gebruikt zelf de term ‘tot slaaf gemaakten’), slavenhouders, mensen die zich tegen slavernij verzetten en mensen die als slaaf naar Nederland zijn gehaald om daar als bediende te werken.

Om die verhalen te kunnen vertellen, wordt met mensen van buiten het museum samengewerkt, zoals historici, kunstenaars, theatermakers en artiesten. De verhalen worden verteld door mensen die iets met het onderwerp hebben, bijvoorbeeld omdat hun voorouders als slaaf op een plantage werkten.

Een van die mensen is Remy Bonjasky, oud-wereldkampioen kickboksen. Bonjasky vertelt het verhaal van Wally, omdat hij op dezelfde suikerrietplantage Palmeneribo in Suriname werkte als zijn voorouders.

Wally werkt er met 155 andere mannen, vrouwen en kinderen. Ze snijden suikerriet, wat zwaar werk is, omdat het vaak tot nare snijwonden aan armen en benen leidt. In de oogsttijd moet er zelfs dag en nacht worden gewerkt om al het suikerriet uit te persen. Daar gebruiken ze grote gietijzeren ketels voor, waarvan er één op de tentoonstelling is te zien.

Een gietijzeren ketel (kappa) zoals in de 19e eeuw op Surinaamse suikerrietplantages wordt gebruikt. Aankoop 2020. Foto: Rijksmuseum.

Suikerrietsap

Als het suikerrietsap voldoende is ingedikt, wordt het door slaven over de Surinamerivier naar Paramaribo geroeid. Vervolgens wordt het sap in vaten naar Amsterdam gebracht en in een van de vele suikerrietraffinaderijen verder gezuiverd.

Als plantage-eigenaar Johan Witsen, die overigens nooit in Suriname is geweest, het kleine beetje vrije tijd dat de slaven nog hebben wil afpakken, om de productie te verhogen, breekt er op de plantage in de zomer van 1707 een opstand uit.

Een groep mannen, waaronder Wally, vlucht het bos in, maar ze zijn het leven in het bos niet gewend, dus na vijf dagen keren ze naar de plantage terug. Aangezien op vluchten de doodstraf staat, worden Wally en drie andere leiders van de opstand tot de dood veroordeeld. Ze worden langzaam en levend verbrand. En alsof dat nog niet genoeg is, worden ze tijdens die openbare verbranding ook nog eens met gloeiende nijptangen geknepen. Vervolgens worden hun afgekapte hoofden – als waarschuwing – op stokken tentoongesteld.

En dan hebben we het alleen nog maar over de excessen. Behalve dat het werken op een suikerrietplantage zwaar en gevaarlijk is, worden de slaven ook nog gestraft als de bazen, ondanks de lange werkdagen, niet tevreden zijn over de productie. Voor straf moeten de slaven dan gloeiend hete stenen in hun handen vasthouden, wat al te vaak ernstige brandwonden veroorzaakt. Het Surinaamse lied Faya siton, dat nog steeds wordt gezongen, gaat daarover: ‘Gloeiende stenen, brand me niet zo!’

Dirk Valkenburg schildert in 1707 deze plantage in Suriname. Collectie Rijksmuseum.

Kunstinstallatie

De overige negen verhalen spelen zich af in andere delen van het Caribisch gebied, zoals Sint Eustatius, Brazilië, Zuid-Afrika, Azië en Nederland zelf, waar slaven als bediendes aan het werk worden gezet. De verhalen zijn gegoten in korte, informatieve filmpjes, die nu al op de website van het Rijksmuseum te bekijken zijn, waarbij je en passant een indruk krijgt van de objecten die op de tentoonstelling worden getoond. De voetboei uit het door Portugezen bezette Brazilië, waaraan mannen en vrouwen worden vastgeketend bij wijze van lijfstraf, is daar een voorbeeld van.

Om een stem te geven aan de miljoenen mensen die als handelswaar vanuit de westkust van Afrika over de Atlantische oceaan worden weggevoerd, maakte de Beninese kunstenaar Romuald Hazoumè in de eerste zaal van de tentoonstelling een installatie, getiteld La Bouche du Roi.

Voor die installatie verzamelt hij 304 jerrycans die in Benin door jonge mannen worden gebruikt voor het illegale (en gevaarlijke) vervoer van benzine. Hij plaatst de jerrycans in de vorm van de manier waarop op een Engels slavenschip slaven op elkaar worden gepropt. De kleinere maskers staan voor de vrouwen en kinderen, de gebroken maskers presenteren de mensen die onderweg sterven.

De kunstenaar verwerkt in zijn kunstwerk ook de tabak, kralen en spiegels die Europeanen gebruiken om in Afrika mensen te kopen. Om het nog wat realistischer te maken, vermengt hij de geuren van tabak en kruiden met de vieze geuren op een schip, zoals urine en zweet.

Romuald Hazoumè maakte de kunstinstallatie ‘La Bouche du Roi’ (De mond van de koning), 1997–2005. British Museum, Londen. Aangekocht van de October Gallery met steun van het Art Fund en de British Museum Friends. Foto: Rijksmuseum.

Slavenmarkten

Slavernij is geen Nederlandse uitvinding. In Azië en Afrika bestaan er al vóór de komst van de Europeanen verschillende vormen van slavernij. Slaven werken voor welvarende families, in het huishouden of  op het land. Maar als Portugezen, Spanjaarden en Nederlanders aan hun koloniale avonturen beginnen, ontstaan er slavenmarkten. Dat zorgt ervoor dat mensen met geweld uit hun omgeving worden gehaald, hun naam verliezen en louter als handelswaar worden gezien. Vandaar dat ze bij de inventaris staan vermeld, tussen het vee en het gereedschap in. Ouders hebben niets meer over hun kinderen te vertellen, want die zijn het bezit van de slavenhouders en kunnen dus doorverkocht worden. In een Curaçaos lied wordt dat zó verwoord: ‘De landheer verkoopt ons, mama; slaven zijn kippen.’

Overigens zijn het niet alleen zwarte Afrikanen die als slaaf worden verkocht. In de zeventiende en achttiende eeuw kent men ook christenslaven. Dat zijn Europese mannen die in slavernij zijn gebracht nadat hun schepen bij de Noord-Afrikaanse kust zijn overvallen. In Europa wordt geld ingezameld om hen vrij te kopen. Maar zwarte slaven zijn geen christenen; zij zijn voorbestemd om de witte mens te dienen.

De tot slaaf gemaakte Augustus van Bengalen houdt de pijp van Hendrik Cloete vast, circa 1788. Anoniem. Archief Swellengrebel-Boekee, Sint Maarten. Via Rijksmuseum.

Nootmuskaat

Nederland is een belangrijke speler in de slavenhandel, die duurt van de zeventiende tot aan het eind van de negentiende eeuw, als de slavernij wordt afgeschaft. Die slaven halen ze niet zelf uit de binnenlanden van Afrika, dat doen Arabische en Afrikaanse slavenhandelaren voor hen. En soms helpen lokale vorsten een handje mee.

Zo wordt in het tentoonstellingsboek beschreven hoe Garcia II, koning van Congo, geschenken stuurt naar Johan Maurits, gouverneur-generaal van Nederlands-Brazilië. De koning van Congo wil van de Portugezen af omdat hij ze wreed vindt; hij wil ze met militaire hulp van de Nederlanders uit zijn land verdrijven. Dat hij Johan Maurits met geschenken gunstig wil stemmen, is nog wel te begrijpen, maar het wordt wat wonderlijk als je leest dat die geschenken bestaan uit een gouden ketting, een zilveren lampetschaal en… tweehonderd slaven. Ook de koning van een Afrikaans land zag er dus geen been in om tweehonderd van zijn landgenoten weg te geven.

Dat neemt echter niet weg dat er in totaal ruim 12,5 miljoen mensen door Europese handelaren tot slaaf zijn gemaakt en naar verre landen verscheept. Ze gaan naar nootmuskaatplantages op Indonesische Banda-eilanden, de suikerplantages rondom Batavia, de zilvermijnen op Sumatra en de boerderijen in Zuid-Afrika. Nederlandse handelaren, waarvan de helft in dienst is van de West-Indische Compagnie, nemen daarvan naar schatting tussen de 660.000 en 1,1 miljoen slaven voor hun rekening.

Maar dat zijn abstracte getallen. Om enige indruk te krijgen van hoe er met slaven wordt omgesprongen, kunnen we terecht bij een reisverslag van Jan Wils, waarin hij beschrijft hoe een slavenschip vanuit Rotterdam vertrekt en op 10 mei 1686 in Accra – het huidige Ghana – aankomt. In opdracht van de Sociëteit van Suriname zullen ze daar 508 slaven kopen en naar Suriname brengen.

Blauwe kralen die slaven en hun nazaten in de 18e en 19e eeuw op Sint Eustatius als betaalmiddel gebruikten. Uit particuliere collectie, Oranjestad, Sint Eustatius. Via Rijksmuseum.

Accra

Als de in het binnenland van Afrika gevangen genomen mannen, vrouwen en kinderen in Accra aankomen, na weken in de brandende zon te hebben gelopen, worden ze gekeurd en gebrandmerkt. Aan boord van het schip worden de mannen van de vrouwen en kinderen gescheiden en in ruimtes gestopt waar ze nauwelijks kunnen zitten of bewegen.

Op 15 juni vertrekt het schip met Paramaribo als eindbestemming. Aan boord van d’Coninck Salomon bevinden zich 333 mannen, 167 vrouwen, 3 jongen en 5 meisjes. 54 van hen sterven onderweg. Wils beschrijft hoe de bemanning 80 van de magerste mannen uit hun boeien bevrijdt om hen wat extra eten te geven, want het is wel zaak dat de slaven levend in Paramaribo aankomen. Voor drie mannelijke slaven is het dan al te laat.

Er broeit duidelijk iets aan boord, maar de messen, geslepen spijkers en stukken brandhout, bedoeld voor een opstand, worden voortijdig ontdekt. Om een voorbeeld te stellen wordt de aanstichter van het verzet opgehangen.

Eveline Sint Nicolaas, senior conservator geschiedenis van het Rijksmuseum, schat dat er tijdens de gehele periode van slavenhandel over de Atlantische oceaan 493 opstanden zijn geweest. Vermoedelijk zijn het er nog véél meer geweest, omdat niet elke opstand het reisverslag haalt. Opstandige Afrikanen zijn niet goed voor de handel. En dan hebben we het nog niet eens over de mannen en vrouwen die uit wanhoop overboord springen.

Afaina de Jong verzorgde de vormgeving van de slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum. Foto: Rijksmuseum.

Tentoonstelling

Bij de tentoonstelling, die 9 juni van start gaat (tenzij het kabinet anders besluit) en tot en met 29 augustus 2021 zal duren, hoort een gratis audiotour. De tien verhalen staan op de website van het Rijksmuseum, waar ook informatie is te vinden over de online bij te wonen talkshows en de speciale middag voor blinde en slechtziende bezoekers op 19 juni. Er is ook een audiotour voor families.

De tentoonstelling duurt drie maanden. Daarnaast krijgen 77 objecten in de vaste collectie van het Rijksmuseum een jaar lang een tweede tekstbordje, waarin de relatie van het kunstwerk met slavernij wordt gelegd. Het 368 pagina’s tellende tentoonstellingsboek is voor € 27,99 in de boekhandel of via Rijksmuseum Shop te bestellen.

Tekst: Arnoud van Soest

Publicatiedatum: 09/06/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.