Haai of rog, se­grijn of cha­grin? Veel­zij­dig­heid van vis­sen­huid in mode en ac­ces­soi­res

Vis is glibberig, glad en nat, en zo op het eerste gezicht niet geschikt voor toepassing in mode en design. Toch wordt vissenhuid al eeuwen lang en over de hele wereld gebruikt voor kleding, schoenen en accessoires.

In Zuidoost Siberië werden bijvoorbeeld waterdichte jassen gemaakt van zalmhuid, en in China en Japan werden handvatten van zwaarden bekleed met haaien- en roggenhuid. Ook in Nederland werd vissenhuid gebruikt. Het mooie en exclusieve patroon van roggen- en haaienhuid kwam in de achttiende eeuw erg in trek. Het werd gebruikt als verfraaiing van luxe voorwerpen zoals horloges, brillenkokers en messchedes.

Ook in onze tijd wordt vissenhuid nog steeds toegepast in onder andere de mode-industrie. Dit ‘afval’ uit de visverwerkende industrie is een veelzijdig materiaal. Na het verwijderen van de schubben wordt de huid gelooid, soms gepolijst en eventueel geverfd. Gelooide vissenhuid heeft niet alleen een opvallend patroon, maar is ook tot wel negen keer zo sterk als runderleer van dezelfde dikte. En niet onbelangrijk: vissenleer kan op een ecologisch verantwoorde manier geproduceerd worden.

Pronken met andermans schubben

In de collectie van het Zuiderzeemuseum bevindt zich een ‘tuigje’: een zilveren haak met enkele jasseron kettingen met daaraan een speldenkussen, een naaldenkoker, een schaar en een priem. Tuigjes werden al sinds de Middeleeuwen door vrouwen gebruikt om nuttige voorwerpen zoals sleutels of bestek mee te dragen. Aanvankelijk bestond een tuigje uit een eenvoudige leren riem die met een haak aan de band van de rok werden gehaakt.

In welgestelde kringen kreeg het een steeds kostbaarder uitvoering, vooral bedoeld om mee te pronken. Dat laat het tuigje uit het Zuiderzeemuseum ook goed zien. De voorwerpen zijn van zilver en rijk gedecoreerd. De schaar en de priem zijn gestoken in schedes bekleed met roggenhuid. De huid is groen geverfd aan de achterkant, de witte rondjes zijn de schubben.

In de negentiende eeuw krijgen de tuigjes de naam ‘chatelaine’, verwijzend naar de Franse kasteelvrouw en haar sleutelbos. Ze zijn een belangrijk onderdeel van de Zeeuwse, Friese, West-Friese en Zaanse dracht. Kostbaar siernaaigerei werd wel als huwelijksgeschenk gegeven en suggereerde een deugdzame eigenaresse.

Tuigje, rog, zilver, textiel, meesterteken: Anthony de Hoop (1767-1785), Amsterdam, collectie Zuiderzeemuseum Enkhuizen.

Maar niet alleen (sier-)naaigerei werd aan een ketting meegedragen. Lange tijd was het ook gebruikelijk je eigen bestek of mes bij je te hebben. Op een illustratie in Afbeeldingen van de kleedingen, zeden en gewoonten in de noordelijke provincien van het Koningrijk der Nederlanden, met den aanvang der negentiende eeuw (…) uitgegeven door Evert Maaskamp in 1803-1807, is een dame uit Zuid-Beveland te zien die een foedraal aan een ketting in haar hand draagt.

Dit is een bestekkoker, ook wel puntschede of scheekoker genoemd. De puntschedes werden in Zeeland door zowel mannen als vrouwen gedragen. Ze hadden meestal een zilveren heft en de schede was vaak bekleed met haaienhuid of roggenhuid.

Afbeeldingen van de kleedingen, zeden en gewoonten in de noordelijke provincien van het Koningrijk der Nederlanden, met den aanvang der negentiende eeuw (…), uitg. Evert Maaskamp, Amsterdam, 1803-1807, plaat nr 15.

Dergelijke besteksets werden ook elders gebruikt, zoals de set uit 1768, afkomstig uit de Zaanstreek. De heften zijn van porselein, de bekleding van de schede is van haaienhuid en het zilveren beslag is gegraveerd met ornamenten.

In Noord-Holland waren vooral de Schager mesjes populair. In Schagen was al in de zestiende eeuw een belangrijk centrum van messenmakers. Zo’n Schager mesje bevindt zich in de collectie van het Zuiderzeemuseum. De schede is bekleed met groen geverfde, gepolijste roggenhuid en heeft fraai gedecoreerd zilverbeslag. Bewerkte roggen- en haaienhuid worden ook wel ‘segrijn’ of ‘chagrin’ genoemd.

Mes en vork met foedraal, haai, porselein, zilver, inscriptie: P.D. Daalder 1768, Zaanstreek, collectie Zuiderzeemuseum Enkhuizen.

Roggenhuid was een kostbaar materiaal dat in de zeventiende eeuw populair werd in Europa. Het was van zichzelf meestal bruin of wit. In Frankrijk werd het vanaf 1730 populair om het segrijn groen te verven. Deze trend werd al snel mode onder de Franse aristocratie toen Madame de Pompadour er een fan van bleek. Ze bestelde grote hoeveelheden objecten van groen geverfde roggenhuid bij de ambachtsman Jean-Claude Galuchat.

Deze Galuchat was een befaamd leerbewerker en leverde aan verschillende hoven. Hij wordt beschouwd als de ‘uitvinder’ van groen segrijn. In Frankrijk staat ‘Galuchat’ nog steeds synoniem voor groen segrijn. Deze trend verspreidde zich door Europa. Niet alleen kleine voorwerpen zoals foedralen en doosjes, maar ook wetenschappelijke instrumenten zoals kijkers en telescopen en zelfs volledige meubels werden gedecoreerd met rog. Ook roze en rood segrijn komt voor.

Mes en schede, rog, zilver, ijzer, mesmerk: bootshaak en halve maan, Schagen, circa 1800-1850, collectie Zuiderzeemuseum Enkhuizen.

Segrijn: echt of nep?

Haaien en roggen zijn vissen met een ruwe huid die bestaat uit schubben van tandbeen. Deze ‘huidtanden’ vormen een decoratief patroon. De ronde huidtanden van de rog staan vaak in een willekeurig patroon, met midden op de rug een aantal grotere schubben. De haai heeft puntige en ruitvormige schubben, die in een gelijkmatig patroon richting de staart gerangschikt zijn.

De naam ‘segrijn’ wordt niet alleen voor roggen- en haaienhuid gebruikt maar ook voor leer van hoefdieren dat bewerkt is met zaden en daardoor een korrelig patroon heeft. Deze bewerking werd al beschreven in de achttiende eeuw in het gebied rond de Kaspische Zee, maar het was waarschijnlijk al ouder. Het bewerkte leer heette in het Perzisch ‘Sagri’ of ‘Saghari’.

Een stuk huid van een paard of ezel wordt opgespannen, waarna kleine plantenzaden in de huid worden gedrukt. Als ze goed zijn aangedrukt, worden de zaden van de huid afgeschud. Daarna wordt de bovenlaag, met daarin het collageen wat de huid soepel en elastisch houdt, van de huid geschraapt en wordt de huid in water gelegd om te weken. De huid zwelt op waar de zaden gedrukt zaten; op die plek zit nog collageen, in de afgeschraapte bovenlaag niet. Dankzij dit proces ontstaat het kenmerkende, bobbelige patroon dat lijkt op haaienhuid.

Al vanaf het eind van de zeventiende eeuw werd in Europa een ander soort imitatie segrijn vervaardigd, vermoedelijk om het ‘echte’, kostbare haaiensegrijn te imiteren: met persplaten en -rollen werden patronen geperst in geiten- en schapenleer. Dit segrijn is makkelijk te onderscheiden. Doordat er voorgedrukte platen werden gebruikt, zie je vaak een herhaling van het patroon, zoals op het omslag van de bijbel. De andere soorten segrijn – vis, paard of ezel – zijn niet altijd duidelijk te onderscheiden. Het verschil tussen haaien- of zoogdiersegrijn is op het oog klein. Soms wordt het materiaal dan ook ten onrechte bescheven als haaienleer.

Bijbel, segrijn, papier, zilver, meesterteken: Wyger Cornelis Schreuder, Sneek, circa 1750, collectie Stichting Musea Noardeast Fryslân.

Afval als luxemateriaal

De bijzondere eigenschappen van vissenhuid worden ook in onze tijd steeds meer gewaardeerd. Tilapiahuid wordt toegepast bij de behandeling van brandwonden, de structuur van haaienhuid wordt gekopieerd in supersnelle zwemkleding en de huid van de zalm en kabeljauw wordt gebruikt bij de bekleding van autostoelen en verwerkt in sneakers, zoals in de collectie ‘North Sea’ van het Deense merk Woden. Ook kunstenaars en ontwerpers omarmen het materiaal.

Quint Verhaart gebruikte voor zijn Lionfish schoen onder meer vinnen van de koraalduivel, een invasieve exotische vis die in het Caribisch gebied grote schade aan het koraal veroorzaakt. Dit ontwerp won meerdere internationale prijzen, waaronder drie keer goud tijdens de International Design Awards in 2020. Bedrijven zoals het IJslandse Nordic Fish Leather richten zich op de duurzame productie van ecologisch verantwoord visleer. Zij zijn een belangrijke leverancier voor onder meer kustenaars en designers. Het gebruik van dit ‘afval’ is een stap verder naar een duurzamer gebruik van materiaal.

Lionfish-shoe, collectie ‘Victims of Absence’, 2020, Quint Verhaart, zalm, vinnen van de koraalduivel. Fotograaf: Olga Simonenko.

Tentoonstelling ‘Leer van vis’

De messen, bijbel en de schoenen van Quint Verhaart zijn van 4 september 2021 tot 23 juli 2023 te zien in de reizende tentoonstelling ‘Leer van vis’, georganiseerd door het Netwerk Zuiderzeecollectie.

Auteurs: Marloes Vreugdenhil (assistent project manager tentoonstellingen) en Hilde Cammel (conservator), Zuiderzeemuseum.

Literatuur

  • C. Guth, ‘Towards a global history of shagreen’, in: A. Gerritsen, G. Riello (ed.), The Global lives of Things: The Material Culture of Connections in the Early Modern World, (New York 2016), pp. 62-80.
  • S. Ivo, ‘Zichtbaar of verborgen – Het tuigje, de beugeltas en dijzakken in mode en streekdacht’, in: Kostuum – Relaties: Mode en Streekdracht, Amersfoort 2000.
  • P. J. Minderhout, Van de Goudsmit – De historie en de ontwikkeling van Zeeuwse en andere streeksieraden, Enschede 2009.
  • F. Timmer, Geene Haken als Bootshaak te slaan – Over de Schager messen en hun makers, Schagen 2018.
  • M. Willemsen, ‘Segrijn: bekledingsstof uit zee. Leer van haaien en roggen’ in: Antiek (1996), pp. 268-275.

Links

Dit verhaal is eerder verschenen op Modemuze.

Publicatiedatum: 14/10/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.