Oneindig Noord-HollandBeleef de geschiedenis van jouw provincie

‘Fantastisch dat die scheepswrakken eeuwenlang bewaard zijn gebleven’

Thijs Coenen is maritiem archeoloog, die geregeld op monumentale scheepswrakken bij Texel duikt. “In dat deel van de BZN 3 stond nog zo veel overeind dat je het gevoel had: zó moet het er in de zeventiende eeuw uit hebben gezien; dat was echt waanzinnig.”

Coenen is sinds 2012 in dienst van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in Amersfoort. Hij duikt geregeld op scheepswrakken, waaronder het vermaarde Palmhoutwrak en hij kan er bevlogen over vertellen. Als we ons hebben genesteld in een vergaderzaaltje van de RCE in Amersfoort vragen we hem dus hoe is het om in de Waddenzee naar scheepswrakken te duiken.

“Er liggen zo veel bijzondere scheepswrakken in het gebied bij Texel,” gaat hij van start. “Het is fantastisch dat dat eeuwenlang bewaard is gebleven.” Al is het op een scheepswrak duiken dat al eeuwenlang op de bodem van de Waddenzee ligt toch wat anders dan in een strip van Kuifje waarin je een luik opentrekt en een open kist met gouden munten en amphora’s je toe lacht.

“Mijn collega’s duiken al sinds 1985 in de Waddenzee, maar in de eerste jaren dat ik in daar dook, vanaf 2013, had je weinig zicht,” vertelt hij. “Dan praat ik over 30, 40 cm. Inmiddels is het zicht wel iets beter geworden, maar vergeleken met de Noordzee heb je op de Waddenzee matig zicht. Dat komt door algen en opdwarrelend zand.”

Ja, dat zand wil wat. “Als je iets vrij graaft, is je putje door de getijdestroming, door eb en vloed, na twee uur weer met zand gevuld. Je kunt wel een groot deel vrij graven, maar  alleen in gedeeltes. Elke keer tekenen, fotograferen en filmen we en als we weer in onze werkruimte terug zijn, maken we er met de computer 3d-modellen van. Pas dan zie je de vindplaats in zijn geheel.”

Vage massa

Van het wrak zie je ook niet veel meer. “Dat is uit elkaar gebroken, door paalwormen aangetast en begroeid met anemonen; het is één vage massa. Het geeft overigens wel een kick als je iets herkent, zoals het achtersteven of de spiegelconstructie. In de zeventiende eeuw werden in de Nederlanden geen tekeningen gemaakt voor de scheepsbouw. We weten inmiddels wel redelijk hoe schepen in die tijd werden gebouwd, maar de indeling van ruimtes kan verschillen.”

Thijs Coenen is maritiem archeoloog en werkt sinds 2012 bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Foto: Arnoud van Soest.

Schiphol van zeventiende eeuw

Het gebied dat met Burgzand Noord wordt aangeduid, ligt aan de oostkant van Texel. Hier lagen in de zeventiende en achttiende eeuw grote zeegaande zeilschepen te wachten totdat de wind gunstig genoeg was om uit te varen, en het water van de wereldzeeën te doorklieven. Het was er soms zó druk, dat Coenen het tijdens een lezing wel eens met het Schiphol van nu heeft vergeleken.

De zeilschepen lagen in een beschut deel van de wateren rond Texel, nabij Oude Schild, maar dat was nog geen garantie dat ze niet naar de kelder konden gaan. Naar schatting zijn er in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw tussen de 500 en 1000 schepen gezonken.

Hoe ze ondanks die beschutting toch vergingen, kan Coenen wel verklaren. “Ze lagen aan de oostkant van Texel, wat relatief beschut is, maar als de storm uit het noord- of zuidwesten kwam blies hij precies tussen die zeegaten door. Die zeilschepen lagen allemaal voor anker en hadden geen motoren. Als een schip door zo’n storm van zijn anker sloeg en op drift raakte, konden ze andere schepen raken, wat voor een domino-effect zorgde. Daarbij komt dat die zandbanken zich verplaatsen, dus ook bij mist kon zo’n schip in de problemen komen. Zelfs nu nog overkomt dat schippers die het gebied goed kennen.”

Op deze kaart is te zien waar de zeventien scheepswrakken met een monumentale status liggen. De kaart is gemaakt door M. Haars van BCL–Archaeological Support.

De paalworm

Veel van die wrakken zijn inmiddels door stroming verdwenen, of door de paalworm aangevreten, maar een aantal wrakken is onder het zand verdwenen en daardoor eeuwenlang goed bewaard. In 1988 werd de BZN 3 als eerste scheepswrak tot Rijksmonument verklaard en in 2013 is de monumentale bescherming uitgebreid tot een rechthoek van 1000 bij 1500 meter.  Hier liggen inmiddels zeventien scheepswrakken, waaronder het veelbesproken Palmhoutwrak.

Dat juist in dit deel van de Waddenzee een gebied tot Rijksmonument is verklaard, heeft een reden. “In de jaren zeventig gingen mensen op grote schaal met een fles op hun rug duiken. Op die manier werden steeds meer archeologische locaties ontdekt. Meestal begon het met vissers die ergens aan bleven vast haken en dat doorgaven aan een duikclub, die vervolgens naar het wrak ging duiken.”

Eind jaren negentig besloot de overheid om niet te wachten tot sportduikers iets hadden gemeld. “Het gebeurde wel eens dat ze een wrak pas aan de overheid meldden als ze er een paar jaar op hadden gedoken en spulletjes hadden verzameld. Dat wilden we voor zijn door zelf te gaan kijken wat er in dat gebied ligt.”

Foto van een fragment van een tondeksel van de BZN3 waar initialen in zijn gekrast. Foto: Silke Lange

Zand en nog eens zand

Dat er in dit deel van de Waddenzee steeds meer scheepswrakken werden ontdekt had vooral met de zandbodem te maken. “De toplaag van de bodem van de Waddenzee bestaat uit zand. Als je wel eens met je voeten in de branding staat, merk je dat je voeten langzaam in het zand wegzakken. Dat gebeurt ook met scheepswrakken. Die zinken en landen op de zeebodem. Als dat maar snel genoeg gaat, blijft er veel van zo’n wrak bewaard, want alles wat boven de bodem uitsteekt is kwetsbaar. De stroming tast het aan, de paalworm vreet het hout op. Als het hout van zo’n scheepswrak door zand wordt bedekt, wordt het bewaard. Dat zie je niet bij scheepswrakken in de Middellandse Zee, wat die heeft een rotsbodem.”

Door de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 veranderde het nodige. “Door die dijk zijn de stroomgeulen in de Waddenzee verlegd, waardoor sommige scheepswrakken die onder het zand lagen vrij spoelden. In sommige gevallen is wel zeven tot acht meter zand weggespoeld, waardoor steeds meer wrakken werden ontdekt. Voor die tijd zag je ze niet, want ze lagen onder het zand.”

Dat geldt overigens niet voor de hele Waddenzee, voegt hij er meteen aan toe. “In bepaalde delen ligt juist méér zand door het veranderen van de stroomgeulen. Er zijn ook nog delen in de westelijke Waddenzee die buiten de stroomgeulen liggen; daar is dus niet of nauwelijks iets veranderd.”

Een duiker tekent op de BZN 17, oftewel het palmhoutwrak. Foto RCE.

Meters zand verdwenen

In 1985 is de Burgzand Noord 3 ontdekt en sindsdien is er al weer twee meter zand verdwenen. “Dat wrak is weliswaar afgedekt, maar het wegspoelen van zand in de omgeving van het wrak gaat gewoon door. Dat veel wrakken zichtbaar werden heeft er toe geleid dat Burgzand Noord een Rijksmonument is geworden.”

In de maanden mei en juni van dit jaar heeft Coenen en zijn collega’s weer gedoken op de BZN 3. Dat is het wrak dat de Rob zou kunnen zijn, althans dat is een vermoeden, want zeker is het nog niet. De Rob was een VOC-schip dat in 1639 aan Nederlandse zijde meevocht bij de slag bij Duins. Bij die gelegenheid werd de Spaanse Armada voor de Engelse kust verslagen. Het schip is op 5 januari 1640 gezonken bij de rede van Texel. Rede is een ander woord voor ankerplaats.

Dat we nog steeds niet zeker weten dat de BZN 3 het vergane VOC-schip De Rob is, heeft een reden. Coenen: “Het is verschrikkelijk moeilijk om er zeker van te zijn welk schip het is geweest. Het gebeurt bijna nooit dat we een schip uit de zeventiende eeuw identificeren. Er hebben in die tijd duizenden schepen gevaren, waarvan er veel op elkaar leken. Veel scheepstypen zijn ongeveer hetzelfde. Zelfs van het Palmhoutwrak met zijn gigantisch rijke lading, waar die jurk uit komt, weten we het niet. Er is een lijst van dertig à veertig schepen gemaakt die kandidaat zijn. Tot nu toe is er nog maar één wrak in het gebied geïdentificeerd en dat is de BZN 4, maar dat is een uitzondering.”

Dat duikers van de RCE weer op dit wrak doken komt omdat uit inspecties was gebleken dat het eerder met zandzakken afgedekte deel van het achterschip weer vrij was gespoeld en uit de zeebodem stak. Die zandzakken zijn vermoedelijk door een sleepnet of anker geraakt. Vlak voor de zomer werd de afdekking hersteld en is het wrak opnieuw onderzocht.

Zeeschilder Willem van de Velde II maakte circa 1680 dit schilderij van een groot schip in nood. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Uitstekende masten

Bij het duiken op de BZN 3 heb je niet alleen te kampen met matig zicht; het zijn ook geen wrakken waar je makkelijk even een luikje opent.  Anders dan in de Baltische Zee, waar het water veel dieper en kouder is, zodat de paalworm niet kan overleven, zakken hier schepen bijna nooit rechtstandig de bodem in. “Het water in de Waddenzee is sowieso ondieper, maar als zo’n schip naar de bodem zinkt, steken er meestal nog masten boven uit. Daar slaan de golven tegenaan en uiteindelijk breekt zo’n schip open; alles wat boven het zand uitsteekt verdwijnt. Eigenlijk houd je alleen de onderkant van het schip over – het vlak –  met één boord oftewel de zijkant van het schip.”

Inmiddels is duidelijk geworden dat het bij de BZN 3 om twee verschillende wrakken gaat. Dat andere wrak heeft ook een nummer gekregen: BZN 21. “Aanvankelijk dachten we aan twee mogelijkheden: òf het wrak is op een hele gekke manier opengebroken en uit elkaar geschoven, òf het zouden wel eens twee wrakken kunnen zijn, die in elkaar zijn geschoven. Inmiddels weten we zeker dat het om twee scheepswrakken gaat, omdat de delen die we hebben gevonden niet goed bij elkaar passen. In Nederland hebben we nog nooit twee scheepswrakken op elkaar gezien, maar dat het hier wel is gebeurd komt waarschijnlijk door de gigantische dichtheid van scheepswrakken in dit gebied.”

Een duiker van de RCE plaatst steigergaas bij der BZN3 om het scheepswrak zo goed mogelijk te conserveren. Foto: RCE.

Rechtstandig gezonken

Het komt dus zelden voor dat een schip rechtstandig de zandbodem in zinkt, maar er is één uitzondering en dat is de BZN 17, ook wel bekend als het Palmhout- of Jurkenwrak. Dat schip is namelijk wèl rechtstandig de bodem in gezakt, vandaar dat de rijke lading, waaronder ‘de jurk’, eeuwenlang zo goed in een kist onder het zand bewaard is gebleven.

In 2024 doken de maritieme archeologen weer op het Palmhoutwrak. “Aan de hand van wat boven de zandbodem uitstak, hadden we al een aardig beeld van het deel van het wrak dat zich in de zeebodem bevindt. Om dat beter te kunnen onderzoeken hebben we onder het voorschip, het middenschip en het achterschip een gleuf gegraven. De Tweede Kamer had namelijk om toekomstscenario’s gevraagd, van niets doen tot afdekken of compleet opgraven.”

“Zo’n onderzoek doe je omdat je wilt weten of je, om maar een voorbeeld te geven, nog twee jurken of twee vrachtwagens vol jurken kunt verwachten. Als je verwacht maar vijf scherven op te graven, hoef je weinig uit te zoeken en te conserveren. Heb je daarentegen het vermoeden dat je nog wel vijf jurken uit het wrak kunt halen, dan kost dat gigantisch veel geld, zeker als je weet hoeveel moeite en geld het heeft gekost om die ene jurk te conserveren. Daar moest een zuurstofvrije vitrine voor worden gebouwd. Dat soort dingen wil je weten voordat je gaat opgraven.”

Waanzinnig

Dat hij tijdens het onderzoek in 2024 kon staan in het achterschip van een zeventiende eeuws schip, gaf hem overigens wel een kick. “De masten zijn afgebroken, het tweede dek is grotendeels weg, maar van het onderste dek kun je je nog een voorstelling maken. Er is veel verdwenen, dus het ruim ligt open, maar er staat nog één boord of zijkant overeind. Je ziet twee kanonnen op een rolpaard, want dit was de ruimte van de constabel, oftewel de officier die verantwoordelijk was voor het geschut. Er staat nog zóveel overeind dat je niets hoeft te reconstrueren. Je hebt het gevoel dat je in die constabelkamer staat en je ziet hoe het er toen uit zag; dat is ècht waanzinnig.”

Maar als het wrak zo ‘waanzinnig goed’ bewaard is gebleven, doemt natuurlijk de vraag op waarom het Palmhoutwrak niet in zijn geheel naar boven kan worden getakeld. “Dat komt omdat er allerlei breuken in zitten en er wat onderdelen weg zijn,” legt Coenen uit. “Je kunt er dus niet een paar spanbanden omheen leggen en dat schip naar boven hijsen. Dan valt het uit elkaar. Je kunt er misschien wèl stukken uitzagen, maar in zijn geheel naar boven brengen, dat gaat niet. Ja, in China hebben ze een schip compleet met bodem naar boven getild en op land opgegraven, maar dat kost tientallen zo niet honderden miljoenen euro’s. Dat moet je niet willen; dat geld kun je beter aan andere dingen besteden.”

Archeoloog met opgedoken baardmankruik. Foto via Huis van Hilde.

Baardmankruik

Bij de campagne in 2024 hebben de duikers zo’n driehonderd voorwerpen naar boven gehaald. Heeft Coenen nog een voorwerp dat zijn hart heeft gestolen? Daar moet hij even over nadenken. “Als archeoloog vind ik vooral het verhaal van het schip interessant, dus wat daar is gebeurd. Ook de scheepsconstructie vind ik machtig interessant, maar qua vondst vind ik de baardmankruik, waar de kurk nog op zat, wel bijzonder. We weten nog steeds niet wat er in die kruik heeft gezeten. Toen we de fles met röntgenstralen onderzochten, leek er metaal in te zitten, maar toen we de kruik openden, zaten er vogelveren in. Dat is wat archeologie ook zo leuk maakt; bij elke stap van het onderzoek komt er iets uit wat je niet had verwacht; je ontdekt telkens wat nieuws.”

Dat de archeologen nog niet weten wat er in die kruik heeft gezeten, zou menigeen tot waanzin drijven, maar niet Thijs Coenen. “Dat we het nog niet weten vind ik helemaal niet erg, want zo blijft het een mysterie, al wil ik natuurlijk wel héél graag weten hoe die vogelveertjes in die kruik terecht zijn gekomen. Misschien dat we in een historische bron nog eens vinden dat die veertjes voor een recept of medicijn werden gebruikt, wie weet. Dat maakt dit werk ook zo mooi.”

Auteur: Arnoud van Soest

Publicatiedatum: 17/08/2026

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.