Amsterdamse witwerkers: de Ikea van de 18e eeuw

In menig Hollands interieur was in de zeventiende en achttiende eeuw een keur aan beschilderd meubilair in gebruik. Van kasten met gedetailleerde Bijbelse voorstellingen tot theeblaadjes met fleurige bloemmotieven, vervaardigd door Amsterdamse witwerkers. De meubels werden gemaakt van betaalbaar naaldhout en waren daarom zeer populair bij een groot deel van de bevolking.

Tijdens de Gouden Eeuw werd in de Hollandse steden een nieuwe woontrend geboren: beschilderd meubilair. De meubels werden in steden in het westen van Nederland gemaakt – zo is te zien aan sporen van windhoutzaagmolens – door zogenaamde witwerkers. Deze vaklui waren oorspronkelijk houtkramers, die kleine houten gebruiksvoorwerpen zoals stoven en rattenvallen produceerden. Met het groeien van de Hollandse steden in de zestiende en zeventiende eeuw kregen zij de mogelijkheid om zich te specialiseren in beschilderd houtwerk. Hun meubels maakten ze van wit naaldhout, vandaar de naam ‘witwerkers’. Een nieuw beroep was geboren.

De vroegste vermelding van witwerkers was in Amsterdam in 1614, Haarlem volgde in 1640. Tussen 1650 en 1800 waren er telkens gemiddeld zo’n dertig tot veertig witwerkersateliers tegelijkertijd actief in de hoofdstad. Onder de houtwerkers waren ze de derde grootste groep na de timmerlieden en de schrijnwerkers. Andere Noord-Hollandse steden waren pas in de achttiende eeuw groot genoeg om plaats te bieden aan een specialistisch beroep als de witwerkers: Zaandam in 1723, Hoorn in 1742 en Alkmaar in 1751. Zo verspreidden de witwerkers zich als een inktvlek over het westen van Nederland. Die groei was mogelijk dankzij de grote vraag naar hun producten.

‘Marker’ kast met Bijbelse voorstelling van Christus en de rijke jongeling, ca. 1750 -1800. Collectie Zuiderzeemuseum.

Van leerling tot meester

Witwerkers werkten in steden en moesten dus lid zijn van een gilde. Gildes waren belangenorganisaties, die de regels bepaalden voor het uitoefenen van een beroep. De twee belangrijkste gilderegels voor witwerkers waren dat ze alleen wit hout (naaldhout, zoals sparren, dennen en vuren) mochten gebruiken en dat hun meubels geschilderd moesten zijn. Om meester te worden, moesten witwerkers een zogenaamde gildeproef afleggen. In Amsterdam en Haarlem bestond de gildeproef uit een blokkas (kast) en een theetafel, in Alkmaar uit een schrijfcomptoir.

De regel over het gebruik van naaldhout, dat goedkoop was en vaak van lage kwaliteit, was afgedwongen door het schrijnwerkersgilde, dat in de witwerkers een grote concurrent zag. Zelf gebruikten de schrijnwerkers mooie, stevige houtsoorten, zoals eiken. Hierdoor lagen hun prijzen een stuk hoger. Een notenhouten linnenkabinet van een schrijnwerker kon al snel 100 gulden kosten, terwijl een witwerker voor eenzelfde kast met een beschilderde notenimitatie slechts 20 gulden vroeg. De gilderegel over het schilderen werd in elke stad anders ingevuld. Soms mochten de witwerkers zelf hun meubilair beschilderen, soms moest het schilderwerk uitbesteed worden, bijvoorbeeld aan een schilder van het Sint-Lucasgilde.

Grisaillekast uit Molkwerum, ca. 1690 -1710. De kast is beschilderd met bloemguirlanders en bloemfestoenen op deuren en fruitfestoenen in de nissen, tegen een zwarte ondergrond. Collectie Zuiderzeemuseum.

Bloemperken en bijbelscènes

De fraaie en betaalbare producten van de witwerkers vonden gretig aftrek onder grote delen van de bevolking. In menig Hollands interieur waren destijds beschilderde kasten, tafels, buffetten, dienbladen, kistjes en kinderstoelen te vinden. Tegen het eind van de achttiende eeuw, toen de adel verarmde, vonden de witwerkersproducten ook hun weg naar de huizen van de rijkste Hollanders. Hele kamers werden uit het modieuze beschilderde hout vervaardigd voor grachtenpanden en buitenhuizen, met ensembles van bij elkaar passende bedden, nachtkastjes, tafels en stoelen.

‘Amelander’ tafelblad met Bijbelse voorstelling van Simeon in de tempel, 18de eeuw. De schildering is waarschijnlijk gebaseerd op een altaarstuk dat Rubens schilderde voor de kathedraal van Antwerpen. Collectie Zuiderzeemuseum.

Op het naaldhouten meubilair waren vaak imitaties van duurdere houtsoorten aangebracht, evenals van marmer of andere luxe materialen. Schilderingen konden uiteenlopen van sierlijke ‘perken met blommen’ (ingelijste bloemboeketten) tot ernstige taferelen uit het Oude Testament, gebaseerd op bijbelprenten. Bijbelscènes kwamen veel voor in de zeventiende eeuw, toen Nederland zichzelf net had bevrijd van katholiek Spanje en het eigen protestantse geloof had ingevoerd. Ook schilderijen werden soms nageschilderd op meubilair, bijvoorbeeld landschappen van Rembrandt van Rijn. Waarschijnlijk met het oog op toeristen, die een Amsterdams souvenir mee naar huis wilden nemen. Maar het gros van de meubels in de achttiende eeuw was gewoon blauw, geschilderd in het populaire ‘pruisisch blauw’, één van de eerste synthetische pigmenten.

De Amsterdamse Gravenstraat met links het Wijnroeierscomptoir en de kooromgang van de Nieuwe Kerk. Rechts is achter de lantaarnpaal op nummer 22 het Witwerkerspand zichtbaar, met beschilderde tafels in de etalage. Detail uit tekening van Herman Schouten, 1788. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Hollands meubilair in Rusland

Witwerk werd verkocht in speciale winkels, zoals aan de Gravenstraat 22 in Amsterdam, naast de Nieuwe Kerk. Deze winkels werden bestierd door vrouwen, die hier niet alleen het werk van hun echtgenoot maar ook van andere gildeleden moesten verkopen. Dat ging natuurlijk wel eens mis, aangezien deze vrouwen vaak meer geneigd waren het witwerk van hun echtgenoot aan te prijzen. Ook tweedehands was er in de hoofdstad volop witwerk te vinden, bijvoorbeeld op de openluchtmarkt op de Nieuwmarkt en de Noordermarkt.

Verkoper van tweedehands witwerk op de Noordermarkt. Detail uit prent van Herman Schouten, ca. 1775. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Maar niet alleen Amsterdammers wilden graag beschilderd meubilair in huis hebben. Vanaf de achttiende eeuw werd Amsterdams witwerk op grote schaal door heel Nederland verspreid. Met beurtschepen vond het meubilair zijn weg naar nieuwe eigenaars. De tarieflijsten van deze schepen geven een duidelijke prijs en beschrijving bij de meubels. Ook in het buitenland was interesse in Hollands witwerk. Zo zijn sommige meubelstukken in Duitsland, Suriname en zelfs Rusland beland. Dit laatste door toedoen van tsaar Peter de Grote, die tijdens zijn bezoekjes aan Nederland beschilderd meubilair aankocht.

Beschilderde schrijf- of geldkist met afbeelding van de zoon van Peter de Grote: ‘Aelecksi Carecsewes’, ca. 1685-1700. Bruikleen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, collectie Rijksmuseum Amsterdam.

‘Assendelftse’ kasten en ‘Amelander’ theetafels

Alleen de mooiste witwerkersmeubels zijn bewaard gebleven. Soms worden er nog stukken op veilingen aangeboden, maar het meeste beschilderd meubilair bevindt zich in museale collecties. Dat is een direct gevolg van het verzamelbeleid van musea in de late negentiende en vroege twintigste eeuw. In een poging ambachtelijk handwerk te redden van een samenleving waarin massaproductie steeds gewoner werd, ontstonden musea die zich richtten op volkscultuur.

Bij het bepalen van de herkomst van het beschilderd meubilair ging men uit van een aantal kleine plaatsen, die men ‘traditioneel’ genoeg achtte voor het maken van dit soort handwerk: onder meer Assendelft, Marken, Ameland, Zaandam en Hindeloopen. Vaak zonder enige aanwijzing dat hier witwerkers actief waren. Een onbedoeld maar komisch gevolg daarvan was dat men in deze plaatsen op grote schaal oud beschilderd meubilair ging namaken, om dit karakteristieke beeld in stand te houden en aan de vraag naar nostalgische producten te voldoen. Tegenwoordig weten we gelukkig beter en krijgen de Amsterdamse witwerkers de erkenning die ze verdienen.

‘Assendelfter’ kast van beschilderd hout, ca. 1800-1850. Collectie Zuiderzeemuseum.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries

Dit artikel is gebaseerd op de digitale lezing ‘Net echt. Beschilderd meubilair in Nederland 1600-1900’ door Hans Piena voor het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap op 14 december 2020. Piena, conservator bij het Nederlands Openluchtmuseum, voltooide zijn dissertatie ‘Kleurrijk Nederland’ (2020) op het onderwerp beschilderd meubilair tussen 1600 en 1930. Over hetzelfde onderwerp schreef hij eerder het artikel ‘De mythe voorbij. Een nieuwe kijk op beschilderd meubilair’ (2010) in Land of Water, een uitgave van het Zuiderzeemuseum Enkhuizen.

Publicatiedatum: 05/03/2021