Schepelingen in quarantaine op Wieringen

Besmettelijke ziektes indammen. Dat was ook vroeger de aanpak. Reizigers moesten bij twijfel eerst in quarantaine. Op Wieringen werd daar een speciaal kamp voor ingericht.

Quarantaine, op Wieringen wisten ze er alles van. Zoals we in de huidige tijden van het coronavirus ondervinden, kan het nodig zijn besmettelijk zieken te isoleren. Een van de plekken die lange tijd hiervoor gediend heeft, is het uiterst westelijke puntje van Wieringen dat toen nog een eiland was. Nu ligt het in de kop van het vaste land van Noord-Holland.

De Quarantaineweg op Wieringen grenst aan de Waddenzee. Op oude kaarten staat duidelijk aangegeven dat niet ver van Balgzand ongeveer 10 ha van het eiland was afgebakend. Hier was in 1806 (de Franse tijd) een kampement opgetrokken om zieke en besmette schepelingen op te vangen. Op deze wijze wilden de autoriteiten voorkomen dat binnenkomende schepelingen allerlei besmettelijke ziekten het land in zouden brengen.

‘De pesthuizen’ werden de ziekenbarakken door de eilanders wel genoemd. De barakken kwamen goed van pas in tijden dat in Europa cholera heerste. Op het terrein stonden, behalve de gebouwen om zieken onder te brengen, woningen voor de geneesheer, de intendant en de pakhuismeester.

Quarantaine-inrichting, begin 19e eeuw. Collectie Historische Vereniging Wieringen.

‘Strenge visitatie’

In de jaren van de VOC, ver voor 1806 toen een hoekje van Wieringen als quarantaineplek werd ingericht, was dit eiland al de plek waar schepen heen moesten om een tijdje te blijven liggen, voordat ze door mochten zeilen naar Amsterdam of Enkhuizen. In de tussentijd konden de deskundigen controleren of er geen besmettelijke ziektegevallen aan boord waren.

Mocht er in Europa een besmettelijke ziekte heersen dan gold het quarantainereglement.  Dat betekende dat binnenkomende schepen die uit verdachte streken kwamen, eerst koers moesten zetten naar speciale quarantaineplaatsen, zoals bij Wieringen. Dat was bijvoorbeeld het geval in 1831. Schepelingen waren, zoals de kranten toen meldden, ‘aan eene strenge visitatie en een observatie quarantaine van 10 dagen onderworpen’. Daar viel niet mee te marchanderen, want een kapitein die uit Riga en Hamburg naar Amsterdam was komen varen, werd ‘onder bewaking van eenige kanonneerbooten naar Wieringen teruggezonden.’

Kaart van een gedeelte van het eiland Wieringen, 1838. Rechts op de tekening is de quarantaine inrichting aangegeven. Collectie Rijkswaterstaat, Noord-Hollands Archief.

Driemaster met landverhuizers

Een schrijnend tafereel moet zich in oktober 1853 hebben afgespeeld op de Amerikaanse driemaster Michaël Angelo. Dat schip was met zo’n driehonderd Duitse landverhuizers aan boord op weg naar Amerika. In Willemsoord bleek echter dat er cholera heerste onder de emigranten, waarop de minister van Marine terstond het bevel gaf door te varen naar Wieringen.

De minister stuurde ook officieren van gezondheid van de marine daarheen. En natuurlijk geneesmiddelen en andere noodzakelijke spullen. Voordat het schip naar Wieringen kon vertrekken, berichtten de dagbladen destijds, waren al zestien mensen overleden. Bij aankomst telde men nog eens zes doden.

Bewaarderswoning van de kruitopslagplaats. Collectie Historische Vereniging Wieringen.

Opeengehoopt op tussendek

Lees even mee in het verslag van de krant: ‘Bij onderzoek van het schip bleek, dat, hoezeer het tusschendeks betrekkelijk hoog mogt worden genoemd, daarin echter 297 personen van allerlei jaren en kunne waren opeengehoopt, van welke sommigen tot ligging en dekking niets bezaten dan eene vaste kooi tegen boord, in den eigenlijken zin des woords een bak in welke de gansche familie moest slapen, ja! bijkans woonde, op een weinig los daarin geworpen gedroogd zeewier.’

En op dat tussendek twee rijen kooien boven elkaar. Het was er zo vol gepakt dat er nauwelijks lucht was.

Kapitein noch stuurman leek zich iets van het lot van de passagiers aan te trekken. Met moeite had de kapitein zich laten overtuigen onverwijld naar Wieringen te vertrekken.

Daar konden de zieken worden opgevangen in het quarantainegebouw. Dankzij de zorgen van twee officieren van gezondheid wist men het totale aantal sterfgevallen van de Duitse landverhuizers te beperken tot dertig. Als de Nederlandse autoriteiten niet krachtdadig hadden ingegrepen, was vermoedelijk driekwart van de landverhuizers van de Michaël Angelo bezweken. Aldus het Algemeen Handelsblad van 21 oktober 1853.

De dag voor hun vertrek uit Wieringen kregen de schepelingen een brief van het Wurtembergse consulaat met de toezegging dat zij elk bij aankomst in New York een bedrag van 25 gulden zouden ontvangen als vergoeding voor de behandeling aan boord. Of ze dat geld in Amerika ook hebben gekregen, is niet bekend.

De overleden Duitsers zijn op Wieringen achter gebleven. Zij zijn begraven op het kerkhof van Westerland, een dorpje nabij de quarantaineplek.

Joop Seldenthuis, het kerkje van Westerland, 1979. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Moeilijk te bereiken

Als we ene kapitein John Edward mogen geloven, was het overigens niet zo eenvoudig om bij Wieringen in quarantaine te gaan. Hij sprak in een brief van 1830 aan de krant van een ‘nominale quarantaineplaats’, omdat het ‘somwijlen twee, drie en meer dagen’ kostte, afhankelijk van de wind, om die plaats te bereiken.

Bovendien moest er een loods komen, die op Texel woonde, en dus onmogelijk op de dag dat het schip bij Den Helder arriveerde aan boord kon komen. En dan moest je nog ‘met vele kosten en gansch niet zonder gevaar’, de reis richting Balgzand aanvaarden. Mocht je verder in het seizoen zitten, aldus John Edward, dan ben je ook nog aan het gevaar van ijsgang blootgesteld.

Bewaarderswoning van de kruitopslagplaats. Collectie Historische Vereniging Wieringen.

Bezoeker

Een bezoeker van Wieringen, die midden negentiende eeuw na drie uren varen van de haven van het Nieuwe Diep (bij Den Helder) op eiland was aangekomen, ontmoette daar een ‘kolonel ter zee’, die belast bleek te zijn met het bestuur van de quarantaine. De reiziger zag een ruime plaats met hekken er omheen. Er stonden enkele loodsen voor het opslaan van goederen, een hospitaal en de woning voor de opzichter.

De inrichting was sinds 1806 niet aangepast en er ontbrak veel aan vond de bezoeker. Maar, zo kreeg hij te horen, er bestonden plannen voor uitbreiding en verbetering om besmettelijk zieken op te kunnen vangen.

De Quarantaineweg op Wieringen, 1972. Collectie Historische Vereniging Wieringen.

Veertig dagen

Quarantaine, afgeleid van het latijnse quadraginta (40), zou slaan op de veertig dagen die men indertijd aanhield bij aankomst van een schip uit een streek waar besmettelijke ziekten heersten, zoals cholera of pest. Of indien een schip binnen kwam varen met zieken aan boord. De gebruikelijke observatietijd is inmiddels minder dan veertig dagen, maar de benaming is gebleven.

De barakken van de quarantaine op Wieringen zijn in 1876 afgebroken. De Marine benutte nadien het terrein op Wieringen voor het opslaan van kruit. En er verrezen werkplaatsen van de marine. Er kwam een wat men op het eiland een ‘bewaarder’ noemde, wonen. Een marineman dus. Rond 1920 is het terrein ontruimd. Een deel van het terrein werd bestemd voor de aanleg van een (nooit gerealiseerde) spoorverbinding. Op het vroegere quarantaineterrein kwam een camping.

Aan de jaren dat hier besmettelijk zieken werden opgevangen en verpleegd herinnert alleen nog het straatnaambordje Quarantaineweg. Een lange, stille, dijkweg langs de uitgestrekte Waddenzee.

Eenzaam aan de Quarantaineweg staat een Rijkspeilschaalgebouw uit 1919.

Kijk voor meer informatie en beeldmateriaal over Wieringen op de website van de Historische Vereniging Wieringen.

Tekst: Jan Maarten Pekelharing

Publicatiedatum: 26/03/2020