West-Friesland: bewoning in de prehistorie

Onderzoekers van de universiteiten in Leiden en Groningen zijn in 2009 een groot onderzoek begonnen naar opgravingen in West-Friesland en ‘De Gouw’, die unieke kennis opleveren over de prehistorische mens. De regio werd al vele duizenden jaren geleden bewoond. Er zijn vele menselijke sporen teruggevonden, waaronder het skelet van 'Mies'.

Archeologisch onderzoek in West-Friesland

Er was weinig bekend over het leven van de prehistorische mens, maar opgravingen in West-Friesland brachten daar verandering in. Eind vorige eeuw zijn er bij Kolhorn, Mienakker en Keinsmerbrug unieke resten gevonden van de Enkelgrafcultuur: aardewerk, botten en zaden en zelfs een houten waterput. De Enkelgrafcultuur kwam voor tussen circa 3000 en 2600 v.Chr., tijdens het neolithicum of de jonge steentijd. Deze cultuur wordt aangetroffen in Noord-Nederland en Noordwest-Duitsland.

Onderzoek naar opgravingen

In 2009 zijn onderzoekers van de universiteiten in Leiden en Groningen een groot onderzoek begonnen naar West-Friese opgravingen. Aan de hand van de eerder gedane vondsten probeerden zij meer te weten te komen over de Enkelgrafcultuur. Hoe kwamen de mensen aan hun eten? Bewoonden ze de nederzettingen permanent of af en toe? Met dit ‘Odyssee-project’ lieten wetenschappers de inwoners van West-Friesland zien hoe belangrijk archeologisch onderzoek in de regio is.

Mies, het ‘Woiffie van Soibekarspel’. Beeld: Cultureel Erfgoed Noord-Holland.

Oudste teruggevonden mens in West-Friesland

Mies is de oudste vrouw die is teruggevonden in West-Friesland. Het skelet van dit ‘Woiffie van Soibekarspel’ werd in 1989 bij toeval gevonden in Sijbekarspel. Mies heeft zo’n 4500 jaar onder de grond gelegen, onder een dik pakket van klei en zand dat in een later tijdperk door het water was afgezet. Ze behoort tot de Enkelgrafcultuur en is begraven in hurkhouding. Een gat in haar schedel wijst mogelijk op een (rituele) moord. Haar dood was dus waarschijnlijk droevig en ook haar leven zal niet al te vrolijk zijn geweest. Mies was een mensje van slechts 1,53 meter. Uit haar skelet blijkt dat ze in haar jeugd gebrek had aan belangrijke voedingsstoffen. Ze leidde daardoor een ziekelijk, moeilijk bestaan. Mies is overigens niet de enige teruggevonden steentijdmens uit de regio. In Hoogwoud is ook een man gevonden, bekend als ‘Cees de Steentijdman’.

Neolithische kano gevonden in Wieringermeer. Bron: Cultureel Erfgoed Noord-Holland.

Prehistorische bewoningssporen in West-Friesland

De prehistorische mens liet zijn sporen na in heel West-Friesland. De allereerste bewijzen van menselijke bewoning zijn gevonden in Zandwerven. De vuurstenen bijlen, resten van wild, vis en watervogels die daar zijn aangetroffen, zijn zo’n vijfduizend jaar oud. Rond Zandwerven vormde het water een grote zandrug die heel geschikt was voor bewoning. Op de oeverranden was zelfs akkerbouw mogelijk. Waar de grond drassig was, kon vee grazen.

Gebied na duizend jaar weer verlaten

De steentijdmensen – zo genoemd omdat ze gereedschap en wapens van steen maakten – probeerden zo goed en zo kwaad als dat ging een bestaan op te bouwen. Ze hadden akkertjes op de drooggevallen stukken land, hoedden wat vee en bakten aardewerk. De mannen gingen op jacht, vingen vogels en vis. Maar rond 2200 v.Chr. steeg de zeespiegel zo hard dat het land weer geregeld onder water stond. Oogsten werden onzeker. Na zo’n duizend jaar in West-Friesland gewoond te hebben, konden de steentijdmensen weinig anders dan wegtrekken. Het gebied lag er weer verlaten bij.

Bewoning in de bronstijd

West-Friesland stond een millennium lang grotendeels onder water. Rond 1200 v.Chr. verbeterde de situatie: er kwamen lange zandruggen droog te liggen. Van Abbekerk via Twisk en Opperdoes naar Medemblik, van Hoogwoud naar Opmeer, Wognum, Oosterblokker, Wijdenes naar Hem, van Grootebroek en Bovenkarspel naar Andijk. Bronstijdmensen bouwden daar hun boerderijen. Er is redelijk veel van deze mensen bekend, omdat er bij opgravingen veel overblijfselen aan het licht kwamen. De boerderijen waren 15 tot 30 meter lang en 5 tot 6 meter breed. De ene helft was woonruimte, de andere helft was veestal. Sloten moesten de grond droog houden en voorkomen dat het vee zich aan gewassen op de akkers tegoed zou doen. De boeren waren zelfvoorzienend, maar er was er ook sprake van ruilhandel met andere streken.

Gebied opnieuw lange tijd onbewoonbaar

Bewoners zouden het zo’n vijf eeuwen uithouden. Rond 700 v.Chr. werd het grootste deel van West-Friesland weer te drassig. Alleen hoger gelegen gebieden, zoals bij Opperdoes, bleven droog. De meeste mensen trokken naar de hoger gelegen kustgronden rond Schagen. De rest van West-Friesland zou pas rond 600 n.Chr. weer bewoonbaar raken.

Publicatiedatum: 26/11/2010

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.