Merklappen uit het Burgerweeshuis Amsterdam

Een merklap is een linnen oefenlap waarop het alfabet, cijfers en motieven zijn geborduurd. De merklap van Johanna Sikking (1799) behoort tot de oudste, bewaard gebleven gedateerde merklappen van het Burgerweeshuis in Amsterdam.

Wat is een merklap?

Een merklap is een rechthoekige of vierkante oefenlap, vaak van linnen, waarop het alfabet, cijfers en motieven zijn geborduurd. Het alfabet en de cijfers dienden om later het linnengoed te merken, dat wil zeggen het linnengoed op een duidelijk zichtbare plaats voorzien van initialen en eventueel een cijfer erbij dat het aantal stuks aangaf dat men in bezit had.

Het merken van linnengoed was noodzakelijk omdat de was naar de bleek ging. Men moest zijn eigen textiel terugvinden op het bleekveld en de initialen waren ook een goed hulpmiddel om gestolen goed terug te krijgen. In geval van verdronken of vermiste personen dienden de geborduurde initialen als leidraad.

De geborduurde motieven op de merklap konden als voorbeeld worden gebruikt om textiel te verfraaien. Een oefenlap waarop geen alfabet en cijfers zijn geborduurd is een borduurlap. In de loop der jaren werden deze borduurlappen ook merklappen genoemd. In het Burgerweeshuis van Amsterdam hechtte men veel waarde aan de merklappen.

Wasserij en bleekvelden, ca. 1600. Koken en spoelen van wasgoed, op de achtergrond wordt de was op de bleekvelden te drogen en bleken gelegd. No. 7 uit serie beroepen in Noord-Holland. Collectie Rijksmuseum, objectnummer: RP-P-OB-2403

Het Burgerweeshuis in Amsterdam

Het Burgerweeshuis van Amsterdam behoort tot de oudste weeshuizen van Nederland. Als oprichtingsjaar houdt men 1520 aan. Uiteindelijk groeide het kleine particuliere weeshuis uit tot een groot stadsweeshuis met een ingang aan de Kalverstraat voor de jongens en voor de meisjes aan de Sint Luciënsteeg.

Het Burgerweeshuis stelde voorwaarden bij het opnemen van kinderen. De regels werden soms licht aangepast, maar omvatten altijd bepalingen over poorterschap, leeftijd en religie. Bijvoorbeeld voor een groot deel van de achttiende eeuw golden de regels dat ‘in te nemen jongens tot 14 jaren en meisjes tot 12 jaren, welke ouders of langslevende van dien, 4 jaren poorter waren geweest en ledematen van de gereformeerde religie’. Poorter is een historische benaming voor een burger die het recht had verworven binnen de poorten van een plaats met stadsrechten te wonen. Men kreeg dit poorterrecht door zich te laten registreren bij een magistraat van de stad en moest daarvoor betalen.

De heel jonge kinderen, onder de drie jaar, werden onder verantwoordelijkheid van het Burgerweeshuis bij minnen geplaatst. Omdat vondelingen meestal anoniem werden achtergelaten kon men bij hen geen religie vaststellen en om die reden gingen deze kinderen meestal naar het Aalmoezeniersweeshuis.

Aan het einde van de achttiende eeuw verslechterden de economische omstandigheden snel waardoor de armoede en daarmee ook het aantal weeskinderen toenam. In 1799 leefden in Amsterdam 80.000 van de 215.000 inwoners van de bedeling en in 1809 waren dat er 110.000.

In 1795 werd Johanna Sikking opgenomen in het Burgerweeshuis. Deze prent is in 1797 naar het leven getekend. Het zou zo maar kunnen dat Johanna tussen de meisjes staat afgebeeld. Tekening van J. Ziesenis uit 1797 van: ‘HET BURGER WEESHUIS | in AMSTELDAM. | te zien van de MEISJES plaats. | na het Leven Getekend voor den HEER PHILIP JACOB VAN DEN VELDEN | REGENT van ’t zelve HUIS.’ Collectie Atlas Dreesmann, Stadsarchief Amsterdam, Afbeeldingsbestand: 010094001374.

Johanna Sikking

Johanna was bijna elf jaar toen zij werd opgenomen in het Burgerweeshuis en naar alle waarschijnlijkheid kwam zij terecht in het Groote-Meisjes-Huis, waar zij geplaatst werd in de breiwinkel. Het Groote-Meisjes-Huis bestond uit drie ateliers, die ‘winkels’ werden genoemd. Het zijn de stijfwinkel (later de strijk- en waschwinkel genoemd), de wollenwinkel en de brei- en linnenwinkel die elk onder toezicht stonden van vrouwelijke suppoosten (personeel). Zodra Johanna haar merklap naar behoren had gemaakt, mocht zij overgaan naar de linnenwinkel om daar de opleiding te volgen.

‘Schoolkinderen’ (tot circa 14 jaar) werden na voltooide studie en wanneer zij in de loop van dat jaar, gerekend van mei tot mei, de leeftijd van veertien jaar bereikt hadden ‘jongste linnennaaisters’. Uitzonderingen konden voorkomen bij kinderen die met hun dertiende jaar volleerd waren en dan al linnennaaister konden worden. De jongste linnennaaisters mochten de ‘plooidoek’ (halsdoek) dragen wanneer zij in mei 15 jaar oud waren en de merk- en stoplap af hadden. (Een stoplap is een rechthoekige of vierkante lap stof waarop de meisjes een mooie stop leerden te maken.)

De merklap van Johanna Sikking anno 1799 behoort tot de oudste, bewaard gebleven gedateerde merklappen van het Burgerweeshuis in Amsterdam die tot nu bekend zijn. De oudst bekende merklap stamt uit 1786-1787 en is van het burgerweesmeisje Maria Meerpoel. Zowel de merk- als stoplap van Johanna zijn van een hoge kwaliteit. We hebben hier dan ook te maken met een uitstekende handwerkster. Zij had terecht haar ‘plooidoek’ verdiend.

De merklap van Johanna Sikking anno 1799. Foto gemaakt door John Drop. Afgebeeld in ‘Merk- en Stoplappen uit het Burgerweeshuis Amsterdam’, p. 70.

Merklap anno 1799

De merklap van Johanna Sikking heeft een afmeting van 22,5 x 28,5 cm, een linnen ondergrond met 22 tot 24 draden per cm in de breedte, 18 draden per cm in de lengte en de borduurgarens zijn van zijde. De gebruikte borduursteken zijn de kruissteek, de kastjessteek en de stersteek. Al deze steken lenen zich uitstekend voor het merken van linnengoed dat aan beide zijden gezien moest worden. De kruissteek kan zo worden geborduurd dat hij aan twee kanten gelijk is. De kastjessteek is aan de voorkant een vierkantje, aan de achterkant een kruisje. De stersteek is aan beide kanten hetzelfde.

Voor de beschrijving van de merklap volgen we de horizontale rijen van links naar rechts, te beginnen met de eerste rij waar het Gotische alfabet met vierentwintig letters is geborduurd. Door het oefenen van dit alfabet konden de meisjes de bijbel lezen. De letters I en J worden door de letter I aangegeven, de letters U en V door de letter V en de Y door de letter I. Na het Gotische alfabet volgen de cijfers 1 tot en met 10. Daarna vijfmaal het cijfer 5 en vijfmaal een pijltje.

In de loop der jaren gaat de merklap enigszins mee met de mode van de tijd. De bovenste helft van de merklap wordt dan nog steeds in beslag genomen door de herhaling van het alfabet, maar het Gotische alfabet verdwijnt en maakt op sommige merklappen plaats voor een cursief alfabet. Vanaf circa 1860 wordt de onderste helft van de merklap in beslag genomen door onder andere geromantiseerde motieven.

Het alfabet in Romeinse kapitalen werd door Johanna in totaal zes keer geoefend in kruissteek. Daarbij werd zorgvuldig opgelet dat de letters recht onder elkaar kwamen te staan.

In tegenstelling tot de rijen één tot en met acht, zijn de rijen negen en tien met de namen van de overleden ouders en die van het meisje, haar leeftijd en het jaar, altijd in kastjessteek uitgevoerd.

Op rij elf staan letters in een groot formaat Romeinse kapitalen geborduurd in de stersteek met de initialen van de vrouwelijke suppoosten. De belangrijkste suppoosten staan als eerste genoemd, in dit geval staat AT voor Antje Troost, de Opper-Linnen-Naaimatres, en WP voor de Onder-Linnen-Naaimatres Willemina Pass.

Vervolgens borduurde Johanna hieronder een mand met opgestapelde vruchten (een teken van overvloed en rijkdom), een achtpuntige ster (het zinnebeeld van Bethlehem), HMVL (haar moeder Heijltje Meijnders van Lee), een achtpuntige ster en dezelfde vruchtenmand.

Als afsluiting van haar merklap borduurde Johanna op een perfecte manier verdeeld vijf orenmanden op een rij met tot bomen gestileerde rozen, tulpen, anjers, tulpen en rozen. Tussen de manden het jaar waarin de merklap af was: AN NO 1799.

Detail van de merklap van Johanna Sikking anno 1799. Orenmanden met tot boom gestileerde tulpen, anjers en weer tulpen. Foto gemaakt door John Drop. Afgebeeld in ‘Merk- en Stoplappen uit het Burgerweeshuis Amsterdam’, p. 77.

Na het weeshuis

De weeskinderen verlieten gewoonlijk op hun twintigste het weeshuis.

Johanna Sikking trouwde op 43-jarige leeftijd met Dirk Minkhorst. Dit huwelijk bleef kinderloos. Het jongste kind van Elisabeth Sikking, de zus van Johanna, was Catharina Gerarda Eijgensteijn en zij werd net als Johanna opgenomen in het Burgerweeshuis.

Catharina Gerarda Eijgensteijn maakte een merk-, een oefenstop- en een stoplap. De familiebanden waren sterk waardoor Catharina Gerarda Eijgensteijn de merk- en stoplap van Johanna kreeg omdat die geen kinderen had aan wie ze haar handwerk kon nalaten. De bijzondere merk- en stoplappen zijn altijd in de familie gebleven, totdat ze in 1997 terecht kwamen bij de auteur.

Drie meisjes uit het Amsterdamse Burgerweeshuis, Thérèse Schwartze, 1885. Collectie Rijksmuseum, objectnummer: SK-A-1190.

Auteur: Berthi Smith-Sanders.

Zie voor meer informatie: Berthi’s blog en Instagram.

Geredigeerd door: Judith van Amelsvoort, redactie Oneindig Noord-Holland.

Bron: Merk- en Stoplappen uit het Burgerweeshuis Amsterdam, Ik heb een letter niet goed op de stofdraad geborduurd, Berthi Smith-Sanders, p. 12, 25, 37, 38, 39, 65, 71 t/m 76, 131, 1.

ISBN: 978-90-807994-0-0

Publicatiedatum: 18/01/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.