‘Bioscoop, dat is vermaak voor kwartjesmensen’

In meer dan een eeuw tijd hebben de Amsterdamse bioscopen, die net als de horeca tijdelijk de deuren moesten sluiten, zich ontwikkeld tot een volwaardige vorm van vermaak, waar ook ‘intellectuelen’ zich niet voor hoeven te schamen.

Het is 24 maart 1933 en op het Amsterdamse Centraal Station is het een komen en gaan van internationale filmsterren. Vandaag arriveert de jonge Duitse actrice Hertha Thiele, die de hoofdrol speelt in de film ‘Meisjes in uniform.’ Op het perron staan in uniform gestoken jongens van het Carltonhotel met rode tulpen klaar om de actrice te verwelkomen, terwijl de directeuren van de Amsterdamse bioscopen Cinema Royal en Corso haar met witte seringen opwachten.

Als de trein tot stilstand komt, dringt een jong, zenuwachtig meisje zich door het geopende raam om Hertha om een handtekening te vragen. Lachend schrijft de blondine haar naam op een briefkaart. Terwijl fotografen haar op de kiek zetten, houdt bereden politie de mensenmenigte op een afstand. Onder hoerageroep stapt de actrice in een gesloten auto, met de hoteljongens op de treeplank, die haar vervolgens naar het Carltonhotel rijdt.

Poster van de film ‘Mädchen in Uniform’ uit 1931. © Carl Froelich Produktion.

Volksvermaak

In de jaren dertig is de bioscoop uitgegroeid tot volksvermaak van de bovenste plank. Amsterdam telt in 1935 maar liefst 32 bioscopen. Dat vindt zelfs de Nederlandse Bioscoopbond wat te gortig, want dat jaar heeft de bond maar liefst 23 aanvragen ontvangen om in de hoofdstad een bioscoop te mogen openen. Alleen al op de Nieuwendijk zouden er vier moeten komen. De bond besluit om maar even pas op de plaats te maken.

Nóg meer bioscopen er bij zou toch al niet verstandig zijn, want in die tijd zijn de Nederlandse bioscopen gemiddeld voor maar 20% gevuld. In Amsterdam hebben ze nog het minst te klagen, want daar gaat één vijfde van de bevolking elke week naar de film. Alleen al in de hoofdstad worden in 1937 9.242.485 bioscoopkaartjes verkocht, terwijl het aantal bioscoopbezoekers in Den Haag en Rotterdam rond de 5 ½ miljoen schommelt.

Reclame voor de film Metropolis van Fritz Lang op het Rembrandt Bioscoop Theater aan het Rembrandtplein, 1927. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Kwartjesmensen

Maar als de bioscoop aan het begin van twintigste eeuw op komt, is er nog een wereld te winnen. Het zou vooral pulp en sensatie zijn wat het volk krijgt voorgeschoteld. Een beetje intellectueel laaft zich nog niet aan het witte doek, die gaat liever naar het toneel. In 1919 stelde het Amsterdamse stadsbestuur een commissie in die jeugdigen moet beschermen tegen het ‘bioscoopkwaad.’

In 1911, als Amsterdam al twaalf bioscopen telt, vraagt een briefschrijver zich in De Telegraaf af of al dat kinogeweld het schouwburgbezoek niet te veel schaadt. Volgens serieuze kunstliefhebbers zou de film slechts vermaak zijn voor ‘kwartjes-menschen’ uit de Jordaan die hun maag ‘met bruine bonen vullen.’

Volgens de briefschrijver is  de bioscoop anno 1911 de fase van toverlantaarn vol geflikker, met wat straatgeloop en een binnenstormende trein, echter al lang ontgroeid. In de bioscopen wordt inmiddels drama vertoond dat lachpret en vochtige ogen teweeg brengt. Goed, toneelacteurs kunnen ook voor verhitte gezichten zorgen, maar film heeft toch een paar voordelen boven toneel, zo legt hij uit. Neem alleen al de decors, die in een film razendsnel kunnen wisselen, van woud naar zee en van zolderkamer naar feestzaal, terwijl je bij toneelbomen altijd de verf van het doek blijft ruiken. Kortom, zo besluit hij zijn betoog, er is geen enkele reden om je neus op te halen voor het kinotheater.

Twee handkarren met reclameborden voor de film ‘Een Moderne Samson’ in het Bioscope-Theater in de Reguliersbreestraat staan opgesteld op de Nes, ca. 1920. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

16 cent

Blijkbaar is de emancipatie van de bioscoopfilm nog niet helemaal voltooid, want als de Nederlandsche Bioscoopbond in 1933 in Hotel de l ‘Europe het vijftienjarig bestaan viert, wordt nog even gememoreerd dat de bioscoop vroeger door het intellect werd gemeden, maar dat anno 1933 vooraanstaande Nederlanders niet schromen de bioscoop te bezoeken.

Dat neemt echter niet weg dat de bioscoop dan al decennialang hét volksvermaak bij uitstek is. Dat blijkt onder andere uit een reportage die een verslaggever van het Algemeen Handelsblad in 1913 maakt. Hij bezoekt verschillende bioscopen in Amsterdamse volkswijken. De man is al snel betoverd door de honderden lampjes, die zachtjes aangloeien en het snorren van de filmcabine. Bioscoopkaartjes kosten 16, 21 of 27 cent en daarvoor krijg je een heuse ‘sensatiefilm’ te zien.

De verslaggever beschrijft hoe een pianospelende ‘juffer’ of ‘heer’ de filmbeelden muzikaal ondersteunt. Soms komt de muziek uit een grammofoon, een enkele keer begeleidt een strijkje de beelden op het witte doek. De pianospelers hebben een spiegel boven hun instrument hangen, zodat ze de drama’s of komische geschiedenissen op het witte doek kunnen volgen. ‘Pang doet het instrument als de moordenaar door een goedgemikt revolverschot zijn eerste slachtoffer maakt’ en als er een trein met hoge snelheid aan komt denderen speelt de pianospeler er dreigende muziek bij.

Bioscoop Cinema Royal aan de Nieuwendijk, 1937. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Hoge kapsels

Het vrouwelijke bioscooppubliek omschrijft hij als échte Jordaan-types met hoge kapsels, waarin druk versierde haarkammen flonkeren. Ze hebben allemaal een geruite omslagdoek over hun ‘bonten boezelaar’ geslagen, ze gieren wat af en stoten hun buurvrouw aan. Maar ze luisteren ook aandachtig naar de explicateur, die uitlegt wat er op het doek gebeurt, ook al kun je dat zelf ook wel zien: hier wordt een hersenpan  verbrijzeld, daar wordt het doodvonnis van de echtgenoot getekend.

Sommige moeders hebben een in wollen doeken gewikkelde zuigeling op hun schoot. Een enkele keer weerklinkt kindergeschrei, maar meestal houden de zuigelingen zich kalm, ‘onbewust van al het vreeselijke dat op het doek vertoond wordt.’

Ja, baby’s in de bioscoop, dat is wel een dingetje. In 1924 beklaagt een verpleegzuster zich er in de krant over dat om kwart voor elf ’s avonds vrouwen de bioscoop verlaten met een baby op hun arm. Ze vraagt zich af wat voor lucht die kindjes wel niet moeten inademen. ‘Zeker geen zuurstof, doch bedorven lucht, die tevens bezwangerd is met slecht riekende sigarenrook.’

Verkoop van versnaperingen in een onbekende bioscoop, 1949. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Explicateurs

Tot aan pakweg 1924, als de eerste geluidsfilms opkomen, zijn films nog stom. De eerste voorstellingen bestaan uit korte filmpjes en journaals met Franse tekst. En soms zit er helemaal geen tekst bij. Zo komt men op het idee de handelingen op het witte doek toe te laten lichten door explicateurs. Vaak zijn dat acteurs die niet rustten alvorens de hele zaal ‘in een grote huilbui lag,’ zo vertelt J. ter Linden aan De Telegraaf, als hij in 1936 zijn 25-jarig jubileum in het bioscoopbedrijf viert.

In de afgelopen eeuw is op verschillende manieren reclame gemaakt voor bioscoopfilms. In 1925, als Amsterdam 25 bioscopen telt, vinden er optochten door de stad plaats om films te promoten, optochten met musketiers, schone slaapsters en imitaties van Charley Chaplin. Gepensioneerde brandwachten rijden op een echte stoomspuit rond om reclame te maken voor de film ‘Het derde alarm.’ Er wordt zelfs een verhuiswagen ingezet die als bioscoop is ingericht, waarin fragmenten worden vertoond van de grote Amerikaanse film ‘De zeehavik.’ Om de feestvreugde te verhogen, laat de directeur van het Rialto-theater er ook grammofoonmuziek bij afspelen.

Rialto met reclame voor de film ‘Het Derde Alarm’, 1929. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Houd den dief

Het jaar daarop maakt een bioscoop op de Nieuwendijk reclame voor een film waarin een bankbiljet de hoofdrol speelt. De bioscoop huurt wat ‘mannetjes’ in die op het Rembrandtplein een overval in scène zetten. Bij die overval worden reclamebiljetten, die verdacht veel op bankbiletten lijken, in de lucht gegooid en wordt luidkeels  ‘Houd den dief’ geroepen, waarop het aanwezige publiek massaal in actie komt om de ‘dader’ in de kraag te vatten.

Het duurt even voordat de politie in de gaten krijgt dat het hier om een reclamestunt gaat. De politiecommissaris kan er niet om lachen en verbiedt de film op grond van ‘verstoring van de openbare orde.’

Maar er is meer reclame die de politie onwelgevallig is. De politiecommissaris van Alkmaar stoort zich in datzelfde jaar aan acht uitstekende damesbenen, die bioscoop Cinema American op de gevel heeft geplakt om de aandacht te vestigen op de film ‘De meisjes van Weenen’. De bioscoopdirectie kiest eieren voor zijn geld en verplaatst de frivole damesbenen naar de hal van de bioscoop.

De kassa met portier en cassière van theater en bioscoop Tuschinski, 1937. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Holland-België

De Amsterdamse bioscopen mogen zich af en toe graag lenen voor een bijzonder evenement. In april 1933 vertoont Theater Tuschinski, waarover later meer, in het Polygoonjournaal opnamen van de voetbalwedstrijd Holland-België, die de avond tevoren zijn opgenomen.  ‘De duidelijke wijze waarop men de doelpunten ziet ontstaan zal zelfs voor menigeen die den strijd bijwoonde een openbaring zijn,’ schrijft De Telegraaf.

Een jaar later toont hetzelfde Polygoonjournaal beelden van de wedstrijd Holland-Ierland. Het geweldige enthousiasme van de tienduizenden toeschouwers werkt blijkbaar zó aanstekelijk op het bioscooppubliek in Corso en Cinema Royal dat het ‘kranige’ Oranje-team bij zijn intrede op het veld een daverende ovatie van de zaal krijgt.

In het Rembrandt Theater draait de film Ave Maria met in de hoofdrol Benjamino Gigli, 1936. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Versche muziek

Het vlakbij het Leidseplein gelegen City Theater bewijst in januari 1938 dat dit fraaie bioscooppaleis met zijn breed amfitheater heel goed als concertzaal kan dienen. In die maand luistert het voltallige Concertgebouworkest de feestelijke première van ‘Die Fledermaus’ op. Het optreden, waarvan de opbrengst naar een fonds gaat dat het orkest ondersteunt, wordt als veel te kort ervaren en als ‘Die Fledermaus’ begint te draaien, valt het verschil tussen ‘de versche muziek en de muziek-in-blik’ wel heel erg op. Maar weldra komt het bioscooppubliek onder de bekoring ‘van deze meesterlijke film’. Aan het slot klinkt dan ook een dankbaar applaus.

Het City Theater is 28 oktober 1934 geopend en is met 1830 stoelen het grootste filmtheater van het land. De bioscoop beschikt ook over een fraai theaterorgel, dat door Cor Steyn en Piet van Egmond wordt bespeeld. Uiteindelijk zal het filmtheater in zeven zalen worden opgedeeld, maar dan zijn we al in 2010 aangeland.

Het pas voltooide City Theater, ca. 1935-1936. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Tuschinski

Maar de grootste aanwinst, althans wat de hoofdstad betreft, is toch wel de opening op 28 oktober 1921 als in de Reguliersbreestraat het Tuschinski Theater opent van de Rotterdamse bioscoopondernemer Abraham Tuschinski. 2500 genodigden zijn er bij. Als de grote lichten in de zaal doven, verspreiden honderden veelkleurige glimlichten een sprookjesachtige schijn, zo noteert een verslaggever.

Op de openingsavond wordt een in kleur opgenomen natuurfilm vertoond en wordt het Amerikaanse theaterorgel door organist Stevenson uit New York bespeeld. Het orkest staat onder leiding van Max Tak. Abraham Tuschinski wordt, vanwege zijn geringe lengte, maar ook vanwege zijn doorzettingsvermogen, omschreven als ‘een kleine Napoleon’. De aanwezige theaterdirecteuren kunnen niet anders dan toegeven dat dit filmtheater de mooiste schouwburg van Europa is, ‘zoo niet van de heele wereld,’ zo meldt Het Vaderland.

Theater Tuschinski bij avond, 2006. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Een schitterenden avondhemel

De krant prijst ook het feit dat in de grote zaal het zicht door geen enkele pilaar wordt verpest.  ‘Niets, maar dan ook niets, belet het uitzicht van den bezoeker.’ Maar de verslaggever is nog het meest enthousiast over de koepelverlichting, die bij hem achtereenvolgens associaties oproep met ‘een schitterenden avondhemel’,  een ‘vuurgloed’ en het ‘lichtgroen van een zomerzee.’

Het dikke, kostbare tapijt in de kolossale hal kan hem uiteraard ook bekoren, zoals hij ook verbaast is over de rust die het Boeddha-beeld uitstraalt, dat in een zijkapelletje van de Japanse garderobe staat opgesteld, ‘als om ons, zenuwmenschen, er op te wijzen, dat de rust van den evenwichtige ook in het huis van vermaak niet mag worden vergeten.’ Zenuwmenschen? En dat in 1921! Blijkbaar werd dat toen ook al als een jachtige tijd ervaren.

In maart 1938 wordt overigens aan het Damrak nog een tweede Cineac-bioscoop geopend. De eerste Cineac, waar doorlopend journaals worden vertoond, is vier jaar daarvoor tegenover Tuschinski verrezen. De tweede Cineac verrijst op de plek waar eerder de Capitol- en later De Witte Bioscoop zijn gevestigd. Die laatste bioscoop beschikte over twee explicateurs, één voor de komische en één voor de dramatische rolprenten. In de nieuwe Cineac zijn beide explicateurs door luidsprekers vervangen.

Het Rembrandtplein bij avond, op de achtergrond de lichtreclame van Cineac, ca. 1938. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Witte Bioscoop

Een jaar eerder, als De Witte Bioscoop wordt gesloopt, haalt een Amsterdammer in De Telegraaf herinneringen op aan de tijd dat hij er als schooljongetje voor zes cent een hele woensdagmiddag doorbracht. Hoe hij films met meester-detective Joe Deebs meerdere keren achter elkaar ziet en elke keer dat de controleur de kaartjes komt controleren met zijn vriendjes wegduikt, zodat hij een middag lang, van twee tot half zes, onder de pannen is.

En hoewel de oorlog in Nederland pas in mei 1940 uitbreekt, heeft nazi-Duitsland dan al verschillende landen ingepikt. De oorlogsdreiging leidt ook in Nederland tot somberte; mensen gaan minder uit. Dat is Telegraafcolumnist Pasquino ook al opgevallen. In zijn in september 1939 verschenen column probeert hij er de stemming  in te houden. ‘Beste mensen, wij leven nog.’ Je kunt je wel druk maken, schrijft hij, maar je kunt ook onder de tram komen. En dat gevaar is volgens hem  groter dan ‘de groote volkenruzie’ van heden. Hij spreekt zijn lezers vermanend toe. ‘Wat zijn wij voor vervelende suffers dat we maar zitten te kniezen over de oorlogsbulletins, die elkander tegenspreken en waar je verder óók niet uit wijs worden kunt!’ Pluk de dag, is zijn devies. En ga eens naar theater of bioscoop, anders worden de theaterdirecteuren ‘nu eerst recht somber, betalen ze hun artiesten niet of sluiten ze de boel.’

Tekst: Arnoud van Soest

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van het digitale archief van de Koninklijke Bibliotheek, www.delpher.nl. De informatie over Cineac en het City Theater komt van Wikipedia.

Publicatiedatum: 11/01/2021