Vrije vrouwen

Reizigers in de zeventiende eeuw stonden versteld van de vrijmoedigheid en zelfstandigheid van de Amsterdamse vrouwen. In herbergen zaten ze tussen de mannen te kletsen, te lachen en grappen te maken. Tegelijkertijd hadden ze grote zakelijke verantwoordelijkheden.

Vergeleken met hun sexegenoten in andere landen gedroegen Amsterdamse vrouwen zich buitengewoon onafhankelijk. Naast hun huishoudelijke taken deden ze de boekhouding en kochten en verkochten ze op de markt. Ze werkten als gelijken naast hun echtgenoot. Zo regelde Anna van Gelder (1613?-1685), de vrouw van admiraal Michiel de Ruyter, tijdens zijn veelvuldige afwezigheid alle financiële en notariële zaken.

Zakenvrouwen

Anna was verantwoordelijk voor de bevoorrading van zijn schip. Ze moest zorgen voor voldoende proviand voor een bemanning van zo’n vijfhonderd zeelieden. Blijkbaar wist ze een succesvol inkoopbeleid te voeren: De Ruyter had de naam ‘royaal te schaften’. Anna stuurde haar man verder het geld dat nodig was om slaven vrij te kopen. En als De Ruyter terugkwam van een reis, zorgde zij dat een eventuele lading verkocht werd. Ook regelde ze dat het maandgeld van de zeelieden op tijd aan hun vrouwen werd uitgekeerd.

Anna was bepaald geen uitzondering in het Amsterdam van de Gouden Eeuw. Buitenlandse reizigers bleven zich maar verbazen over het grote aantal vrouwen dat met veel deskundigheid op markten en in winkels inkocht en verkocht. Maar naast bewondering was er ook afkeuring. August Friedrich Bon (1671) meende dat vrouwen dan wel “bijzonder bekwaam zijn in rekenen en handeldrijven, maar dat betekent wel dat ze zo heerszuchtig, eigenzinnig en ongehoorzaam zijn, dat hun aanblik voor rechtschapen mensen bijna ondraaglijk is”.

De regentessen van het Burgerweeshuis. Collectie Amsterdam Museum.

Mannelijke superioriteit

Hoewel vrouwen soms ogenschijnlijk de broek aanhadden, viel het in werkelijkheid wel mee (of tegen) met die vrouwelijke zelfstandigheid. De man werd als superieur beschouwd, lichamelijk en geestelijk. Vrouwen waren gehoorzaamheid verschuldigd aan hun vader, echtgenoot of voogd. Daar legde men zich niet altijd per se van harte bij neer, zoals het volgende zeventiende-eeuwse mopje laat zien.

Toen men in een gezelschap eens in discussie raakte over de superioriteit van het mannelijk geslacht, waren alle vrouwen daartegen. Eindelijk zei een man: “De Heilige Schrift zegt evenwel duidelijk dat een vrouw haar man onderdanig moet zijn.”
“Waar staat dat?”
“Daar en daar.”
“Wel, wie heeft die brief dan geschreven?”
“De Heilige Paulus.”
“Als ik diens vrouw was geweest, zou hij die brief niet hebben geschreven.”

Publicatiedatum: 19/07/2011