Verzetsman Rinus Dubelaar en de Naardense wapenroof

Al vroeg in de oorlog ontstaat in Naarden één van de eerste verzetsgroepen van Nederland. Onder leiding van Marinus Dubelaar stelen zij in de zomer van 1940 explosieven, wapens en munitie onder de neus van de Duitse bezetter uit een wapendepot in de vesting. Maar als er verraad in het spel komt, zijn de consequenties groot.

Book 9 min

Op 31 augustus 1939, een dag voor de Duitse inval in Polen, besluit de Nederlandse regering om het leger te mobiliseren. Hoewel Nederland hoopt net als tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal te blijven, worden de Grebbelinie en de Nieuwe Hollandse Waterlinie voor de zekerheid toch in stelling gebracht. In Naarden-Vesting worden troepen en materieel verzameld. Ook reservisten, die naast hun gewone baan oproepbaar blijven voor militaire dienst, worden in paraatheid gebracht.

Eén van die reservisten is de Naardense Marinus (Rinus) Dubelaar (1896-1942). In het dagelijks leven is hij elektricien en loodgieter, wonend met zijn vrouw Hendrika Koopmanschap en drie kinderen aan de Cattenhagestraat 13. Als reservist maakt Dubelaar echter ook deel uit van de Vrijwillige Landstormkorps Luchtwachtdienst. In december 1939 wordt hij als sergeant gelegerd op de verdedigingswerken aan de Karnemelksloot, waar hij tot de meidagen van 1940 zal blijven.

Luchtmachtpost Naarden in Fort Karnemelksloot, mei 1939. Uiterst rechts: Marinus Dubelaar. Collectie Nederlands Vestingmuseum, Naarden.

Vliegtuigen en spionnen

In de vijf maanden die Dubelaar hier doorbrengt, houdt hij samen met zijn kameraden van de luchtwachtpost een dagrapport bij. Passages over een defecte telefoonlijn en een stuk kacheldeurtje geven blijk van hoe weinig de manschappen in die tijd te doen hebben. Ze zijn eigenlijk vooral aan het wachten tot er iets gebeurt en houden zichzelf bezig met kleine klusjes: ‘Om het menschelijk lichaam fit te houden, hebben we onze verfraajingen aan de bult en begane grond voorgezet.’ Soms vliegt er een verdacht vliegtuig over en een enkele keer arresteren ze een vermeende spion, die zich bij de verdedigingswerken ophoudt. Later blijkt dit een Bussumse wethouder te zijn, ‘voorgevende vogeleieren te willen zoeken’.

Dagrapport Luchtmachtpost Naarden, 16 december 1939 – 17 mei 1940. Collectie Nederlands Vestingmuseum, Naarden.

Het is op dat moment winter en vaak bitter koud in de forten. ‘Zolang de koude aanblijft mogen de manschappen niet langer dan een half uur achtereen op de uitkijk’, wordt op 22 december 1939 besloten. Maar ook in februari moeten de mannen ’s nachts nog bij -18,5 graden Celsius waken. ‘Ijzeren en leeren kerels, als Finnen’, prijst Dubelaar zijn kameraden die de nachtdienst op zich nemen. Een dame die begaan is met de troepen schenkt ze stoelen uit haar eigen huis, om hun ‘zoo ongezellige woonstede’ wat aan te kleden. Dubelaar verzoekt zijn kameraden dringend om ‘deze stoelen niet te vernielen, en dankbaar te gebruiken’. Een advies dat blijkbaar nodig geweest zal zijn.

Passage uit het dagrapport Luchtmachtpost Naarden, 16 december 1939. Collectie Nederlands Vestingmuseum, Naarden.

De ontstellende waarheid

Als er in de nacht van 9 op 10 mei 1940 dan wel iets gebeurt, is het ook goed mis. Dubelaar meldt in het dagrapport: ‘Een zeer onrustige nacht. Heele drommen vliegtuigen kwamen onze grens over en vlogen dwars over ons land. (…) Later in de nacht kwamen we tot de ontstellende waarheid. (…) Nederland in oorlog met Duitschland.’ Het nieuws van de Duitse inval bereikt Naarden om tien over vier ’s nachts per telexbericht: ‘grensoverschrijding heeft plaats gehad bij gennep, asewijn, ruurloo en in limburg.’ De strijd zal niet lang duren. Na het bombardement op Rotterdam op 14 mei geeft de Nederlandse regering zich over. Het leger wordt ontbonden en hun wapens door de Duitsers gevorderd. Het laatste bericht in het dagrapport dateert van 17 mei en meldt ‘niets bijzonders’.

Telexbericht over de inval van het Duitse leger in Nederland, 10 mei 1940. Collectie Nederlands Vestingmuseum, Naarden.

Vroege verzetsgroepen

Dubelaar is na zijn dienst bij het leger vastbesloten om zijn verzet tegen de Duitsers voort te zetten. Als vroom katholiek is hij fel gekant tegen de nazi-ideologie. Al snel verzamelen zich gelijkgestemden om hem heen, waardoor in Naarden al in de zomer van 1940 één van de eerste verzetsgroepen van Nederland ontstaat. De groep verwacht de spoedige komst van de Engelsen en maakt zich klaar om hen te helpen bij de bevrijding van Nederland.

Ongeveer gelijktijdig ontstaat in het naburige Bussum ook een verzetsgroep rondom de gereformeerde drogist Gerard Reeskamp, die illegale pamfletten verspreidt met spottende rijmpjes over de nazi’s. In Hilversum wordt ondertussen nog een derde groep opgericht, bestaande uit leden van de plaatselijke katholieke scouting vereniging St. Hubertus, onder leiding van Theo Dobbe. Belangrijke leden van deze groep zijn Jan van Straelen en Henri Vroom, een telg uit de familie achter warenhuis Vroom en Dreesmann. Zijn familievilla wordt een belangrijke verzamelplaats voor de groep.

Brinklaan, hoek Kerkstraat, in Bussum. Links het huis van de familie Vroom, dat een belangrijk trefpunt werd voor het verzet. Collectie Gemeentearchief Gooise Meren en Huizen.

Wapens op bastion Oranje

Verschillende leden van de drie verzetsgroepen kennen elkaar, waardoor de groepen al vroeg in de oorlog met elkaar in contact komen en besluiten samen te werken. Ze vatten het gevaarlijke plan op om de wapens, munitie en explosieven die na de mobilisatie in Naarden-Vesting zijn achtergebleven te stelen. Het materieel is na de capitulatie gevorderd door de Duitsers en opgeslagen in bastion Oranje, aan de zeekant van de vesting. De zoon van Gerard Reeskamp wordt op pad gestuurd om het terrein te verkennen. Met een bootje vaart hij de vestinggracht op naar het bastion, waar hij waarschijnlijk door een van de schietgaten naar binnen klimt. Hij neemt wasafdrukken van de sloten op de deur die hij binnen aantreft en laat een sleutel namaken door een fietsenmaker die aangesloten is bij de verzetsgroep. Daarna kan hij Kazemat K betreden en de plattegrond en inhoud in kaart brengen, als voorbereiding op de roof.

Het blijft echter niet bij één wapenroof. De verzetsgroepen keren telkens terug naar bastion Oranje om meer wapens en munitie mee te nemen. Sommige leden worden uiteindelijk aangeklaagd voor acht tot tien diefstallen. De groepen weten 400 pond springstof, tientallen dozen met ontstekingskabels en ontstekers, tussen de 400 en 500 granaten en duizenden patronen voor machinegeweren, karabijnen en pistolen te ontvreemden. Het materieel wordt onder de leden verdeeld en in tuinen begraven, bijvoorbeeld bij de Bussumse verzetsvrouw Johanna Berendina Scholten. Enkele kilo’s trotyl uit haar tuin komen uiteindelijk terecht bij een Amsterdamse verzetsgroep, die de explosieven gebruikt voor een succesvolle aanslag op het bevolkingsregister. Naast het plegen van aanslagen wordt het materieel ingezet voor overvallen op distributiekantoren, om verzetsmensen en onderduikers van voedselbonnen te voorzien.

Schietgaten in Bastion Oranje aan de vestinggracht. Foto: Joost1948, via Wikimedia (CC BY-SA 3.0).

Een laatste advies

Na de wapenroven besluiten de drie verzetsgroepen om niet langer samen te werken. Het is simpelweg te riskant geworden. Net op tijd, want na een mislukte wapendeal van één van de werknemers van Gerard Reeskamp, moet hij eind 1940 onderduiken. De groep rond Dubelaar houdt het langer vol, tot in juni 1941 het noodlot toeslaat. Dubelaar wordt verraden, mogelijk door het protestantse ex-vriendje van zijn oudste dochter Alie, en door de Duitsers gearresteerd op verdenking van verboden wapenbezit. Ook de andere leden van de Naardense groep, onder wie Fokke Bleeker en Alex Smidt, worden één voor één opgepakt. Samen met zijn vrouw Hendrika wordt Dubelaar in het ‘Oranjehotel’, de beruchte nazi-gevangenis in Scheveningen, opgesloten. Hun kinderen worden bij familieleden ondergebracht.

Familiefoto van het gezin van Marinus en Hendrika Dubelaar. Collectie Verzetsmuseum Amsterdam.

Hendrika wordt na een zenuwinzinking op doktersadvies na zes weken weer vrijgelaten, maar Marinus blijft zes maanden lang in de gevangenis. Op 12 februari 1942, om negen uur ’s morgens, wordt hij samen met Fokke Bleeker op de nabijgelegen Waalsdorpervlakte gefusilleerd. In een afscheidsbrief die Dubelaar een uur voor de executie aan zijn vrouw en kinderen schrijft, vraagt hij niet alleen om vergiffenis, maar geeft hij ook advies: ‘Lieve kinderen, (…) zorg goed voor Moeder en voor elkander. Blijft goed katholiek, bid veel voor mijn arme ziel. Wees in alles gehoorzaam.’ Zijn oudste dochter Alie adviseert hij om ‘nooit met een anders denkende’ een relatie te beginnen, na het fiasco met haar protestantse ex. Ze zou daarna nooit meer een relatie durven aangaan.

De afscheidsbrief die Marinus Dubelaar vanuit het ‘Oranjehotel’ aan zijn vrouw en kinderen schrijft, 12 februari 1942. Collectie Verzetsmuseum Amsterdam.

Eresaluut

Na de dood van Dubelaar is Naarden in rouw. De Naardense pastoor J.H.Th. Hermsen verzorgt op 26 februari een speciale uitvaartmis voor parochiaan Dubelaar in een bomvolle Sint Vituskerk, waarbij onder meer burgemeester J.E. Boddens Hosang aanwezig is. Omdat Hermsen zich in zijn preek kritisch uitlaat over de executie van Dubelaar, wordt hij opgepakt en gevangengezet in het gebouw van de Duitse Inlichtingendienst aan de Amsterdamse Euterpestraat. Na zes weken wordt hij tot ieders opluchting weer vrijgelaten. Ook burgemeester Boddens Hosang wordt op het matje geroepen voor het bijwonen van de mis. Na ongeveer een maand wordt ook hij uit de gevangenis ontslagen, maar zijn functie als burgemeester moet hij neerleggen.

De overlijdensakte van Marinus Dubelaar, 3 maart 1942. Collectie Gemeentearchief Gooise Meren en Huizen.

Niet alle aangeklaagde leden van Dubelaars verzetsgroep, 22 in totaal, krijgen de doodstraf. Sommigen worden tewerkgesteld in Duitsland en keren na de oorlog terug naar Naarden. Ze kijken met gemengde gevoelens terug op hun tijd bij het verzet, omdat ze te vroeg begonnen zouden zijn zonder al te veel verstand van zaken. Sommigen zijn pas jaren na de oorlog gerehabiliteerd. Hun leider Marinus Dubelaar heeft aan zijn heldhaftige acties een straat met zijn naam overgehouden in de Naardense woonwijk Tuindorp Keverdijk. Zijn strijdmakker Fokke Bleeker kreeg een straat met eenzelfde uitstraling in de Bussumse Westereng. Op Koninginnedag 2011 klonk 69 jaar na zijn dood een eresaluut voor Dubelaar uit de kanonnen van het Nederlands Vestingmuseum, dat deze eigenzinnige verzetsman voor even terughaalde naar de vestingstad.

Portret van Marinua Dubelaar in het ‘Doodenboek’ van het Oranjehotel. Collectie Nationaal Archief.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries

Met dank aan Pieter Koudijs, directeur Nederlands Vestingmuseum.

Bronnen:

  • Informatie over de archiefstukken van het Nederlands Vestingmuseum in Naarden.
  • Informatie van een neef van Marinus Dubelaar over zijn afscheidsbrief van 12 februari 1942.
  • Onderzoek over de Naardense verzetsgroep en de roof op bastion Oranje, door Anthony Staaks, stagiair bij het Nederlands Vestingmuseum (2022).
  • Mies Langelaar, ‘Dagboek 1940-1945 van een Naarder’, De Omroeper 8 (1995) afl. 2, 41-50.
  • Cornelie van Uuden en Annie Verweij, ‘J.H.Th. Hermsen (1875-1956), een markante Naardense pastoor’, De Omroeper 21 (2008) afl. 2, 41-58.
  • Henk Schaftenaar en Annie Verweij, ‘Voor koningin en vaderland. Een rapportage over Naarden (1935-1947) uit de plakboeken van burgemeester J.E. Boddens Hosang’, De Omroeper 24 (2011) afl. 1, 1-40.
  • Klaas Oosterom, ‘Negen straten vernoemd naar elf verzetsstrijders’, Bussums Historisch Tijdschrift 36 (2020) afl. 1, 20-23.
  • Familiewebsite over Marinus Dubelaar.

Publicatiedatum: 02/05/2022

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

NL | EN