Toerisme in Volendam en Marken

Maakte je als toerist in de jaren ’30 een reisje langs de Noord-Hollandse dorpen, dan had je grote kans in Marken Sijtje Boes tegen het lijf te lopen.

Zakenvrouw Sijtje Boes

Deze geslepen zakenvrouw verdiende dankzij haar talenkennis en vlotte babbel goed geld aan de vele toeristen die op het eiland afkwamen. Zodra er een boot aankwam was Sijtje er als de kippen bij. Ze sprak de vreemdelingen aan en haalde ze over om naar haar showhuis te komen en met eigen ogen een authentiek Marker interieur te aanschouwen. En natuurlijk was er ook gelegenheid om souvenirs te kopen. Zelf zag Sijtje hier geen kwaad in, mensen vonden het immers altijd fijn om met een inwoner zelf te kunnen praten. Het bestuur van Marken beoordeelde haar rol echter anders. Zij vonden dat Sijtje te ver ging met haar ‘hulp’ en zagen haar als één van de mensen die probeerden “op een of andere manier binnenshuis het medelijden op te wekken en min of meer de menschen af te persen”

Volendam, langs de haven. Collectie: Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Toeristische spagaat

Deze anekdote is een goede afspiegeling van de spagaat waarin de besturen van Noord-Hollandse plaatsen zoals Marken en Volendam zich aan het begin van de twintigste eeuw bevonden. Moesten ze dergelijke praktijken toelaten zodat de inwoners goed geld konden verdienen of moesten ze ertegen optreden en het aanzien van hun dorp hoog houden? In korte tijd waren deze toch vrij geïsoleerde vissersdorpjes uitgegroeid tot populaire toeristenbestemmingen. Economisch gezien waren deze toeristen van groot belang, maar ze vormden ook een bedreiging voor de traditionele waarden van de dorpelingen.

Op zichzelf

Om de gevolgen van de toeristenstroom voor Volendam en Marken beter te begrijpen, moeten we er eerst achter komen waarom juist deze dorpen zo tot de verbeelding spraken.
Tot ver in de negentiende eeuw waren beide dorpen vrijwel op zichzelf aangewezen. Het eiland Marken was moeilijk bereikbaar en de oversteek vanaf het vasteland kon gevaarlijk zijn. Het enige regelmatige contact dat de Markers met de buitenwereld hadden, werd onderhouden door de vissers die langs andere dorpen gingen om hun vangst te verkopen. Volendam maakte officieel wel deel uit van het grotere Edam, maar de Edammers bemoeiden zich weinig met de dorpelingen wier woonplaats niet eens op de kaart aangegeven stond. Zo af en toe ontvingen de dorpen bezoekers, maar die waren dan ook meteen een bezienswaardigheid.

Startpunt: Henry Havard

Eén van die vroege bezoekers was de Fransman Henry Havard. Deze koopman en kunstliefhebber voer samen met een bevriend kunstenaar in 1873 met een klein bootje langs de dorpen rond de Zuiderzee. Met een scherp oog voor detail en kleur maakte Havard een uitgebreide beschrijving van wat hij tijdens deze tocht aantrof. Over elk dorp had hij een duidelijk oordeel: Edam en Monnikendam vond hij doods en stil, maar Marken en Volendam waren vol leven en zeer idyllisch. Wat Havard vooral aansprak was de in zijn ogen primitieve levensstijl van de dorpelingen. “Het regelmatige leven dat ze leiden voorkomt elke verlangen naar onnodige luxe, en hun lichamen, gewend aan uitputting, hebben geen behoefte aan het comfort waaraan wij gewend zijn.” Volendammers en Markers waren pure mensen, en die zag je bijna nergens anders meer. Het beeld dat Havard schetste sprak zijn tijdgenoten zeer aan. Het boek dat hij na zijn reis publiceerde, verspreidde zich over heel Europa en bracht de toeristenstroom naar Marken, Volendam en de omringende dorpen op gang.

Hotel Spaander en omgeving, Volendam. Luchtfoto K.L.M Aerocarto B.V. – Bron: Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

PR-man Spaander

Havards ervaringen vormden dus een startpunt, maar er is in het geval van Volendam nog een andere persoon aan te wijzen die van groot belang is geweest voor het aantrekken van toeristen. Leendert Spaander was vanaf eind negentiende eeuw de eigenaar van het enige hotel in het dorp. Meer nog dan Sijtje Boes was hij een zakenman, die duidelijk wist wat hij wilde: meer buitenlandse gasten in zijn hotel. Vanaf de opening in 1881 reisde hij elke winter met zijn zelf geproduceerde ansichtkaarten van Volendam naar Engeland en Duitsland. Met zijn aangeboren talent voor PR wist hij daar veel kunstenaars over te halen om zijn dorp te bezoeken en te komen schilderen. Hotel Spaander werd op die manier een ontmoetingsplaats voor artistiek talent uit alle windstreken. De afbeeldingen die deze schilders van Volendam maakten, hebben later een belangrijke bijdrage geleverd aan het beeld dat de wereld van dit dorp en ook van Nederland heeft.

Poster ‘Five means of conveyance in one trip’ – Provinciale Atlas Noord-Holland

Begin massatoerisme

Veel Amerikanen zien bij het noemen van de naam ‘Holland’ nog steeds een visser in wijde pofbroek en klompen voor zich.De toename van het toerisme was trouwens niet alleen te merken in Volendam en Marken. Het jaar 1883 kan wel gezien worden als het begin van het massatoerisme in heel Nederland. Niet alleen werd toen de Algemene Nederlandse Wielrijders Bond opgericht, het was ook het jaar van de Wereldtentoonstelling in Amsterdam. Dit laatste evenement trok bezoekers van heinde en verre, die allemaal kwamen om de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van techniek en toegepaste kunst te aanschouwen. Het zette Amsterdam en Nederland op de kaart als vakantiebestemming en zorgde tegelijkertijd voor een verbeterde infrastructuur die de komst van meer bezoekers mogelijk maakte. Zoals een schrijver het in 1895 verwoordde: “De spoorwegen en booten doen ons spotten met afstanden. Een reis om de wereld is slechts een quaestie van weken”.

Dagtochten

Voor de dorpen in Noord-Holland was vooral de oprichting van de Noord-Hollandsche Tramweg-Maatschappij van belang. Vanaf 1888 was het dankzij de tramverbinding een stuk gemakkelijker om van het ene naar het andere dorp te reizen. De tram was daarnaast ook een veel veiliger vervoersmiddel dan de bootjes die daarvoor werden ingezet. Enkele ondernemers zagen onmiddellijk de mogelijkheden van deze nieuwe techniek, en al snel organiseerden zij de eerste dagtochten vanuit Amsterdam naar Volendam, Marken en Edam. De poster uit 1930 maakte reclame voor zo’n tochtje. Vooral buitenlandse toeristen werden hiermee aangespoord de ‘typisch Hollandse’ dorpjes te gaan bekijken. Dit specifieke arrangement, dat al vanaf 1906 bestond, werd ook wel aangeprijsd als ‘the most varied trip in Holland.’ ‘s Ochtends vertrokken de belangstellenden vanaf Amsterdam Centraal met een bootje naar de noordkant van het IJ. Vanaf daar deed men op één dag vier verschillende dorpjes aan. Bij elk dorp was er de gelegenheid om even rond te kijken, foto’s te maken en souvenirs te kopen, voordat de reis weer verder ging.

Invloed van toerisme

Zoals het voorbeeld van Sijtje Boes al aangaf, vormde het groeiende aantal toeristen een dilemma voor de dorpelingen. Aangezien bezoekers geld binnen brachten was het belangrijk ze tevreden te stellen, maar tegelijkertijd hadden de vreemdelingen een groot effect op de dynamiek van het dorpsleven. Het bestuur van Marken reageerde hierop door sterk vast te houden aan de traditionele normen, en op te treden als deze overschreden werden. Zo legden zij, ondanks protesten van winkeliers, in de jaren ’30 een verbod op het openstellen van winkels op zondag, en werd er getracht het alcoholgebruik te beperken. In de streng calvinistische Marker gemeenschap dronk men niet veel, maar dit was bij sommige toeristen wel anders. Het kwam geregeld voor dat ze al bij aankomst dronken van de boot kwamen rollen en overlast veroorzaakten.

Volendam. Bezoek van den Maharadja van Tigree met zijn vrouwen. Collectie: Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Bedelende kinderen

Het katholieke Volendam leek iets minder last te hebben van de overmatige drinkers, maar net als in Marken kenden ze ook hier het probleem van bedelende kinderen. Vanaf het moment dat toeristen van de boot afkwamen, zagen  ze zich omringd door een zwerm kinderen die, na het laten bewonderen van hun klederdracht, om geld vroegen. Deze kleine navolgers van Sijtje en consorten deden het imago van de dorpen natuurlijk weinig goeds, en het bestuur van Marken probeerde dan ook van alles om ze te laten stoppen. Maar zelfs na het aanbrengen van waarschuwingsborden op de boten, waren er kinderen die er stiekem mee doorgingen. Niet alleen de kinderen waren geldbelust, velen vonden dat de hele gemeenschap ten onder ging aan de commercie. Bij aankomst in Volendam werd men al in de jaren ’20 begroet met teksten als ‘Buy your diamonds here!’, en de in klederdracht gestoken ondernemers vroegen grof geld om gefotografeerd te worden. Een Amerikaanse krant uit die tijd beschreef hoe men bij aankomst in Marken hinderlijk gevolgd werd door mannen, vrouwen en kinderen, die net zolang ‘money, money’ riepen tot ze het daadwerkelijk kregen. De klachten kwamen niet alleen uit het buitenland. Volgens een Nederlandse reisgids van net na de oorlog was er “geen streek in Nederland meer geëxploiteerd dan deze. Zelfs in Venetië vegeteert men niet zo op de vreemdeling als in Marken en Volendam en het is onbegrijpelijk dat nog niet iedereen dit alles beneden de waardigheid van ons volk en onze folklore schijnt te vinden.” De dorpjes waren aan het begin van de vorige eeuw misschien al lang niet meer zo schilderachtig en authentiek als dat ze mogelijk ooit geweest waren, maar het is wel aan het toerisme te danken dat beide dorpen nog zo’n vooraanstaande positie bekleden.

Historische utopie

Zowel Marken als Volendam zijn nu, bijna 130 jaar na de reis van Havard, nog steeds immens populair bij toeristen. Veel buitenlanders bezoeken de dorpen om iets mee te krijgen van hoe Nederland vroeger was, om zich in een historische utopie te wanen. Het negentiende-eeuwse idee dat, in de woorden van een anonieme reiziger, “de historische ontwikkeling hier op een gegeven ogenblik is blijven stilstaan, als gold voor dit vergeten plekje niet de algemene regel dat de tijden en menschen veranderen” heerst nog steeds, al werkt het overgrote deel van de inwoners nu in de toeristische sector in plaats van de visserij. Het beeld dat Havard schetste was in zijn tijd eigenlijk al een cliché. Volendam en Marken zijn er echter al die jaren in geslaagd de schijn op te houden, en zullen dat waarschijnlijk nog wel even blijven doen ook.

Tekst: Marleen Vincenten

Terug naar het overzicht

Gerelateerde literatuur

– Henry Havard. The Dead Cities of the Zuyderzee. A Voyage to the Picturesque Side of Holland. London: Bentley & Son, 1876.- G.J. Schutte en J.B. Weitkamp. Marken. De Geschiedenis van een Eiland. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 1998.

– Dick Brinkkemper. Volendam in Oude Ansichten. Zaltbommel: Europese Bibliotheek, 1994.

– J.G. Kikkert. Op Stap in Nederland. Toerisme Vroeger en Nu. Weesp: Fibula-Van Dishoeck, 1985.

Publicatiedatum: 29/03/2012