Tabo, een zwarte jongen in het Hoorn van de Gouden Eeuw

Bedienden waren er genoeg in de Gouden Eeuw, maar hoe was het om als zwarte jongen tussen rijke dames en heren rond te lopen? De Hoornse verhalenverteller Julian Wijnstein kruipt in de huid van zo’n donkere bediende.

Wijnstein, zelf van Surinaamse komaf, staat in het Westfries Musem voor het schilderij dat de Delftse schilder Nicolaas Verkolje in 1727 maakte van de Hoornse regent Adriaan van Bredehoff (1672-1733). Van Bredehoff was onder andere bewindhebber (directielid) van de West-Indische Compagnie (WIC).

Maar vandaag gaat onze aandacht niet uit naar de bon vivant met de pruik, maar naar zijn jonge, zwarte bediende, die zijn geweer en hond vasthoudt: Tabo Janszoon. Hoe de donkere jongen bij de regent terecht is gekomen, weten we niet, maar Wijnstein gaat de komende maanden proberen de geschiedenis vanuit zijn perspectief te vertellen.

De jas die Wijnstein tijdens de wandelingen als Tabo draagt is ontworpen door de Hoornse couturier Sepehr Maghsoudi. Foto door Benno Ellerbroek, Westfries Museum.

Ontroerd

Toen Wijnstein voor het eerst naar het ronde portret keek, was hij ontroerd. “Als Verkolje, die een grootmeester was in de schilderkunst, die twee niet had vastgelegd, nu zo’n driehonderd jaar geleden, hadden we waarschijnlijk nooit van Tabo geweten. Ik heb het aan een paar moeders gevraagd en die schatten dat hij, toen hij werd geschilderd, zo’n 10 of 11 jaar moet zijn geweest. In die achttiende eeuw moesten kinderen al heel jong werken; op de boerderij werd je al aan het werk gezet zodra je kon tillen of sjouwen.”

We verkassen naar een café tegenover het museum, waar Julian vertelt hoe hij op het idee kwam om een vertelvoorstelling te maken over een jonge, zwarte bediende jongen in de Gouden Eeuw. “In 2007 had ik met een kennis een gesprek over de multiculturele samenleving. Moet je je voorstellen, zei de man, die geschiedenisdocent was, hoe dat begin achttiende eeuw geweest moet zijn in een welvarende stad als Hoorn, waar één donkere knaap tussen al die witte, rijke dames en heren rondloopt.” Wijnstein wist toen nog weinig van Tabo af, behalve dat hij op een schilderij in het Westfries Museum voorkwam. “Dat zette mijn verbeelding in gang. Later wees die kennis me op een artikel dat Jan de Bruin van het Westfries Archief had geschreven. Zo kwam ik al wat meer over die tijd te weten. Niet veel hoor, want waar Tabo vandaan kwam, weten we bijvoorbeeld niet.”

Francois van Bredehoff (1672-1733) geflankeerd door zijn bediende Tabo Jansz. Hij wijst naar zijn huis, ‘De Gerechtigheid’ aan de Beemsterringvaart te Oosthuizen (schuin tegenover de Grote Kerk), dat rechts in de achtergrond is geschilderd. Hij was hoofdschout te Hoorn en werd door koop in 1686 Heer van Oosthuizen (Etersheim, Hobrede, Kwadijk, Schardam). Geschilderd in 1727 door Nicolaas Verkolje. Via Westfries Museum.

Bewindhebber

Je zou denken dat Van Bredehoff de jongen van zijn reizen heeft meegenomen, maar de regent reisde zelf niet. “Hij was schout, wat hij zijn leven lang is gebleven, en hij was ook bewindhebber van de West-Indische Compagnie, die hier in Hoorn, aan de Binnenluiendijk, een kantoor had.” En hoewel hij zelf nooit aan boord van een schip is gestapt, is het wel aannemelijk dat hij een paar keer naar de Reede van Texel is geweest. Als daar een schip uitvoer, moest er namelijk altijd een bewindhebber bij aanwezig zijn. De bewindhebber gaf een brief met instructies mee. Daarin stond bijvoorbeeld hoeveel producten het schip mee moest nemen uit de factorijen in de koloniën. En hoeveel slaven er in Afrika opgehaald moesten worden. “Het is dus waarschijnlijk dat Tabo via de WIC naar Hoorn is gekomen.”

Slavernij was, nog meer dan bij de VOC, één van de WIC-activiteiten. “De WIC-schepen brachten onder anderen wapens naar Afrika en zodra ze die afgeleverd hadden, werd het schip vertimmerd. Er werd een tussendek  gemaakt, dat ook wel bekend stond als het ‘koedek’. Slaven werden in die tijd als runderen gezien en behandeld; dat vond ik schokkend om te lezen. Maar ja, het waren heidenen, dus dat mocht. Zo’n twintig procent van de Nederlandse economie in de achttiende eeuw is verdiend met het tot slaaf maken van mensen, die vervolgens op de plantages aan het werk werden gezet. Want die slaven kregen weer kinderen, dus dat waren goedkope arbeidskrachten. Dat is aanzienlijk méér dan tot nu toe werd aangenomen.”

Julian Wijnstein treft voorbereidingen voor de boongang. Foto door Benno Ellerbroek, Westfries Museum.

Vier bedienden

Van Bredehoff, die vrijgezel was, weten we dat hij maar liefst vier bedienden had, waaronder Tabo.  Wat Tabo’s taken precies inhielden is niet overgeleverd, maar Wijnstein heeft wel een vermoeden. “Hij houdt dat jachtgeweer en die hond zó routineus vast, dat hij mee moet zijn gegaan als Van Bredehoff uit jagen ging.” Op het schilderij zie je een buiten, de Gerechtigheid, want behalve schout was Van Bredehoff ook nog eens Heer van Oosthuizen. “Vermoedelijk is Tabo door de schutterij, die samen met de schout de orde handhaafde, opgeleid, en hebben ze hem geleerd  hoe je een geweer moet laden en aanreiken.”

Maar als we vragen hoe Tabo zich gevoeld moet hebben, ver van het land waar hij was geboren, moet Wijnstein het antwoord schuldig blijven. “Met al die sociale media van tegenwoordig vliegen de gevoelens je om de oren, maar in de achttiende eeuw sprak je daar niet over. Het ging er veel discreter aan toe dan nu. Op dat portret ziet hij er niet bedrukt uit, maar Tabo zal zich zeker hebben aangepast; hij zal zijn gevoelens wel hebben verstopt.” Op de verhalenverteller rust dus de schone taak om de jonge bediende een stem te geven, en hem als mens van vlees en bloed neer te zetten. “Ik neem de vrijheid om zijn verhaal zelf in te vullen, met inachtneming van de historische feiten, want de feiten moeten natuurlijk wèl kloppen.”

Julian Wijnstein bij het Foreestenhuis. Foto door Benno Ellerbroek, Westfries Museum.

Schoonvader

Als voorbeeld van zijn aanpak vertelt Wijnstein een verhaal dat hij ooit op de Halve Maen heeft verteld. “In één van die verhalen probeerde ik een schoonvader zó tot leven te wekken dat mensen na afloop zeiden: oh ja, zo’n schoonvader heb ik ook gehad. Want niets menselijks is ons vreemd; sommige dingen zijn van alle tijden.”

In zijn vertelvoorstelling, die in de vorm van een wandeling is gegoten, vertelt hij het nodige over de WIC, waarbij de slavernij ook aan bod zal komen, maar hij waakt er voor om er een aanklacht van te maken.“ Het is geen veroordeling, ik zet Tabo niet als slachtoffer neer. Ik vertel een bijzondere geschiedenis die zich in Hoorn heeft afgespeeld.”

Adriaan van Bredehoff heeft goed voor zijn personeel gezorgd, zo weten we inmiddels. “Hij heeft een fonds in het leven geroepen, waaruit Tabo elk jaar een aanzienlijk bedrag kreeg uitgekeerd. Daarmee kon hij een tabakshandeltje beginnen.” Van Bredehoff deed dat uit een vroom soort genegenheid, want hij was een gereformeerd man. “Hij heeft zich in ieder geval om zijn bedienden bekommerd; hij gunde hen een goed leven, weg uit ‘de duisternis van het heidendom,’ zoals hij dat in zijn testament omschreef. ” Want Tabo was natuurlijk wel een Moor die tot God bekeerd moest worden. “Maar goed, hij had hem ook op een schip terug naar Afrika kunnen sturen.”

Tussen 12 mei en 1 september 2019 vinden zeventien wandelingen plaats, die allen op zondag (13.30 uur) plaatsvinden. De wandelingen zijn geschikt voor iedereen vanaf 8 jaar die in geschiedenis is geïnteresseerd. De kosten bedragen € 15,- (inclusief drankje) voor volwassenen. Museumkaarthouders betalen € 9,-, jeugd tot 18 jaar betaalt € 6,-. Reserveren kan via www.wfm.nl/vertelwandeling.

Tekst: Arnoud van Soest