Zonovergoten zomerdagen: vijf eeuwen Amsterdamse zomers in vogelvlucht

In 1540 duurde de zomer maar liefst zeven maanden, op 1 augustus 1674 raasde een zware orkaan over de stad, 1947 telde 64 dagen met temperaturen boven de 25 ˚C. Hoe kwamen de Amsterdammers in de loop der eeuwen de zomers door?

Een lekker zonnetje, een prettige temperatuur – en onze zomerse dag kan niet meer stuk. Aan een kille, verregende zomer hebben we een broertje dood. Maar ja, al te grote hitte kan de stad doen verlangen naar verkoeling. Water! Schaduw! Amsterdammers in 1540 kampten al met het ‘grote zonnejaar’, wij in de 21ste eeuw met de warmste jaren sinds eeuwen.

Sinds de laatste grote ijstijd zo’n 10.000 jaar geleden hebben we in onze contreien een gematigd (zee)klimaat. Dat klimaat is wel aan verandering onderhevig. In de Middeleeuwen was het relatief warm (en nat), ook wel het ‘klimaat optimum’ genoemd. Daarna daalde de temperatuur weer, de ‘kleine ijstijd’ waarin liefhebbers van schaatsen en schilders van ijsgezichten hun hart konden ophalen. Halverwege de 19de eeuw keerde de tendens en werd het weer warmer, eerst langzaam en vanaf 1975 steeds sneller. Het ene weerrecord na het andere wordt nu gebroken. Zo hebben we net de warmste en droogste aprilmaand in 300 jaar achter de rug. Was de gemiddelde etmaaltemperatuur van de afgelopen drie decennia 9,2 ˚C, die van april 2011 was 13,1 ˚C.

Sinds het begin van de 18de eeuw beschikken we over temperatuurgegevens. Dat heeft alles te maken met de uitvinding van de thermometer. Baanbrekend werk in de ontwikkeling daarvan werd verricht vanuit een hoekhuis van de Leidsestraat en de Keizersgracht, waar de uit Danzig (nu Gdansk) afkomstige instrumentmaker Gabriël Daniël Fahrenheit van 1716 tot zijn overlijden in 1736 zijn werkplaats had. De Zweedse hoogleraar in de astronomie Anders Celsius hanteerde iets later een ander uitgangspunt voor de schaalverdeling in graden: het kookpunt van water bij nul graden en het vriespunt bij 100 graden. Die ijkpunten werden kort na zijn dood omgedraaid. Wij gebruiken ze nu nog, al geven de Amerikanen de voorkeur aan de schaal van Fahrenheit.

Al kunnen we dus niet over exacte weerberichten beschikken die ouder zijn dan drie eeuwen, er zijn genoeg berichten over het weer overgeleverd om een indruk te krijgen van de weersgesteldheid in die voor meteorologen niet al te heldere eeuwen. Weerhistoricus Jan Buisman heeft er dikke boeken over geschreven. Zijn laatste, onlangs verschenen werk heet Extreem weer.

Cornelis Springer, De Dam in de zomer, 1882. Collectie Amsterdam Museum.

Het grote zonnejaar

De uitzonderlijkste zomer in de tijd van voor de temperatuurmeting was die van 1540, ‘het grote zonnejaar’. Zeven maanden lang mediterraan weer in West- en Midden-Europa, warm met nauwelijks regen. Toevallig bezocht keizer Karel V dat jaar Amsterdam. Hij arriveerde op 13 augustus, met zijn zus de landvoogdes Maria van Hongarije en het nodige hofpersoneel. De leden van de Staten van Holland, die de keizer na zijn verblijf in ’s-Gravenhage begeleidden naar Haarlem, hadden echter geweigerd hem te volgen naar Amsterdam. Door de droogte was er watergebrek en het beschikbare water was ondrinkbaar. Hun liefde voor de vorst was groot, maar er waren grenzen. Aert van der Goes, landsadvocaat van Holland, noteerde dat het bezoek van de keizer aan de snikhete stad maar kort duurde “om te behoeden die gesontheyt van Sijne Majesteit ende dengenen, die hem volgen, ende water drincken willen, ’t welck ’t Amsterdam nyet en doecht [deugt] ende veel sieck, ja doodt drincken souden mogen.” Na een nacht in herberg ’t Wapen van Embden op de Nieuwendijk ontvluchtte het keizerlijk gezelschap schielijk de stad.

De droogte was de keerzijde van het prachtige weer. Rivieren slonken tot magere stroompjes. Zo kon de IJssel bij Doesburg pootjebadend overgestoken worden, net als de Rijn bij Keulen en de Seine in Parijs. Het leidde tot misoogsten met alle gevolgen van dien. In 1473, toen Karel de Stoute de scepter zwaaide, de overgrootvader van Karel V, was dat ook gebeurd. Maar na 1540 werd het kouder. Het zou tot het laatste kwart van de 17de eeuw duren voordat er weer zonovergoten zomers zouden aanbreken. Al kwam tijdens zo’n zomer ook wel stortregen of een hagelbui voor.

De Weesperschuit vaart de Amstel op, bij de brug over het einde van de Prinsengracht, tijdens de fraaie nazomer van 1806. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Wandelen en naakt zwemmen

Christiaan Huygens dichtte in juli 1684: “’t Was boos en bijster weer / Als ik mijn thuynman vraegde / Hoe hem dat behaegde / Behagen, zei de geck, Heer / ’k Had liever geen als sulcken weer.” Onweer, hagelbuien, windhozen: het zijn verschijnselen die kunnen gebeuren, juist bij zomerhitte. Windhozen met orkaankracht komen gelukkig zeer zelden voor. De orkaan die op 1 augustus 1674 het middenschip van de Utrechtse Domkerk in puin legde, raasde daarna over Amsterdam. Het “schricklyck tempeest” verwoestte 28 molens die rond de stad stonden. Een korenmolen bij de Weteringpoort werd door de wind opgenomen en stortte iets verder ondersteboven weer neer. Een hagelbui die om half zes ’s avonds op 19 juni 1748 losbarstte, beschreef Jacob Bicker Raye in zijn dagboek. Veel glasschade door hagelstenen van soms wel een half pond zwaar. Hij overdreef. Een naar Engeland geëmigreerde Amsterdammer die zijn geboortestad weer eens bezocht, sir Matthew (Matthijs) Decker, moest schuilen voor hagelstenen zo groot als walnoten.

De aardige kant van de zomer was er gelukkig ook. Er werd wat afgewandeld op zwoele zomeravonden. Favoriet was om de wallen langs te lopen, al stonk het wel even als vuilstortplaatsen gepasseerd moesten worden. De grachten stonken ook, vooral waar geen doorstroming was, zoals in de Jordaan. Uitlaatklep was de stad uit te gaan: voorbij de Zaagmolenpoort lagen veel tuintjes waar het goed toeven was. Die hadden allemaal dezelfde indeling: een prieeltje, een moestuin, een bloementuin en een paar fruitbomen. Het enige minpunt was dat je ’s avonds voor het sluiten van de poort weer in de stad moest zijn om boete te ontlopen. Andere geliefde wandelingen waren naar het einde van de Zeeburgerdijk, wel zo leuk vanwege de daar gelegen herberg, en langs de Amstel tot ’t Kalfje, ook zo’n prettige uitspanning.

Zomersporten zoals spelevaren (zeilen) en raketten (badminton) waren niet voor iedereen weggelegd, maar bij zwemmen lag dat anders. Ook al had je geen geld, zwemmen kon je leren: water genoeg. In de Singelgracht, Amstel en het IJ werd druk gezwommen. Vaak naakt, waar buitenlandse reizigers erg van opkeken.

Mensen zwemmen naakt in het paardenwed bij de Utrechtsepoort, 1769. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Zomers de stad uit

De elite ontvluchtte haar kasten van grachtenhuizen en bracht de zomers door in buitenhuizen aan de Amstel en de Vecht, in ’s-Graveland of de duinen bij Bloemendaal. De fraaie zomers tussen 1775 en 1783 waren voor veel van die families de laatste in overdaad doorgebrachte seizoenen. Daarna woei de wind economisch uit de verkeerde hoek en werkte het weer ook nog eens niet mee. In de Bataafse en Franse Tijd werd menig buitenhuis gesloopt; aannemer Kaal maakte zich met deze kaalslag onsterfelijk.

Enkele families wisten dit kostbare buitenvermaak vol te houden, soms tot begin 20ste eeuw. Mr. P. van Eeghen deed in 1962 in Jaarboek Amstelodamum uit de doeken hoe zijn familie drie eeuwen lang de zomers buiten de stad doorbracht. Die verblijven duurden vaak heel lang: half mei verhuisde het hele huishouden naar buiten om soms pas in oktober terug te keren. De pater familias kwam dan alleen het weekend over, want de zaken in Amsterdam gingen door. Het schoolverzuim van de kinderen werd opgevangen door een (meest Zwitserse) gouvernante. Maar er bleef genoeg tijd over om leuke dingen te doen, zoals paardrijden, zeilen, roeien. En met logerende neefjes en nichtjes kattenkwaad uithalen om het leven spannender te maken, want bijna niks mocht. Snoepen van aardbeien uit de moestuin was al een doodzonde.

Uitzonderlijk warme zomers waren er in de 19de eeuw weinig. De jaren 1826, 1834 en 1846 sprongen eruit, evenals 1857, 1859 en 1868. Amsterdam was in die tijd afgezakt tot een morsige provinciestad en de zomerlust werd overschaduwd door epidemieën die de kop op staken. Maar zomervermaak was er ook. In de Plantage en bij de Singelgracht kwamen zomertheaters en/of sociëteiten, met vaak na de voorstelling of het concert een feeëriek verlicht bal. Herberg ’t Vosje aan de Zeeburgerdijk had een speeltuin, die een geliefd oord voor de bevolking van de Dapperbuurt was. De kunst was om de hand te lichten met het gebod ‘consumptie verplicht’.

Buitenplaats Starrebos aan de Kruislaan in de Watergraafsmeer, 1780. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Goed toeven in Artis

Al die uitspanningen – op een enkele na, zoals Bellevue – moesten wijken voor de stadsuitbreiding. ’t Vosje hield het tot 1901 vol. Gelukkig kwamen er in die nieuwe wijken ook parken, waarvan het grote Vondelpark al het publieke groen naar de kroon stak. Al langer was het goed toeven in Artis. Zomers wanneer er openluchtconcerten werden gegeven alleen toegankelijk voor leden, maar die beslotenheid verviel in september. Muziekuitvoeringen waren er ook in de tuin van het Concertgebouw.

Zwemmen deed men vanwege de zedelijkheid steeds meer in de beslotenheid van een zwembad – die aan de Westerdoksdijk was de eerste in 1845 – maar voor wie dat te duur was bleven het IJ en de Amstel trekken. De kwaliteit van het water werd er echter niet beter op door de afsluiting van het IJ met de Oranjesluizen, zodat er geen getijverschil meer was. In 1872 kleurde het grachtenwater zelfs rood door algen. Het wachten was op een krachtig gemaal dat het vuile water afvoerde.

In het begin van de 20ste eeuw was 1911 een warme topzomer. Politiek gezien was het ook een hete zomer: bij de zeeliedenstaking vielen doden toen het leger werd ingezet. Daarna lieten zomers die eruit sprongen lang op zich wachten. Maar hittegolven ontbraken niet. De hele vorige eeuw telde er bij elkaar 32, maar liefst vier in 1947 (samen 38 dagen). Amsterdam zocht dan verkoeling aan het water. Zoals in 1923, toen aan de Amstel, de Josef Israëlskade en de Pieter Lastmankade talloze gezinnen bivakkeerden en druk werd gezwommen. Met de tram naar Zandvoort was ook een geliefd zomeruitje. Of naar Muiderberg, waar je vanwege de zedelijkheid overigens niet in badkleding op het strand mocht zitten. Zwemmen in de wollen badkleding die door het water ging uitlubberen, was al aanstootgevend genoeg.

Links: dameszwempak van katoen, 1916. Collectie Amsterdam Museum. Rechts: badpak voor mannen van wol, jaren ’20. Collectie Amsterdam Museum.

De elf warmste jaren

Vakanties werden algemener na de Eerste Wereldoorlog. Met de fiets naar Bakkum of het Fransche Kamp bij Bussum om daar te kamperen, dat werd het helemaal. Natuurvriendenhuizen, jeugdherbergen, volkstuintjes en reisverenigingen floreerden door de toegenomen vrije tijd. Bleekneusjes uit volksbuurten mochten naar zee en voor schoolkinderen werd het Vacantie Kinderfeest georganiseerd, eerst een dag maar vanaf 1925 zelfs drie dagen toen de organisatoren de beschikking kregen over huizen te Valkeveen, Renkum en Nunspeet.

Een klimatologisch bijzonder jaar was 1947. Na een strenge winter volgde een zomer met 64 dagen boven de 25 ˚C. Het zou de warmste zomer van de eeuw zijn. Een fraaie zomer was ook 1959, maar daarna volgde een reeks wisselvallige zomers. Dankzij de toegenomen welvaart trok men er verder op uit, zo mogelijk met de auto. Al bracht menige trotse autobezitter het niet verder dan bermtoerisme. En propageerde Robert Jasper Grootveld vakantie in eigen stad door met een vlot de grachten af te varen.

Vanaf 1975 is een hete zomer steeds minder uitzonderlijk geworden. Topzomers waren die van 1975, 1976, 1983 en 1995. Ook de gemiddelde temperatuur steeg. Dat heeft te maken met het broeikaseffect, waardoor de aarde opwarmt. Dat heeft zich versneld voortgezet in de 21ste eeuw. Bijna alle zomers in deze eeuw waren warmer dan het gemiddelde van de laatste dertig jaar. “Het is nu wel erg toevallig dat de elf warmste jaren van de afgelopen eeuwen in de afgelopen twaalf jaar vielen”, schreef weerman Erwin Kroll in zijn boek Een warme wereld (2007). De natuur reageert erop: vogels gaan vroeger broeden, vanuit Zuid-Europa rukken hier onbekende beesten op, zoals de processierups. Een ontwikkeling die zorgen baart, al zullen ijscoventers en bier- en frisdrankproducenten daar anders over denken.

Badgasten op strand bij aan het IJ, 2006. Collectie .

Auteur: Marius van Melle (historicus)

Dit artikel is eerder verschenen in het tijdschrift en op de website van Ons Amsterdam.

Publicatiedatum: 28/06/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.