Onheilspellende tijden in de Gouden Eeuw

Het kan spoken langs de kust van de Noordzee, vraag het maar aan de inwoners van de kustgebieden. En met elke storm is het weer spannend wat er allemaal op het strand aanspoelt.

Meestal stelt het niet zo heel veel voor, maar op 19 december 1601 spoelde er iets behoorlijk ongewoons op de Noord-Hollandse kust. De harde zuidwestenwind had er voor gezorgd dat een enorm groot, log zeewezen was aangespoeld bij Beverwijk. Een dode walvis, die in de zeventiende eeuw werd gezien als een brenger van slecht nieuws. De mensen uit deze tijd waren er dan ook van overtuigd dat dit monster er voor zou zorgen dat Holland overspoeld zou worden met rampen en ongeluk.

Jan Saenredam’s gravure

De Zaankanter Jan Saenredam, vader van de beroemde schilder Pieter Janz. Saenredam, tekende de aangespoelde walvis zo natuurgetrouw mogelijk. De tekening, waar later een gravure van werd gemaakt, is van bijzondere kwaliteit, en bevat erg veel details en informatie. Op de achtergrond is de klotsende zee met daarop deindende vissersboten. Langs de kust zien we honderden mensen die de walvis van dichtbij willen gaan bekijken en op de voorgrond van de tekening heeft Saenredam zichzelf getekend. Op het strand ligt de dode walvis, waar ondertussen opmetingen van worden gemaakt. De centrale persoon van de compositie is Ernst Casimir, de neef van Stadhouder Maurits van Oranje. Onder de gravure is een Latijns gedicht, gemaakt door Theodorus Schrevilius. In het gedicht is te lezen dat Schrevilius de walvis zag als een omen en een monstrum portentosum: een monster dat de boodschap van onheil brengt.

Rampspoed

De walvis was een zeemonster, een monster dat door God zou zijn gezonden om de Hollanders te vertellen dat er slechte tijden aankwamen. De bezoekers bij de Beverwijkse walvis moeten diep geschokt zijn. Zo’n enorm wezen dat dramatische gebeurtenissen voorspelde zoals oorlog en pestepidemieën. De zeventiende-eeuwers waren namelijk van mening dat God via de natuur boodschappen verstuurde. Het mislukken van de oogst, een storm op zee, een losgeslagen stier en een zonsverduistering, allemaal tekenen van God. Via de rampen liet hij de gelovige zien dat ze gefaald hadden en beter naar God moesten luisteren. Welke rampspoed zou er volgen?

Obscuur wezen

Nu is voor ons de walvis geen onbekend dier, maar in de zeventiende eeuw was de walvis wel degelijk een obscuur wezen. En met een lengte van 60 voet (18 meter) en een hoogte van 14 voet (4,5 meter) was deze mannelijke versie van de walvis aan de grote kant en een enorme bezienswaardigheid. De staart alleen al was 14 voet (4,5 meter) en de grote, angstaanjagende kaak was 12 voet (3,5 meter). Vandaar ook dat, ondanks dat de walvis op knappen stond, er enorme aantallen mensen kwamen kijken naar de Beverwijkse walvis.

Oorlog tegen de Spaanse Habsburgers

Het aantal gestrande walvissen was in deze periode opvallend hoog en dat werd vaak geïnterpreteerd als een verwijzing naar de oorlog die de Republiek der Verenigde Nederlanden op dat moment voer tegen de Spaanse Habsburgers. De Spanjaarden bleven vasthouden aan godsdienstvervolgingen, iets wat veel protest opriep in de Nederlanden, waar godsdienstvrijheid ten dele mogelijk was. Ook trok de Spaanse koning Filips II, een standvastige man, steeds meer macht naar zich toe. De edelen voelden zich aan de kant geschoven maar Filips II wilde niets horen over onderhandelen. Ten tijde van de Beverwijkse walvis waren het nog onzekere oorlogsjaren en wist niemand nog hoe de geldslurpende oorlog zou aflopen. De onzekerheid heerste alom.

Voortekens

Na de stranding van de walvis zijn er nog meer verschillende voortekenen voor rampen. Doordat Saenredam zijn tekening pas een jaar later af kreeg, heeft hij de voortekenen als kanttekening kunnen opnemen in zijn walvisportret. De nieuwe tekenen voor rampspoed volgde namelijk zeer snel na de stranding. Slechts vier dagen na het aanspoelen van de walvis, op Eerste Kerstdag, was er een zonsverduistering. Om het nog erger te maken, was er op 2 januari 1602 op verschillende plekken in Nederland een aardbeving te voelen. Een aardbeving! Dat was al sinds mensenheugenis niet meer gebeurd. Als laatste in deze reeks voortekens van rampspoed was er in juni 1602 een totale maansverduistering zichtbaar.

Gestrande potvis bij Wijk aan Zee

Gestrande potvis bij Wijk aan ZeeGestrande potvis bij Wijk aan Zee

Jonas en de Walvis

Het idee dat walvissen booschappers van onheil zijn komt uit de Bijbel. Het verhaal van Jonas en zijn walvis, met Jonas die opgegeten wordt door de walvis, werd in de Nederlanden door de dominees veel verteld. Jonas had de opdracht die God hem gegeven had niet uitgevoerd, waardoor God besloot om Jonas te straffen. Jonas, die zich op dat moment op een boot bevond, werd overboord gegooid en verzwolgen door de walvis. Drie dagen en drie nachten zat hij in de walvis, wiens maag als het vagevuur diende, als boetedoening voor het niet luisteren naar God. Stond de Republiek hetzelfde lot te wachten?

Grote ramp

De grote ramp gebeurde in Amsterdam. Een zware pestepidemie sloeg vanaf 1601 in Amsterdam, maar ook in de rest van Holland, hard om zich heen. De ziekte eiste veel slachtoffers en zou zeker nog tot de zomer van 1602 duren. Volgens de historicus Jan Wagenaar (1709-1773) was deze epidemie zo extreem dat alleen al in de zomer van 1602 er meer dan tienduizend slachtoffers werden gemeld. De kerkhoven lagen helemaal vol met pestlijders en meer dan tien procent van de Amsterdamse bevolking overleed aan de pest. Een ware ramp voor de opbloeiende havenstad.

Tegenslagen in de oorlog

Naast de pestepidemie waren er ook tegenslagen in de oorlog. De strategisch zeer belangrijke haven van Oostende te Vlaanderen werd belegerd door het leger van aartshertog Albertus. Intussen was de gevreesde veldheer Spinola in aantocht om met Italiaanse versterking de aartshertog bij te staan in zijn strijd tegen de Republiek. Vervolgens was er ook nog het verhaal dat de ronde deed over een nieuwe grote armada, een oorlogsvloot die zou bestaan uit tachtig schepen. Deze stond, onder aanvoering van markies van Santa Croce, volgens de geruchten op het punt om uit te varen in de richting van de Republiek.

Graaf Ernst Casimir van Nassau-Dietz

Voortekenen en rampspoed, alom aanwezig in allerlei verwijzingen op de gravure van Saenredam. Tevens staat in het midden op de gravure van Saenredam een markant persoon: graaf Ernst Casimir van Nassau-Dietz. In de tekening van Saenredam bezocht deze oorlogsheld het monsterlijke zeewezen aan de kust bij Beverwijk. Ernst Casimir, lid van de Friese tak van het huis Nassau en de neef van stadhouder Maurits, was de toekomstige stadhouder van Friesland, Groningen en Drente. Maar bovenal was hij een generaal in het leger en in Saenredams ogen een held, vandaar zijn prominente plaats op deze afbeelding. Het lijkt wat onwaarschijnlijk dat Ernst Casimir daadwerkelijk de Beverwijkse walvis gezien heeft. Maar Saenredam zet hier de walvis, als boodschapper van rampspoed, tegenover Ernst Casimir, een oorlogsheld die het tij kan keren.

De walvis die rijkdom bracht

Wij weten hoe het afloopt. Graaf Ernst Casimir zal sterven op het slagveld (1632), de Republiek wint uiteindelijk van Spanje en vanaf de Vrede van Münster in 1648 wordt de Republiek erkend als een zelfstandige staat. En toen de positie van de Republiek eenmaal veilig was gesteld, werden gravures van gestrande walvissen en andere profetische natuurverschijnselen opeens zeldzamer. Er was misschien minder te vrezen, maar ook de walvis was ondertussen geen monster meer. De grootschalige walvisjacht was geopend en deze legde de Hollanders geen windeieren. Vanaf het einde van de zeventiende eeuw raakten de mensen steeds meer bekend met het dier en hadden er ook minder van te vrezen. De walvis, met zijn imposante lijf, werd niet langer meer geassocieerd met voortekens en rampspoed, maar met rijkdom. De walvis leverde namelijk walvistraan, die als lampenolie werd gebruikt, walvisvlees en amber, wat in parfum terug te vinden is. De walvis was een nieuwe grote inkomstenbron geworden. De jacht op deze goudmijnen was zelfs zo intenstief, dat het aantal walvissen aanzienlijk verminderde. Het aantal walvissen dat aanspoelde ging hierdoor achteruit.

Niet langer meer voorbode van rampspoed

Walvissen spoelden ook buiten de periode van de Tachtigjarige oorlog aan, maar ze maakten juist in de zeventiende eeuw de meeste indruk. De onzekerheid van de oorlog zorgde ervoor dat men in de natuur op zoek ging naar de hand van God, naar bijbelse voortekenen. Er werd geprobeerd om voorspellingen te trekken over wat er nog zou komen, alles was nog zo onzeker. Maar na het einde van de Tachtigjarige oorlog en zeker vanaf de periode rond 1680 verandert het idee over voorspellende natuurverschijnselen. De Verlichting met zijn ratio (het nadenken) kreeg steeds meer voeten in de aarde en verdrong beetje bij het beetje het bijgeloof in Nederland. En ondertussen bleek dat er met het zeemonster goud geld kon worden verdiend.

Tekst: Barbara Eelman

 

Publicatiedatum: 26/03/2012

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.