Noordhollandsch kanaal – Kanalenkoning

In het kader van de tentoonstelling 200 jaar Noordhollandsch Kanaal schreef historicus Maarten Hell voor ons een aantal verhalen over de geschiedenis van dit bijzondere kanaal. Dit laatste verhaal gaat over de drijvende kracht achter de aanleg van het kanaal: 'kanalenkoning' Willem I.

Drijvende kracht achter de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal was koning Willem I. De nieuwe waterweg moest de bereikbaarheid van de zeehaven Amsterdam verbeteren en daarmee de zieltogende Nederlands economie vooruithelpen. Daarnaast had de vorst militaire motieven en hoopte hij de werkgelegenheid te stimuleren met de kanaalaanleg.

Nieuwe Kerk tijdens de inhuldiging koning Willem I, 30 maart 1814. Collectie Stadsarchief Amsterdam: tekeningen en prenten.

Uit het moeras

Een actief en autoritair baasje, zo valt koning Willem I kort te karakteriseren. Van een democratisch bestuur was in zijn tijd (regeerperiode 1815-1840) nog geen sprake: parlement en ministers hadden weinig in te brengen en moesten vooral dienstbaar zijn. De Nederlandse economie was in de Bataafs-Franse Tijd (1795-1813) in het slop geraakt, maar de ‘koning-koopman’ zou het aan zijn haren uit het moeras trekken. Met de oprichting van de instellingen als de Nederlandsche Handel-Maatschappij en de Nederlandsche Bank probeerde hij nieuwe bedrijvigheid te creëren. Met schimmige financieringsconstructies investeerde hij kapitalen in enorme projecten: kanalen, wegen, mijnen, textielnijverheid, machinebouw en stoomvaartmaatschappijen. Met dit actieve beleid hoopte Willem I de handel, scheepvaart en industrie te doen herleven. De aanleg van het Noordhollandsch Kanaal was het omvangrijkste project dat in zijn naam zou worden uitgevoerd.

“Panorama van het Groot Kanaal, genomen van uit het Koninklijk Paleis te Amsterdam”, 1825. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Militaire motieven

In het Koninkrijk der Nederlanden – inclusief het huidige België – kreeg Willem I veel voor elkaar. Binnen het staatsapparaat nam hij alle beslissingen en maande zijn ministers en ambtenaren tot spoed. Gedurende zijn regime realiseerde de koning in totaal vijfentwintig ‘vaarwegprojecten’, zoals kanalen en havenwerken. De helft van die plannen diende om de toegankelijkheid van de zeehavens te verbeteren. Bij het Noordhollandsch Kanaal speelden ook defensiebelangen een rol. Willem I was koning geworden na een periode van twintig jaar oorlogvoering. In 1799 was bij de Brits-Russische inval in Noord-Holland gebleken dat de marinebasis bij Den Helder een zwakke plek had. Vanaf de zee konden vijandelijke marineschepen de vesting blokkeren, terwijl de aanvoer van hulptroepen werd belemmerd door een slecht toegankelijk buitengebied. In 1812 opperde de ingenieur Jan Blanken, toen nog in Franse dienst, zijn plan voor een kanaal tussen Den Helder en Amsterdam. Vier jaar later kwam het kanaalplan ter ore aan de nieuwe koning Willem I. Liever wilde hij een waterweg door ‘Holland op z’n smalst’, maar Blanken overtuigde hem dat dit te duur zou worden.

Pieter Oosterhuis, herstelwerkzaamheden aan schutsluis Willem I aan de ingang van het Noordhollands Kanaal, 1868. Collectie Stadsarchief Amsterdam: foto-afdrukken.

Duister syndicaat

In de financiering van het Noordhollandsch Kanaal speelde koning Willem I een doortastende en doorslaggevende rol. Met een torenhoge staatsschuld op zijn schouders was het lastig om financiële ruimte op de begroting te vinden. De Oranjevorst wist met legale maar ook met illegale middelen zijn infrastructurele projecten te bekostigen. Door de oprichting van fondsen en het duistere ‘Amortisatie-Syndicaat’ kon hij grote kredieten lospeuteren en de controle daarop door rekenkamer en parlement omzeilen. Amsterdam had het grootste belang bij de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal, maar wilde slechts een kwart van de benodigde vier miljoen gulden bijdragen. De stad eiste ook dat grote zeeschepen – tot duizend ton – van het kanaal en de sluizen konden gebruikmaken, in plaats van uitsluitend binnenvaartschepen zoals in Blankens eerste ontwerp stond. De vrees bestond namelijk dat schepen anders niet verder dan Den Helder zouden varen, waardoor ook de handelsactiviteiten zich daarnaartoe zou verplaatsen.

Het Nieuwe Diep in Den Helder, ca. 1860. Collectie Noord-Hollands Archief.

‘Edelmoedig’ voorschot

In 1819 ging Willem ging akkoord met de Amsterdamse wensen. Nog voordat er een nieuwe kostenraming was opgesteld, liet hij beginnen met de aanbesteding van het kanaal. Vanwege een conflict met de Tweede Kamer over de normale staatsbegroting reserveerde hij driehonderdduizend gulden op de marinebegroting: het kanaalproject diende immers ook een miltair doel. Verder schoot hij bijna drie miljoen gulden voor uit eigen zak, zodat de bouw kon voortgaan. Dat ‘edelmoedige’ voorschot kreeg hij in 1823 terug dankzij een staatslening, na enig tegensputteren van het parlement dat zich gepasseerd voelde. De resterende bouwkosten (3,5 miljoen gulden) plaatste de koning daarna zonder morren op de staatsbegroting, dankzij listige boekhoudkundige trucs. In totaal zou de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal elf miljoen gulden kosten, waarmee het veruit het duurste kanaalproject van de koning was. De kostenoverschrijding van meer dan een derde was deels te wijten aan prijsopdrijving vanwege onderlinge afspraken tussen de betrokken aannemers.

Schutsluis Willem I in het Noordhollandsch Kanaal. Op de achtergrond het IJ en Amsterdam. Een tekening van C. Verveer naar een aquarel van P.J. Schotel, ca. 1825-1850. Collectie Atlas Splitgerber, Stadsarchief Amsterdam.

Vorst in de sluis

Op 21 juli 1821 maakte koning Willem I een inspectiereis langs het kanaal in aanleg, met ingenieur Blanken als zijn deskundige gids. Vanaf de Nieuwe Stadsherberg (ter hoogte van het huidige Centraal Station) in Amsterdam voer hij met de koninklijke sloep, gevolgd door een stoet pleziervaartuigen, langs de werkzaamheden ten noorden van het IJ. De vorst wandelde over de grondvloer door de grote doorvaartsluis bij Buiksloot en mocht die in werking zetten door er water in te laten lopen. Later zou de sluis zijn naam dragen. In een tent bekeek hij modellen van de waterwerken. De volgende bestemming was Purmerend, waar de burgemeester, de schutterij en andere autoriteiten hem opwachtten. In Willems aanwezigheid schutte er voor het eerst een vaartuig in de sluis. Daarna reed de koning per rijtuig naar Alkmaar, om daar de kanaalwerken te bezichtigen. Blanken toonde het gedeelte van het Waterpoortje tot de Friese Poort, dat de volle diepte van 24 voet had bereikt. Hierna ging de koning onder luid gejuich terug naar de residentie.

Gedenkpenning t.g.v. de opening van het Noordhollandsch Kanaal, ter ere van Willem I Frederik, koning der Nederlanden. Vervaardigd door Johannes Petrus Schouberg, 1824. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Panamakanaal

Drie jaar na het koninklijke inspectiebezoek, eind 1824, was het Noord-Hollandsch Kanaal bijna voltooid. Willem I had zijn regeringsapparaat onder druk gezet om de werkzaamheden zo spoedig mogelijk te voltooien, maar de waterweg had op sommige plekken nog niet de vereiste diepte bereikt. De haastige openstelling leidde tot het lekstoten van enkele zeeschepen. In 1826 ontdeed de koning zich van de eigenzinnige ingenieur Blanken, het brein achter de kanaalplannen. Ondanks bezwaren tegen het Noordhollandsch Kanaal, zoals de vele bochten en bruggen en de ongeschiktheid voor grotere zeeschepen, was het zonder twijfel de grootste waterstaatkundige onderneming van Willem I. Latere waterstaatkundige projecten, zoals het Zederikkanaal en de Zuid-Willemsvaart, waren belangrijke verbetering voor de infrastructuur, maar vielen in het niet bij het ‘pronkstuk der eeuw’. Nog ambitieuzer dan het Noordhollandsch Kanaal was een plan voor een waterweg door Midden-Amerika, te bouwen door Nederlandse ingenieurs. De nieuwe vaarweg – ook ruim 81 kilometer lang – moest de handel in de vrijhaven van Curaçao stimuleren, maar vanwege het uitbreken van een burgeroorlog verdween het ontwerp in een bureaulade. Pas in 1904 wisten Franse ingenieurs dit ambitieuze plan van Willem I te verwezenlijken, door de aanleg van het Panamakanaal.

Tekst: Maarten Hell

De tentoonstelling 200 jaar Noordhollandsch Kanaal is van 13 januari tot 12 april 2020 te zien in het Marinemuseum in Den Helder. Kijk voor actuele openingstijden en toegangsprijzen op de website van het Marinemuseum.

Publicatiedatum: 19/03/2020