Melk is goed voor…

Elk, maar ook voor Lutjewinkel. In dit kleine Westfriese dorp met 700 inwoners draait alles om zuivel. Hier is in 1916 de coöperatieve zuivelfabriek West-Friesland opgericht, tegenwoordig een van de drie zuivelfabrieken die Noord-Holland telt. Voor de Tweede Wereldoorlog telde de provincie nog 258 zuivelfabrieken. Wat maakt de 100-jarige zuivelfabriek van Lutjewinkel uniek?

Aan de rand van Lutjewinkel staat een kaasfabriek, uitkijkend over de uitgestrekte polders van het Noord-Hollandse landschap. Buiten heerst er een serene rust, maar in de fabriek wordt een grootschalige productie op gang gehouden. De beroemde Noord-Hollandse Gouda kaas wordt hier gemaakt, sinds 1996 met het Europese BOB-keurmerk beschermd als bijzonder streekproduct. Het geheim van deze streekkaas ligt in de polders, waar de fabriek aan grenst. De weiden waar de koeien op grazen waren eeuwen geleden nog binnenzee, de zilte grond geeft de kaas een uniek romig karakter…

De kaasfabriek bij Lutjewinkel. Bron: FrieslandCampina.

 Gezamenlijke kazerij

Voor de opkomst van kaasfabrieken en bijbehorende marketingcampagnes grazen er ook al koeien op deze zilte weiden. In de boerderijen in de omgeving wordt de melk gewonnen en in de boerderij tot kaas verwerkt. De boer rijdt eens per week naar de markt van Schagen om de kaas te verkopen. Het kaasmaken is nog een primitieve gebeurtenis, de techniek van het kaasmaken wordt van vader op zoon en van moeder op dochter overgegeven. Van bacteriën heeft men nog niet gehoord. De boenstoep waar de melkvaten worden gereinigd is vaak op de sloot, die in veel gevallen niet ver verwijderd is van het privaat. Ook het afvalwater eindigt in dezelfde sloot.

De industriële revolutie in de negentiende eeuw leidt tot een verdubbeling van de West-Europese bevolking, waardoor ook de behoefte aan levensmiddelen toeneemt. De kwaliteit van de Nederlandse kaas en boter is in het buitenland zeer bekend en de Nederlandse boeren exporteren hun beroemde waren met name naar Engeland, waar de industriële revolutie in volle gang is. Helaas voor de boeren wordt er gesjoemeld met de export van boter door tussenhandelaren. Goede en slechte boter worden met elkaar gemengd en er wordt water en later margarine aan toegevoegd. De consumenten nemen geen genoegen met de Nederlandse boter en veel boeren worden hiervan de dupe. Ook over de kaas wordt geklaagd: de verouderde productiemethoden leveren een kaas van matige kwaliteit op, die al snel onderdoet voor de kaas uit het buitenland.

Een boerin maakt kaas op de boerderij. Bron: kaasmuseum Bodegraven.

Commissies buigen zich over deze problematiek en doen aanbevelingen om de producten beter te controleren en de fabricage te verbeteren, bijvoorbeeld door coöperaties op te richten. Terwijl de Nederlandse boeren tegenstribbelen, neemt Denemarken hun rol over als exporteur van zuivelproducten. De periode van roem en welvaart voor de Nederlandse boeren met hun befaamde kaas en boter lijkt voorbij. Er wordt een Staatscommissie voor den Landbouw in het leven geroepen om het geknoei met de kwaliteit tegen te gaan. Een strenge controle op de zuivelproducten wint langzaamaan het vertrouwen van de buitenlandse afnemers terug.

De boeren opereren niet meer in hun isolement van de boerderij, nu er vaak controleurs en zuivelconsulenten op het erf zijn. Zij brengen nieuwe ideeën mee uit het buitenland en de meest vooruitstrevende boeren besluiten om zuivelfabriekjes op te richten. De zuivelfabriekjes voor ‘gezamenlijke kazerij’ worden opgericht met een gezamenlijk ingelegd stichtingskapitaal. Voor de fabriekjes wordt een dure melkcentrifuge aangeschaft, die in een mum van tijd het melk van het room kan scheiden. Ook koelers voor de melk zijn onderdeel van het inventaris. Waar eerst de boer verantwoordelijk is voor alle stappen van melk winnen tot als kaas verkopen, worden nu de taken onderverdeeld. Een van boeren fungeert als directeur en voorzitter, een andere boer is verantwoordelijk voor het aan de markt brengen van de kaas.

Personeel van een coöperatieve boterfabriek, ca. 1895. De kneedmachine en de tuimelkarnton – beide met handbediening – zijn, naast de handcentrifuge binnen in het gebouw, de belangrijkste werktuigen. Bron: H.W. Lintsen, 1992.

In de kleine ‘dagfabriekjes’ wordt de melk ’s morgens, als het melken afgelopen is, rechtstreeks door de boer of de knecht in grote bussen of houten vaten naar de fabriek gebracht. Vaak per hondenkar. Bij de fabriek is het levendig druk en de melk wordt nauwkeurig gewogen. Degenen die de melk brengen, storten de melk behulpzaam in een open goot die naar de kaasbak leidt. Als iedereen weg is, gaat de kaasmaker aan de slag met de melk. De kleine dagfabriek is niet veel anders dan het bedrijf van de zelfkazende boer: de kaasmaker en zijn vrouw en kinderen vormen vaak samen het personeel van de fabriek.

De meeste dagfabriekjes stellen niet veel voor. De manier waarop er kaas wordt gemaakt, verschilt amper van de zelfkazerij op de boerderij en is meer ambachtelijk dan industrieel te noemen. Ook het samenwerken gaat niet altijd van een leien dakje. In verschillende dorpen worden meerdere van dit soort dagfabriekjes opgericht. De zuivelfabriekjes halen door de concurrentie en de moeizame samenwerking niet het volle rendement uit de melk en waren overgeleverd aan de grillen van de markt en van elkaar. Als in de jaren 10 de welvaart toeneemt maar de productiemethoden van de dagfabriekjes achterblijven, besluiten sommige Noord-Hollandse boeren, geholpen door onderwijs en voorlichting, dat het anders moet.

Melk bezorgers van de Melkinrichting Velsen, 1920. Bron: Noord-Hollands Archief.

Coöperatieve Zuivelfabriek West-Friesland

In Lutjewinkel neemt veehouder Blaauboer het initiatief om het anders aan te pakken. Tijdens een excursie naar Friesland doet hij het idee voor een moderne coöperatieve fabriek op en legt het voor aan andere boeren in de omgeving van Lutjewinkel. De fabrieksmatige verwerking van hun melk zal niet alleen betere producten leveren, maar ook voor een hogere opbrengst voor de melk zorgen.  In 1916 besluiten 193 boeren om 8 dagfabrieken te verruilen voor de grote ‘Coöperatieve Zuivelfabriek West-Friesland’. Lutjewinkel blijkt vanwege de ligging van weilanden, waterwegen en gewone wegen de perfecte locatie voor de nieuwe fabriek. Blaauboer vanwege zijn innovativiteit de perfecte eerste voorzitter. In deze ‘zoetfabriek’ heeft men de beschikking over de melk van 1198 koeien om tot allerlei producten te verwerken, dat twee keer per dag wordt aangeleverd.

De 26e september van dat jaar vind de feestelijke opening plaats van de grootste zuivelfabriek van de provincie. Het hele dorp iss uitgelopen en de vlag wappert fier op de schoorsteen. Die avond wordt voor het eerst de melk aangevoerd en – ondanks een stroomstoring – bij kaarslicht verwerkt. De fabriek speelt vanaf het begin een grote rol in het leven van de inwoners van ‘Lut’. Al vanaf de oprichting werkt tachtig procent van de dorpsbewoners in de Coöperatieve Zuivelfabriek West-Friesland. Ook het sociale leven is verbonden aan de zuivelfabriek met verwante verenigingen, personeelsreizen en evenementen.

De opening van de zuivelfabriek in 1916. Bron: J. Mens.

Snelwegers, karnkneders en wrongelbewerkers

De fabriek blijft na de oprichting groeien. In de periode tussen 1916 en 1940 worden ruim 30 fabriekjes in de omgeving opgeslokt, die niet meer het hoofd boven water kunnen houden. Technische ontwikkelingen in de sector worden door de directie op de voet gevolgd en er wordt veel geïnvesteerd. Er komen busjes om de melk bij de boeren op te halen, wat het melkwinningsfabriek groter maakt. Het gebouw neemt in omvang toe en de machines worden vervangen door nieuwere, betere exemplaren. Er komen installaties voor het maken van poedermelk van het melkoverschot en machinale wrongelbewerkers die het mogelijk maken om in grotere kaasbakken kaas te produceren. En dan hebben we het nog niet eens over de snelwegers, karnkneders, bascules, transportbanden, pasteurs die de fabriekshallen gaan vullen. Naast de productie van kaas en boter, komt er in 1931 ook een consumptiemelk-afdeling. De coöperatie in Lutjewinkel heeft een afzetgebied gevonden in de grote steden in het Zuiden van Noord-Holland. Er worden filialen opgericht in Amsterdam, Haarlem en Hilversum voor de verkoop van de consumptiemelk. Hier wordt flessenmelk verkocht, maar ook koffieroom, gortepap en vla.

Op hygiënische wijze worden massale kluiten boter door de botervormmachine op het juiste gewicht verpakt, 1941. Bron: J. Mens.

Na de afloop van de Tweede Wereldoorlog vinden er veel veranderingen plaats in de zuivelindustrie. Veel zuivelfabrieken sluiten in deze periode hun deuren door fusies en faillissement, maar de fabriek in Lutjewinkel blijft overeind. In 1965 is Lutjewinkel met 70 miljoen liter melk per jaar de tweede zuivelonderneming van Noord-Holland. In 1968 wordt de fabriek samengevoegd met de zuivelfabrieken van Texel en Opmeer en ontstaat de cooperatieve Vereniging Noord-Holland, die later weer met de melkunie fuseert. En de fabriek bestaat nog steeds. Tot op de dag van vandaag wordt er in Lutjewinkel 450 miljoen liter melk tot  kaas verwerkt in de fabriek, die nu tot FrieslandCampina behoort. In 2016 vierde de fabriek haar 100-jarige bestaan. Hadden de Lutse boeren kunnen weten dat hun vooruitziende blik zo ver zou strekken? Waar een klein dorp groot in kan zijn.

Auteur: Inge Molenaar

Bronnen

Publicatiedatum: 23/03/2020