Noordhollandsch kanaal – Alkmaar en Purmerend

In het kader van de tentoonstelling 200 jaar Noordhollandsch Kanaal schreef historicus Maarten Hell voor ons een aantal verhalen over de geschiedenis van dit bijzondere kanaal. Dit derde verhaal gaat over de consequentie van het aanleggen van het kanaal voor de stad Alkmaar.

Voor de Waterlandse steden langs de route bracht de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal grote veranderingen teweeg. Purmerend had er zelfs een economische bloeiperiode aan te danken. Naast dit profijt kleefden er ook nadelen aan de nieuwe waterweg: zo verdween een deel van het architectonische erfgoed van Alkmaar door sloop.

Schrik

Alkmaar was bijzonder geïnteresseerd in een waterverbinding met de hoofdstad en de rest van het land. Het lokale bestuur verwachtte groot economisch voordeel van het scheepvaartverkeer door het kanaal, zeker als dit niet langs maar door de stad zou worden gegraven. Daarvoor was een aanpassing van het oorspronkelijke ontwerp nodig. Burgemeester Gijsbert Fontein Verschuir ging daartoe uitvoerig lobbyen bij koning Willem I en diens inspecteur-generaal Blanken, overtuigd als hij was van het grote nut voor zijn stad. Bij Koninklijk Besluit van april 1820 kreeg hij eindelijk zijn zin. Alkmaar moest deze aanpassing van het oorspronkelijke kanaalplan wel duur betalen. Alle schadeloosstellingen wegens afbraak van gebouwen zouden namelijk voor rekening van de stad zijn, zo ontdekte de gemeenteraad tot haar schrik. Later wist Alkmaar deze kosten alsnog af te wenden op het Rijk.

Situatie van het Groot Noordhollandsch Kanaal bij de oude West Vriesche Poort te Alkmaar in het jaar 1837. Met aanwijzing der voormalige bogt en Oude Vlotbrug. Tekening in kleur. Collectie: Rijkswaterstaat – Kaarten voor 1850, Noord-Hollands Archief.

Friese Poort

De aanleg van het kanaal – 5,60 m beneden diep en 37 meter breed – betekende een forse ingreep in het historische stadsbeeld van Alkmaar. Het Veneetse Eiland werd met het Heiligland en ‘t Hondsbosch van de rest van de stad afgesneden en door aanplemping aangesloten bij het gebied langs het Oudorper Dijkje. Monumentale gebouwen, zoals het Waterpoortje en het Zakkendragershuisje, moesten voor de kanaalwerkzaamheden wijken. Door een correctie van enkele bochten in het kanaal verdwenen in 1834 ook de fraaie zeventiende-eeuwse Friese Poort en een commiezenhuisje van de kaart. Het nieuwe brede kanaal zou ook de verkeersverbinding bemoeilijken met de dorpen ten noorden van Alkmaar. Slechts twee vlotbruggen verbonden de stad met de overzijde van het kanaal. Die bruggen en de talloze bochten maakten het kanaalgedeelte door Alkmaar voor schippers een van de lastigste trajecten in de vaart.

Vrachtgoederen en vee

Na de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal hoopte de burgemeester dat Alkmaar een heuse havenstad zou worden. Hij liet de schippers weten dat het kanaal op bepaalde locaties langs de oever was uitgediept tot vijf meter beneden Amsterdams peil, om ‘gelegenheid voor winterlage’ te geven. Door verbeteringen van de lokale scheepswerven konden in Alkmaar ook de grotere schepen worden hersteld. Schippers voelden er echter niets voor om in Alkmaar aan te leggen. Enkele uren later moesten zij toch al wachten, voor de Purmerender sluis, en vanwege de lange vaartijd was het zaak Alkmaar zo spoedig mogelijk te passeren. De stad profiteerde daarom nauwelijks van de scheepvaart door het Noordhollandsch Kanaal. Wel was het een betere vaarweg voor de aan- en afvoer van de marktproducten, zoals de bekende kazen. In later jaren was er een druk verkeer van stoomboten met passagiers en vooral vrachtgoederen en vee.

Protesterende schuitenvaarders

In tegenstelling tot Alkmaar wist Purmerend wél te profiteren van de kanaalaanleg. In 1819 zag het stadsbestuur nog niets in de wilde kanaalplannen van de koning en ingenieur Blanken. Een verzoek om betaling van een geringe stedelijke bijdrage (250 gulden per jaar) in de bouwkosten wees de raad van de hand, omdat de stad weinig nut en voordeel van het kanaal verwachtte. De gouverneur van Noord-Holland wist Purmerend toch te overtuigen een vrijwillige jaarlijkse gift te doen, al moest hij wel dreigen met een verplichte bijdrage. De Purmerendse trekschuitschippers waren niet blij met het besluit tot kanaalaanleg. Ze vreesden hun broodwinning te verliezen als er nieuwe vervoersdiensten zouden komen. De route van hun trekschuiten liep over de Oude Vaart, van Purmerend langs de Where door een sluis in de vaart op Ilpendam en vandaar door de Veersloot naar Purmerland en via de buurtschap Kadoelen naar het Buiten IJ naar Buiksloot. De gemeente trof schikkingen met de schuitenvaarders, zodat zij niet benadeeld zouden worden door de concurrentie op het nieuwe kanaal.

Zeilschepen op het bevroren Noordhollands kanaal bij Purmerend, 1830. Collectie: Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Sloop molens en Neckerpoort

In de zomer van 1819 begonnen de werkzaamheden in Purmerend, met de bouw van de Kanaalsluis. De Neckerpoort, een bouwwerk uit 1599, en de nabijgelegen paardenwed moesten wijken voor de sluisbrug. De oude stadspoort had ook geen nut meer, want door het openzetten van de brug was de toegangsweg al voldoende afgesloten. In 1821 was de sluis gereed en kon koning Willem I de openingsceremonie verrichten. Daarna begonnen de graafwerkzaamheden, waartoe twee oude molens op het tracé werden afgebroken. Na jarenlang ploeteren door de poldergasten gebeurde er op 15 december 1824 een klein mirakel: het eerste vaartuig passeerde door het kanaal, oorlogsschip de Bellona. Voor Purmerend betekende de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal een grote verbetering. Alle schepen van en naar Amsterdam moesten er even halt moesten houden in de schutsluis. Vanwege dit oponthoud zou de detailhandel een grote bloei beleven.

Hout en walvissen

Dankzij de nieuwe vaarweg kon Purmerend zich ook ontwikkelen tot een centrum van de houthandel. Stammen uit Noorwegen, Zweden, Rusland en Amerika werden rechtstreeks over het kanaal aangevoerd. Het bewerkte hout ging in binnenschepen en de onbewerkte balken in houtvlotten naar Edam. In het kielzog van deze transporthandel ontwikkelde zich ook een lokale rederij voor houtschepen, alsmede bijkomstige bedrijvigheid als zeilmakerijen, touwbanen en leerlooierijen. Vanuit Purmerend gingen ook schepen op walvis- en robbenjacht. Na terugkomst werd van het vlees walvistraan gestookt, te gebruiken als smeermiddel, lampenolie en bij de productie van zeep en kaarsen. Ook een bij Den Helder aangespoelde walvis eindigde in de traankokerij, na onder grote publieke belangstelling door het kanaal naar Purmerend te zijn gesleept.

Melk en vermaak

In het laatste kwart van de negentiende eeuw was de bloeitijd van Purmerend alweer voorbij. Door de aanleg van het Noordzeekanaal (1876) verhuisde de houthandel grotendeels naar Zaandam. Ook de traankokerij en andere industrieën ondervonden hinder van de nieuwe vaarweg van Amsterdam naar IJmuiden. Voor de binnenscheepvaart bleef het oude Noordhollandsch Kanaal nog wel van belang, vooral vanwege de markten in Purmerend. Tuinbouwproducten uit de Beemster en omstreken werden in de stad geveild en over het kanaal vervoerd. De melkproductenfabriek Hollandia transporteerde ook melk, suiker, steenkolen en andere benodigdheden over de oude vaarweg. In 1924 passeerden jaarlijks nog achttienhonderd schepen het tracé bij Purmerend. Rond diezelfde tijd kwam er daar ook een zwembad in het Noordhollandsch Kanaal, waar wedstrijden plaatsvonden.

Tekst: Maarten Hell.

Publicatiedatum: 01/11/2019