Netelsoep en kastanjekoffie: wildplukken in oorlogstijd

In tijden van schaarste grijpen veel mensen terug op wildplukken, als aanvulling op hun magere dieet. Speciale oorlogskookboeken informeerden hongerige plukkers tijdens de Tweede Wereldoorlog over welke planten en paddenstoelen eetbaar waren en hoe ze het best bereid konden worden.

Het verstedelijkte Nederland had zwaar te lijden onder de voedseltekorten van de Tweede Wereldoorlog. Voedsel dat op de bon verkregen kon worden, nam zienderogen af. Vooral tijdens de strenge Hongerwinter van 1944-1945 heerste grote hongersnood in het westen van het land. Veel stadsbewoners maakten daarom noodgedwongen ‘hongertochten’ naar het platteland, in de hoop bij boeren wat bezittingen te kunnen ruilen voor voedsel. Zo’n 25.000 mensen kwamen tijdens de Hongerwinter om door ondervoeding, uitputting en ziekte.

Overlevenden van de oorlog weten het vaak nog goed. Het dieet van de Hongerwinter wordt altijd in één adem genoemd met tulpenbollen en suikerbieten. Wie heeft er niet zijn (groot)ouders een vies gezicht zien trekken bij de herinnering aan die weeïg zoete smaak en de buikpijn die erop volgde? Ook over de gaarkeukens, die soep van aardappelschillen kookten, hoort men vaak weinig goeds. Maar vooral in de plattelandsstreken van ons land was er lokaal nog een hoop kennis aanwezig over de eetbaarheid van wilde planten. Kennis die sommige families wellicht zelfs door de oorlog heen heeft geholpen.

Het pellen van tulpenbollen voor de gaarkeuken in Rotterdam. Collectie Verzetsmuseum Amsterdam.

Loofsoep, braamthee en hoefbladsigaar

Brandnetel was zo’n plant, die iedereen wel kende en die vanwege zijn veelzijdigheid erg geliefd was. De bladeren konden bijvoorbeeld gebruikt worden om thee of soep van te maken. En het mooie was dat brandnetel ook gewoon in de stad groeide. Andere populaire wilde planten waren paardenbloem en zuring, waarvan de bladeren gegeten kunnen worden. Maar men zocht ook graag naar wild fruit, zoals bramen, en wilde noten of zaden, zoals beuk, walnoot en kastanje.

De wilde variant van laatstgenoemde vrucht, de paardenkastanje, werd ook wel vermalen en als koffie substituut verkocht. Niet alleen voedingswaren, maar ook luxegoederen zoals koffie, thee en tabak waren immers schaars. Ook hier bleek de menselijke vernuftigheid bij het zoeken van natuurlijke surrogaten. De geroosterde wortel van de chicorei was echter beter geschikt als koffievervanger dan de kastanje, waarvan het aftreksel volgens ooggetuigen niet te drinken was. Voor de thee lagen andere plantensoorten voor de hand, zoals het veelgebruikte braamblad. Een vervanger voor tabak verkreeg men tot slot uit de gedroogde bladeren van het hoefblad.

‘Onze wilde groenten en vruchten’, Uitgave van het Voorlichtingsbureau van den Voedingsraad, 1944. Een 16 pagina’s tellend boekje over eetbare wilde planten, met tekeningen van Piet Zwart. Rechts een tekening van een ‘Hanekam’ (cantharel). Foto: Vereniging Documentatie Prentbriefkaarten.

Maïs uit eigen tuin

Voor wie durfde, lagen ook paddenstoelen letterlijk voor het oprapen. Ze vormden een welkome bron van eiwit, vezels en mineralen. Maar sommige eetbare soorten zijn nogal lastig te onderscheiden van giftige soorten. Niet voor niets werd de gids Paddestoelen zoeken en eten van M. van der Zee-Kruseman en Martine Wittop-Koning in 1943 opnieuw uitgegeven.

Naast de zoektocht naar paddenstoelen won ook de jacht op wilde dieren tijdens de oorlog weer aan populariteit. Boekjes zoals Konijnenvleesch als volksvoedsel uit 1941 leerden over de bereiding van het zelf geschoten wild. Natuurlijk was het op het platteland gemakkelijker om een groot scala aan dieren te vinden dan in de stad. In de grote steden werden huisdieren als katten en honden dan ook nogal eens de dupe van de heersende hongersnood.

Ook het zelf tuinieren werd destijds door de overheid aangemoedigd, als middel om aan verse groenten en fruit te komen. Wie over een tuin en de middelen beschikte, begon een eigen moestuin. Het zelfvoorzienend zijn verlichtte de druk op distributiepunten en gaarkeukens. Er waren talloze boeken en brochures in omloop die hierin van advies voorzagen, zoals Hoe leg ik zelf een moestuin aan? van J.M. Riemens uit 1940 en Mais in uw moestuin, handleiding voor den verbouw van mais als tuingewas uit 1944.

Bonen plukken in de moestuin van Kamp Westerbork, 1943. Collectie Herinneringscentrum Kamp Westerbork.

Creatief koken

Voor de huisvrouwen in oorlogstijd betekende het verzamelen én verwerken van zelfgekweekte of -geplukte planten en geschoten wild nogal een omschakeling. In de grote steden was men al decennialang afhankelijk geweest van de voorraad in winkels, niet meer gewend om zelf in de natuur te foerageren. Smaakvolle gerechten gemaakt van ‘tweederangs’ ingrediënten als radijs- of wortelloof waren eigenlijk niet bekend.

Daarbij kwamen kookboeken goed van pas. Met de Eerste Wereldoorlog nog vers in het geheugen, zal het Kookboek voor den crisistijd uit 1918 wellicht bij talloze gezinnen nog op de plank hebben gestaan. Ook nuttig was Van tuin tot tafel, Handleiding voor kleinen tuinbezitter en huisvrouw voor het zelfkweeken, het bewaren en het bereiden van groenten, enz. in het bijzonder in dezen tijd uit 1941. Want men kan nog zoveel groenten en fruit telen, het inmaken ervan is een kunst op zich.

Kookboek voor den crisistijd, 1918. Foto: Ambrozijn en oude kant.

Van crisisvoedsel tot hippe hap

Hoewel de schappen van de supermarkt tegenwoordig vol liggen met de mooiste voedingsmiddelen uit de hele wereld, wint het wildplukken weer aan populariteit. Daslookpesto, paardenbloemsalade en wildpluksoep zijn geen schrikbeelden uit oorlogstijd meer, maar hippe gerechten die uitstralen dat je op een bewuste manier naar de natuur om je heen kijkt. Overbodig en elitair? Misschien. Maar onbewust zorgen de eigentijdse kookboeken en foodblogs er wel voor dat kennis over eetbare planten bewaard en doorgegeven wordt. Tot het moment zich aandient dat we die kennis weer eens écht nodig blijken te hebben.

Vrouw tuiniert in moestuin te Putten, 1945. Foto: Theo van Haren Noman, fotocollectie Anefo.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries

Bronnen:

Publicatiedatum: 21/05/2020