Kunsttentoonstelling in Bergen zorgde voor veel commotie

In de jaren vijftig organiseerde het Kunstenaars Centrum Bergen (KCB) gedurende het zomerseizoen kortlopende ledenexposities in het kunstzaaltje van De Rustende Jager. In augustus 1956 werd er werk geëxposeerd van de werkende leden David Kouwenaar, Lucebert en Jaap Mooij en twee gastkunstenaars, George Ides en Arnold Reemer. De tentoonstelling kreeg een bizar onthaal en werd na twee dagen gesloten.   De expositie in de vroegere stal van 'De Rustende Jager' was geen alledaagse tentoonstelling. Boven de ingang prijkte een uitdagende tekst, 'Soldaten en priesters geen half geld'. In een toelichting op de geëxposeerde schilderijen, tekeningen, montages en collages schreven de kunstenaars dat in de werken een aanklacht verscholen lag tegen ontmenselijking, valse romantiek, schijnreligie en door reclame en televisie verwekte wansmaak. Hier exposeerde midden in de Koude Oorlogsjaren een jonge en strijdbare generatie kunstenaars met experimentele kunstvormen.

Spotprent uit de krant als reactie op de commotie.

Beeld: ‘Ik was erbij’, deel 1 (2008).

Spotprent uit de krant als reactie op de commotie.Spotprent uit de krant als reactie op de commotie.

‘Een verzameling prullaria’

Het tentoongestelde werk bracht de critici van de plaatselijke pers tot wanhoop en razernij. Het katholieke Noord-Hollands Dagblad noemde de tentoonstelling een verzameling prullaria en het tentoongestelde antikatholiek, antimilitaristisch en zelfs pornografisch. De krant verbaasde zich erover dat bezoekers de boel niet met hamer of bijl kort en klein kwamen slaan “want het werk verdiende niet beter; het is nog te slecht voor de vuilnisman”. Ook de verslaggever van de Alkmaarsche Courant was het geëxposeerde werk in het verkeerde keelgat geschoten. Hij was de expositie kotsend ontvlucht en naar de zee getrokken om wat frisse lucht te snuiven. De vaste kunstcriticus schreef vervolgens onder het veelbelovende kopje ‘Opstand der Vlegels’ een zeer negatief stuk waarin hij de kunstenaars Ides en Reemer het advies gaf nuttig werk te zoeken. Jaap Mooij was volgens hem een te hopeloos geval.

Kunstenaar Arnold Reemer kreeg van de Alkmaarsche Courant het advies nuttig werk te gaan zoeken. Foto uit 1964.

Beeld: ‘Ik was erbij’, deel 1 (2008).

Kunstenaar Arnold Reemer kreeg van de Alkmaarsche Courant het advies nuttig werk te gaan zoeken. Foto uit 1964.Kunstenaar Arnold Reemer kreeg van de Alkmaarsche Courant het advies nuttig werk te gaan zoeken. Foto uit 1964.

Gevolgen van de kritiek

De heftige stukken in de krant en de klachten van particuliere (de katholieke familie Diesfeldt, eigenaar van De Rustende Jager) en kerkelijke zijde (een actieve pastoor Beers) lieten de organisatie niet onberoerd. Het KCB-bestuur onder leiding van mr. A.F. Kamps, tevens voorzitter van de Culturele Raad Noord-Holland, kwam in spoedzitting bijeen en besloot twee gewraakte werken – twee fotomontages van George Ides en Arnold Reemer – wegens antikatholieke strekking te verwijderen. De klachten waren ook de substituut-officier van justitie in Alkmaar, mr. J.M. Vellinga, ter ore gekomen. Deze bracht op zondagavond daags na de opening een bezoek aan het kunstzaaltje. Hij gaf de organisatie in overweging een derde aanstootgevend object aan het oog te onttrekken en de expositie alleen toegankelijk te stellen voor personen boven de 18 jaar. De Volkskrant sprak van een novum in de Nederlandse kunstwereld.

De uitnodiging van de ledenexpositie die in 1956 zoveel ophef veroorzaakte.

Beeld: ‘Ik was erbij’, deel 1 (2008).

De uitnodiging van de ledenexpositie die in 1956 zoveel ophef veroorzaakte.De uitnodiging van de ledenexpositie die in 1956 zoveel ophef veroorzaakte.

Definitieve sluiting

Op maandagmorgen kwam ook burgemeester Huijgens van Bergen poolshoogte nemen. Op dat tijdstip waren reeds drie werken in wit papier gewikkeld en met een rood kruis gemerkt. Hij zag geen aanleiding de deuren te sluiten. ’s Avonds spoedde de burgemeester zich andermaal naar De Rustende Jager. Hij bleek gezwicht te zijn voor de aanhoudende reeks negatieve reacties en deelde het aanwezige publiek mede dat de tentoonstelling gesloten werd. Het KCB-bestuur kwam nog met een verklaring (“in een vrij land moet de vrijheid van uiting voor alle groepen gewaarborgd zijn, ook voor de avant-garde wanneer zij felle opstandigheid demonstreert”), maar legde zich bij de beslissing neer.

Ook Lucebert was een van de deelnemende kunstenaars aan de gewraakte tentoonstelling.

Beeld: ‘Ik was erbij’ deel 1 (2008).

Ook Lucebert was een van de deelnemende kunstenaars aan de gewraakte tentoonstelling.Ook Lucebert was een van de deelnemende kunstenaars aan de gewraakte tentoonstelling.

Vrijheid van kunst

Nadat de hele landelijke pers zich op de affaire had gestort, en zich veelal aan de zijde van de criticasters had geschaard, kwam ook het communistische dagblad De Waarheid met een opiniërend stuk. De Waarheid suggereerde dat de overdaad aan experimentele kunstvormen voor het brave Bergense kunstwereldje een beetje te veel was geweest. Collages en montages werden niet door alle kunstliefhebbers hoog gewaardeerd. Het sluiten van de tentoonstelling stond echter op gespannen voet met de vrijheid van kunstenaars om zich op eigen wijze te uiten. De burgemeester was volgens het blad door de knieën gegaan voor enige protesten van prominenten en de lobby van een rooms-katholieke minderheid.

Auteur: Jan van Baar

Publicatiedatum: 10/08/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.