Wesselink schreef eerder een boek over Nederlandse kunstenaars tijdens de Duitse bezetting en zo stuitte ze op de joodse, strijdbare journalist Paul F. Sanders, die voor arbeiderskrant Het Volk en later voor Het Parool schreef. Al in 1933 waarschuwde hij voor het gevaar van het opkomend nazisme in Duitsland.
Ze had echter één probleem: er was weinig over hem bekend. Gelukkig had Sanders honderd kantjes memoires nagelaten aan het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. En toen Wesselink besloot zijn levensverhaal op te tekenen, leefde zijn zoon nog, die haar op weg kon helpen.
Wilhelmina
Paul Sanders was zes jaar toen Wilhelmina in Amsterdam als koningin werd ingehuldigd. Toen hij in de ochtend van 5 september 1898 uit het raam van zijn ouderlijk huis aan de Nieuwendijk 220 keek (hij woonde twintig meter van de Dam), zag hij de werklieden hun handkarren vol tribuneonderdelen en hekken naar de Dam duwen. Overal hingen vlaggen, vaandels, slingers en dennentakken; het was één grote zee van rood, wit, blauw en oranje. Op school kreeg hij van het stadsbestuur, samen met nog zo’n 70.000 Amsterdamse scholieren, een herinneringsbordje met een sierlijke W. in het midden, omkranst door drie sinaasappels, die de ‘appeltjes van oranje’ verbeeldden, symbool van het koningshuis.
Het inhuldigingsfeest duurde twee dagen, maar de rest van het jaar was de Dam het decor van straatventers, een draaiorgel en de dagelijkse poppenkast. In zijn memoires schildert Sanders het straatleven van die tijd, zoals de man zonder benen ‘die zich voortbewoog in een zelfgemaakt wagentje’ en de aandacht op zich vestigde door uit te roepen: ‘Heb méedelij met ’n arme métselaar die zijn ruggegraat ge-bro-ken heeft.’
En dan was er nog die horloge-venter, wiens ‘vingers, hand, pols en rechterarm’ tot aan zijn elleboog waren behangen met horloges, die hij als volgt aanprees: ‘Horlosies, mooie horlosies, ze lopen vierentwintig uren.’

Ter gelegenheid van de kroning van koningin Wilhelmina kregen alle Amsterdamse scholieren dit herdenkingsbordje. Foto via De Arbeiderspers.
Bankier
Paul Sanders was de zoon van effectenhandelaar Benjamin Sanders, die in 1903 een kantoor opende tegenover het toen nog nieuwe beursgebouw van Hendrik Berlage. Paul, die toen elf was, mocht de eerste steen leggen. Zijn vader hoopte dat Paul later net zo’n succesvolle bankier als hij zou worden, maar het zou anders lopen.
Als kind kon Paul goed viool spelen, zodat zijn vioolleraar zijn ouders adviseerde hem naar het conservatorium te sturen. Die voelden daar echter weinig voor, want een bestaan als muzikant ‘kon alleen maar tot armoede leiden.’ Paul vertrok naar Berlijn, waar hij bij een particuliere bank ging werken, maar een tante raadde hem aan zijn hart te volgen. En zijn hart ging uit naar de muziek. Eenmaal terug in Amsterdam hielp hij zijn broers in de zaak, maar als het werk was gedaan, hing hij boven de studieboeken om zich in muziektheorie, muziekgeschiedenis en compositieleer ter verdiepen. Hij kreeg daarbij hulp van dirigent Sam Dresden, die Paul als jongen nog les had gegeven.

Paul Florus Sanders (1891-1986) werkte van 1919-1940 als muziekcriticus bij dagblad ‘Het Volk’ en van 1945-1962 werkte hij voor dagblad ‘Het Parool’ als Amerikaans correspondent. Vervaardiger: onbekend, 1929. Foto: Collectie Stadsarchief Amsterdam, afbeeldingsbestand ANWU00173000001.
Het Volk
Vervolgens ging Sanders als kunstredacteur voor Het Volk aan de slag. Arbeiders warm maken voor de schoonheid van muziek, dat werd zijn missie. Hij was er dan ook niet over te spreken dat de kaartverkoop voor de zogeheten ‘volksconcerten’ onder werktijd plaatsvond. Zo bleef het Concertgebouw immers een sociëteit voor de rijken.
De krant stuurde hem naar Parijs, waar hij bevriend raakte met de schilder Piet Mondriaan, die toen nog niet zo beroemd was als nu. Sanders wilde voor vierhonderd gulden een schilderij van hem kopen voor zijn oudste broer, maar Mondriaan vond dat wel erg veel geld en gaf hem twee schilderijen mee, die de familie van Sanders uiteindelijk aan musea heeft geschonken, waaronder het Kunstmuseum in Den Haag.
In Parijs kwam Sanders ook in aanraking met een nieuwe muziekstroming die uit de VS was overgewaaid, de jazz, muziek die in Nederland nou niet meteen een warm onthaal kreeg. Een muziekcriticus had het zelfs over ‘verwrongen, stuiperige, psychopathische ritmen, ontleend aan de ‘muziek’ van een gedegenereerd negerras.’ Sanders was het daar uiteraard niet mee eens en schreef in Het Volk dat je verzetten tegen de jazz, en andere stromingen zoals ragtime, ‘even doelloos en dwaas zou zijn als een poging de radio of het vliegtuig te ontkennen.’

Dagblad Het Volk, zie links op de foto, was ondergebracht in de ‘Rode Burcht’ aan het Hekelveld (Spuistraat), vlakbij Amsterdam CS. Collectie Stadsarchief Amsterdam, 1936, Afbeeldingsbestand OSIM00002001108.
Potemkin
Weer in de hoofdstad teruggekeerd wachtte hem een nieuwe sensatie, toen in het najaar van 1926 de film ‘Pantserkruiser Potemkin’ van de Russische regisseur Sergej Eisenstein in de bioscoop ging draaien. Nieuw voor die tijd was de speciaal voor de film gecomponeerde muziek. Tot die tijd werd er bij films pianomuziek gespeeld om het hinderlijke geluid van de projector te overstemmen, waarbij een acteur de beelden op het scherm toelichtte, maar bij ‘Pantserkruiser Potemkim’ hoorde muziek vol dreiging die goed aansloot bij het dramatische verhaal over een gruwelijk neergeslagen matrozenopstand op een Russisch marineschip.
Sanders schreef niet alleen artikelen voor Het Volk, maar hij schreef ook boeken, zoals ‘Muziek voor de volksklasse’, en hij componeerde muziek die aansloot bij de moderne muziek die in die tijd opkwam, zoals van Ravel en Stravinski. Het was geen muziek om bij in te dutten, schrijft historicus Wesselink fijntjes. Het was eigenlijk best ‘vaak moeilijk in het gehoor liggende muziek’, of zoals Sanders zelf schreef: ‘De moderne muziek is schril en wrang en vaak vol dissonanten, zij wil niet behaaglijk stemmen, maar wakker en bewust maken.’ De recensent van de Telegraaf vond het in ieder geval maar niks en hoopte dat componist Sanders de weg terug zou vinden van ‘al die zigzaglijnen.’

Poster ontworpen door Albert Hahn jr., 1927. Beeld via Wikimedia Commons, publiek domein.
Peststank
En toen brak de Tweede Wereldoorlog uit. Al in de aanloop daartoe, in de jaren dertig, had Sanders dagblad Het Volk geen gelegenheid onbenut gelaten om de nazi-misdaden aan de kaak te stellen. Hoofdredacteur Ankersmit bleek over een vooruitziende blik te beschikken en schreef in een commentaar dat het jaar 1933, het jaar waarin de nazi’s in Duitsland de macht grepen, ‘een vuile afzichtelijke vlek wierp op de historie’ en dat het nog wel even zou duren om ‘de lucht, waarin de mensheid te ademen heeft, te verlossen van die benauwde peststank.’
Als Jood, socialist én liefhebber van moderne kunst belichaamde Paul Sanders zo’n beetje alles wat de nazi’s verachtten. De comités die joodse vluchtelingen hielpen, bestonden grotendeels uit Joden en het waren vooral de socialistische en communistische bladen die alarm sloegen.

Cas Oorthuys en Jo Voskuil maakten het affiche voor de tentoonstelling waarmee kunstenaars en intellectuelen tegen het opkomende nazisme in Duitsland protesteerden. De tentoonstelling, die plaatsvond in gebouw De Geelvinck aan het Singel, heette D.O.O.D, wat stond voor ‘De Olympiade Onder Dictatuur’. Foto: Stedelijk Museum Amsterdam.
Mengelberg
Sanders schreef kritisch over Nederlandse musici die in 1936 ingingen op een uitnodiging om in het Duitse Wiesbaden op te treden. Hoe kon je nou optreden in een land waar Joden werden vervolgd? Hij zou er vaak over schrijven. Dat de destijds populaire dirigent Willem Mengelberg zich regelmatig liet uitnodigen door de ‘Führerstaat’, waarbij uiteraard geen muziek van joodse componisten mocht worden gespeeld of door joodse musici mocht worden uitgevoerd, vond hij maar niks. Toen de dirigent een Duitse prijs kreeg verbaasde Sanders zich er over dat Mengelberg altijd het werk van Gustav Mahler had gepromoot, een joodse componist waarvoor in nazi-Duitsland geen plaats meer was.
Vervolgens werd Sanders voorzitter van een comité dat in de zomer van 1936 een protesttentoonstelling organiseerde, omdat het Olympisch Comité in Nederland had besloten aan de Olympische Spelen in Berlijn mee te doen. Sport zou niets met politiek te maken hebben. In een speciale hoek van de tentoonstelling werd met behulp van knipsels en foto’s aandacht besteed aan de misdaden van het Derde Rijk.
Duitse diplomaten in Nederland probeerden de tentoonstelling te verbieden, maar de vrijheid van meningsuiting stak daar een stokje voor, ook al was Hitler in die tijd nog een ‘bevriend staatshoofd.’ Volgens een hoge Nederlandse ambtenaar hoefden de Duitsers zich geen zorgen te maken, want de tentoonstelling werd toch alleen maar bezocht door ‘vage, communistische types.’ Voor de vorm werden wat controversiële kunstwerken verwijderd, maar wonderlijk genoeg bleef er één foto van Hitler hangen, met daaronder een tekst waarin een Duitse professor de Führer typeerde als een ‘bastaardtype’, met ‘de gezichtsuitdrukking van een opgewonden waanzinnige.’
Hekelveld
Toen de oorlog uitbrak, bracht Sanders zijn schilderijen onder bij zijn anti-Duitse vriend Willem Sandberg, die destijds conservator was bij het Stedelijk Museum. Zijn krant, Het Volk, die nog maar kort daarvoor in een nieuw gebouw vlakbij het Amsterdamse Centraal Station was gevestigd, was intussen overgenomen door NSB’er Rost van Tonningen. Directeur Van Veen hing zichzelf op en de joodse journalisten, waaronder Sanders, konden vertrekken.
Andere collega’s, zoals Simon Carmiggelt, stapten vrijwillig op, om zich later aan te sluiten bij verzetskrant Het Parool. Samen met een bevriende architect verspreidde Sanders pamfletten waarin hij waarschuwde voor elke vorm van ‘bruine bemoeienis’ met de muziekwereld, want net als in Duitsland trokken de nazi’s met een kapmes door de Nederlandse kunstwereld. Alle kunst die rook naar modernisme werd naar het depot verbannen en voortaan mochten er alleen nog films met blonde helden en joodse oplichters worden gemaakt.

Portret van Paul Florus Sanders (1891-1986). Vervaardiger: onbekend, 1950. Collectie Stadsarchief Amsterdam, Afbeeldingsbestand ANWU00174000001.
Razzia’s
Sanders sloot zich aan bij verzetsblad De Vrije Kunstenaar. Intussen werd de ene na de andere anti-joodse maatregel afgekondigd en in de loop van 1942 sloot het net zich rond de Nederlandse Joden. Ze mochten niet meer reizen, fietsen of telefoneren, moesten verhuizen naar speciaal aangewezen wijken, zoals de Rivierenbuurt, en ze moesten een gele ster dragen.
Vanuit verschillende onderduikadressen in Amsterdam hield Sanders in zijn dagboek het verloop van de oorlog bij. Op 20 juni 1943 schrijft hij over een razzia: ‘Buren begeleiden de slachtoffers naar de tram, helpen hun bagage dragen. Kinderen wuiven vrindjes na. De stilte van de straat is de grootste aanklacht tegen deze mensonterende schande.’
Het schuilhok in de Lekstraat, waar Paul Sanders een tijdje met zijn zus Rosa zit ondergedoken, wordt niet ontdekt. Hij staat doodsangsten uit ‘als een Gestapo-man de buitenwand van onze verblijfplaats tergend langzaam aftast, terwijl hij er een zaklantaarn op liet schijnen.’ Uiteindelijk druipt de politieman weer af en zijn ze gered.
Op 29 september 1943 breekt weer een zwarte dag aan en beschrijft Sanders hoe 5000 Amsterdamse Joden in het holst van hun bed worden gelicht en naar de tramhalte worden gedreven. Uiteindelijk belanden ze in het gloednieuwe Amstelstation, om vandaar met de trein te worden afgevoerd naar de vernietigingskampen. ‘Dezelfde luguberheid. Dezelfde onmacht,’ noteert hij in zijn dagboek. Het maakt Sanders woedend ‘als hij denkt aan de beulen, maar ook aan de miljoenen die geen vinger hebben uitgestoken.’ En het zal er vermoedelijk aan hebben bijgedragen dat hij na de oorlog naar Amerika zal emigreren. Een groot deel van zijn familie zal de oorlog niet overleven.

Omslag van ‘De Strijd van Paul Sanders, een joodse journalist in de vuurlinie van de 20e eeuw: Amsterdam, Berlijn, New York’, geschreven door Claartje Wesselink en uitgegeven door De Arbeiderspers. Omslagontwerp: LevievanderMeer. Foto via De Arbeiderspers.
Het Parool
Uiteindelijk breekt de bevrijding aan en kan Sanders zijn zoon Ben, die bij twee ‘tantes’ in Zutphen ondergedoken heeft gezeten, weer in zijn armen sluiten. Het is voor Paul Sanders weer even wennen dat hij op 7 mei 1945 weer gewoon over straat kan lopen, na jarenlang ondergedoken te hebben gezeten. Oud-collega Simon Carmiggelt vraagt Sanders om het bovengrondse Parool te komen versterken. De krant is in het voormalige gebouw van De Telegraaf getrokken, dat voorlopig niet mag verschijnen vanwege de Duitsgezinde houding tijdens de bezetting.
Het is overigens dezelfde Carmiggelt die later in een van zijn Kronkels, zoals zijn dagelijkse column in Het Parool heet, Sanders zal opvoeren. Dat was in de zomer van 1971, toen Sanders al lang in de VS woonde, waar hij als correspondent voor Het Parool werkte. Op bezoek bij Carmiggelt bekende hij dat hij weliswaar Amsterdammer was, maar de daarbij behorende gevatheid mistte.
Nou ja, één keer lukte het hem wel om alert te reageren. Dat was aan het begin van de oorlog, toen Sanders zijn mede-bestuursleden van auteursrechtenorganisatie Buma liet weten dat hij misschien maar beter uit het bestuur kon stappen omdat hij joods was. Het bestuur wilde daar niks van weten, maar mede-bestuurslid en dichter P.C. Boutens voegde hem tijdens de lunch toe dat het natuurlijk niet goed was ‘wat die moffen deden, maar dat je toe moest toegeven dat Joden erg onaangename eigenschappen hadden.’
Boutens vond dat hij dat mocht zeggen, ‘want heel diep in mijn voorgeslacht zit een druppeltje joods bloed.’ Waarop Sanders snedig opmerkte: ‘Maar meneer Boutens, u kunt toch niet ál uw onaangename eigenschappen wijten aan dat éne druppeltje bloed.’
Paul F. Sanders overleed op 25 juli 1986 in het boven New York gelegen plaatsje North Tarrytown.
Auteur: Arnoud van Soest
‘De Strijd van Paul Sanders, een joodse journalist in de vuurlinie van de 20e eeuw: Amsterdam, Berlijn, New York’ is geschreven door Claartje Wesselink en uitgegeven door De Arbeiderspers. Omslagontwerp: LevievanderMeer
Publicatiedatum: 05/10/2026
Vul deze informatie aan of geef een reactie.