Ex-Pampusbewoner wordt ‘popster’

Als Harm Alberts (87) deze zomer met zijn camper door Nederland trekt, zal hij waarschijnlijk met een glimlach terugdenken aan die zonnige dinsdag in mei toen hij op Pampus als een popster door cameraploegen werd achtervolgd.

Lees volgende verhaal

Harm Alberts is de zoon van de laatste militaire fortwachter, die – in de jaren dertig – met zijn gezin op forteiland Pampus woont. En tja, wat doe je als stichting die het eiland beheert als je Pampus weer eens in het zonnetje wilt zetten? Dan nodig je meneer Alberts en zijn familie uit om het eiland nog eens met een bezoekje te vereren. Het zou immers wel eens de laatste keer kunnen zijn. En dan is de pers ook welkom, ‘zodat de heer Alberts met u zijn prachtige verhaal kan delen.’

Mooi niet dus. Het probleem is namelijk dat Harm Alberts, die nog behoorlijk bij de pinken is, zich van zijn jeugd op Pampus amper iets herinnert.  En dat is ook niet zo gek, want in 1933 is hij nog maar een kleuter van 3 ½ als het gezin Alberts Pampus weer verlaat. En zo komt het dat de ene tv-verslaggever na de ander de heer Alberts een microfoon voorhoudt. Of het weerzien nou écht geen herinneringen bij hem naar boven brengt? Maar als je nauwelijks herinneringen hebt, kunnen ze ook niet naar boven komen.

Hij kan natuurlijk wél zeggen wat het fort anno 2017 met hem doet. “Ik vind het erg groot, nu ik het  eens goed van binnen heb kunnen zien.” Dat kan hij nog niet als hij Pampus in 1962 voor het eerst bezoekt, omdat zijn vader, de laatste fortwachter, net is gepensioneerd. “Het fort was toen nog één grote puinhoop”. In 1991 volgt een tweede bezoek. “Toen was het al iets schoner.”

En dan is de Pampus Experience er ook nog niet, die een aardig beeld geeft van de geschiedenis van het imposante fort. En van de Eerste Wereldoorlog, als zo’n tweehonderd Nederlandse soldaten in het fort zijn gelegerd. Wachtend op een vijand die nooit zal komen. En vervolgens zet Harm Alberts zich weer in beweging, zijn rollator voor zich uit duwend, terwijl de fotografen en cameraploegen om hem heen zwermen.

Drie generaties Alberts: Harm jr (midden), opa Meint (rechts), vader Harm sr. (links) Foto: Stichting Pampus
Drie generaties Alberts: Harm jr (midden), opa Meint (rechts), vader Harm sr. (links). Foto: Stichting Pampus.

Eerst trouwen
Een paar uur daarvoor is hij met zijn familie ontvangen in de ruimte van stichting Pampus, in het Muider Muizenfort, samen met zijn echtgenote vrouw Anna (82), dochter Carla (61), zoon Rob (56) en kleindochter Lisa (30).

De heer Alberts vertelt dat zijn vader, die ook Harm heet, in de eerste wereldoorlog, met nog zo’n tweehonderd militairen op Pampus is gelegerd. “Toen was hij nog dienstplichtig. Later is hij beroeps geworden en las hij op en plakkaat in zijn kazerne dat er voor Pampus een beheerder werd gezocht. Gelukkig had mijn vader zijn machinistendiploma gehaald, want je diende wel verstand hebben van stoommachines. Hij was de enige sollicitant, en werd aangenomen, maar hij moest wél eerst even trouwen.”
Dat doet hij met ‘een vrouwtje’ dat hij in 1929 in de Haarlemse Grote Houtstraat ontmoet. “Dat werd mijn moeder. Of ze zin had met hem op Pampus te gaan wonen. Dat wilde ze wel.” In januari 1930 wordt Harm geboren, precies negen maanden nadat zijn vader en moeder zijn getrouwd. “Ach, je moet toch wat doen op Pampus,” merkt zoonlief Rob droog op.

Harm Alberts kan zich van zijn prille jeugd op Pampus maar drie dingen herinneren: “Ik zat vaak in een hoekje in de tuin en dan kon ik een grijze massa zien. Dat was het fort. Ik ben ook een keer in het kippenhok van de buren gekropen, om al kukelend de haan na te doen. Mijn ouders misten me en waren dodelijk ongerust. Mijn vader stond al op de steiger, klaar om het water in te springen, en te kijken of ik misschien onder de steiger was gevallen.” Nadien wordt Harm met een touw aan een soort geitenpin vastgemaakt, zodat zijn actieradius beperkt blijft.
“ Wat ik me ook nog herinner is het houten kastje dat aan de muur hing. Dat was zo’n ouderwetse telefoon met een slinger er aan. Maar dat is dan ook alles wat ik me herinner.”

Pampus, toen er nog échte winters waren Foto: Stichting Pampus
Pampus, toen er nog échte winters waren. Foto: Stichting Pampus.

Stoommachines
Op Pampus wonen overigens altijd twee gezinnen tegelijk: een fortwachter en een machinist, die verantwoordelijk is voor de stoommachines waarmee het geschut kan draaien. En waarmee, via dynamo’s, elektriciteit wordt opgewekt om de 180 lampen op het eiland te laten branden. Dat horen we van Peter Claesen, die de 26 gidsen aanstuurt die bezoekers aan Pampus rondleiden. “Ze hadden bijvoorbeeld een zoeklicht, maar ook alle tachtig kamers (slaapzalen, munitie, opslag) en alle gangen van het fort moesten worden verlicht.”

Als de Eerste Wereldoorlog voorbij is en de soldaten weer zijn vertrokken, zullen er op het eiland nog een aantal militaire beheerders wonen, waarvan Harms vader de laatste is. Claesen: “Toen de laatste fortwachter vertrok is het nooit meer bewoond geweest. Pampus werd aan zijn lot overgelaten en was voor defensie niet meer interessant. Het geschut was verouderd en intussen waren er vliegtuigen uitgevonden. De vijand kwam dus niet meer alleen via het water.” De veldwachter van Muiden heeft weliswaar de opdracht om de boel in de gaten te houden, maar Claesen denkt niet dat de man elke week met een bootje naar Pampus zal zijn geroeid.

De baas van de gidsen mag graag vertellen over de stoommachines en het beton, dat in 1895, als het forteiland wordt gebouwd, nog nieuw materiaal is. “De andere forten van de Stelling van Amsterdam, zoals Fort Abcoude, zijn nog uit steen en aarde opgetrokken.” Kortom, als het kunstmatige eiland wordt aangelegd, waar zo’n 4.000 à 5000 heipalen voor worden gebruikt, is het een heel modern fort.

Moerasgebied
Pampus is op een soort zandbank gebouwd, die rond 1200 is ontstaan. Vóór die tijd is het een moerasgebied, maar mede door het afgraven van veen in Noord-Holland en Friesland, gaat het waterpeil rondom de ‘ondiepte’ Pampus stijgen. En bij ondiepte moeten we denken aan water dat 3 á  4 meter diep is.

Tot de VOC-tijd kan er nog wel gevaren worden, maar als de schepen groter worden en zwaarbeladen terugkeren uit de Oost, gaat dat niet meer. “Soms moesten ze al in Den Helder hun lading lossen, maar meestal liggen ze hier voor Pampus, omdat ze niet meer verder kunnen. Vandaar die uitdrukking: voor Pampus liggen.” Om toch naar Amsterdam te kunnen varen, maken de schepen gebruik van zogenaamde scheepskamelen. “Dat zijn houten kisten, waar het schip tussen vastgeklemd zit. Vervolgens worden die kisten leeggepompt, zodat het schip anderhalve meter wordt opgetild. Dat is voldoende om naar de haven te zeilen.”

Dat we zo weinig weten over het dagelijks leven op Pampus, met name als er tijdens WO I op Pampus militairen zijn gelegerd, komt omdat het fort militair geheim is. “Ik heb wel eens met dienstplichtigen gesproken die hier in de Eerste Wereldoorlog hebben gezeten. Ze vertelden alles over het eiland, maar vroeg je wat over het fort, dan hielden ze hun kaken stijf op elkaar. Dat was geheim. En dan kon ik wel zeggen: ja, maar dit en dat weten we al, maar dat haalde niets uit.”

Pampus, toen er nog échte winters waren Foto: Stichting Pampus
Pampus, toen er nog échte winters waren. Foto: Stichting Pampus.

Basaltblokken
Wat we wél weten, dankzij oude foto’s, is hoe Pampus er in de winter uitzag, toen er nog échte winters waren. Het ijs lag opgetast op de ring van basaltblokken, die als een verdedigingswal rondom het eiland ligt. De bedoeling was dat vijandelijke boten er in vast zouden lopen. En ieder jaar is er nog wel een pleziervaarder die niet goed op de waterkaart kijkt en met zijn bootje op de basaltblokken knalt.

Maar dat was niet de enige functie van de basaltring. De blokken moesten ook voorkomen dat het ijs aan land kwam. Eén van de fortwachters heeft nog op het punt gestaan om de ijsblokken, die op het eiland dreigden te schuiven, met dynamiet op te blazen. Gelukkig draait de wind en schuift het ijs weer de andere kant op.

Aangezien Nederland in WO I neutraal is, is het geschut alleen gebruikt om er mee te oefenen, zo vertelt Claesen verder. “Toen ze in Almere Poort gingen uitbreiden, hebben ze daar granaten gevonden die van Pampus afkomstig waren. Toen ik daarover in de krant las, zei ik: nou is het genoeg, ik wil ik ook wel zo’n granaat hebben. We konden zo’n ding namelijk nooit  laten zien. Uiteindelijk hebben we van de Explosieven Opruimings Dienst twee granaten gekregen die op Pampus zijn gebruikt. Die dingen zijn 86 cm lang en ze wegen 216 kilo. Die kun je hier dus rustig laten liggen, niemand die ze meeneemt.”

Of het in de winter eenzaam moet zijn geweest op Pampus, zoals altijd wordt gedacht, kan Claesen niet zeggen. “We weten alleen dat de gezinnen die hier woonden niet hélemaal geïsoleerd waren. Elke ochtend werden de kinderen met een bootje opgehaald om in Muiden naar school te gaan. Ze kregen een briefje mee, zodat ze na afloop boodschappen konden doen.” Oh ja, het stenen huis waar Harm en zijn ouders hebben gewoond is er niet meer. Dat is meteen afgebroken toen het leger het fort in juli 1933 opgaf.

Harm neemt een bad. Foto: Stichting Pampus
Harm neemt een bad. Foto: Stichting Pampus.

De eerste boten
En dan wordt het 1986. Zeven Muidenaren, waaronder de toenmalige burgemeester, richten een stichting op om Pampus op te knappen, want dat is dan nog één grote puinbak, vertelt Tom van Nouhuys, directeur van de stichting Pampus. In 1990 krijgt de stichting het forteiland in bezit en al vrij snel daarna brengen de eerste boten nieuwsgierige bezoekers naar Pampus.

Nouhuys: “Ze zijn eerst begonnen het puin uit het fort te halen. Defensie heeft daar nog aan meegeholpen, met vrachtwagens en pontons.” Dat puin komt voor rekening van de Duitse bezetter, die In de Tweede Wereldoorlog op Pampus zit. De Duitsers gebruiken het forteiland als afluisterpost om geallieerde bommenwerpers  in een vroeg stadium op te sporen. Maar de vijandelijke vliegtuigen vliegen helemaal niet over Pampus, dus na een jaar stoppen ze daar weer mee. En krijgen de Duitsers uit Berlijn de opdracht om het staal dat in het geschut is verwerkt los te wrikken. “Maar dat kun je natuurlijk niet lekker losschroeven, vandaar dat ze de fundering met springstof hebben opgeblazen.”

Naar verluid is daar  1500 kg springstof voor gebruikt. “Dat staal is dus weer naar Duitsland teruggaan, naar de Duitse firma Krupp die het notabene aan het Nederlandse leger heeft geleverd.” De Duitsers laten ingestorte muren en bergen met puin achter.

Om Pampus weer toonbaar te maken moet dat puin eerst opgeruimd. Later zullen de twee gaten voor het geschut  weer met een koepel worden overdekt. “Die koepels zijn weliswaar van hout, maar ze ogen als het stalen geschut dat hier ooit heeft gestaan. Verder is het fort, dat in 1895 is gebouwd, weer netjes aangesmeerd en gladgestreken, zodat het weer waterdicht is.”

En dan is het tijd om ons weer bij Harm Alberts te voegen, die door een energieke jonge reporter wordt ondervraagd. Ze probeert het nog maar een keer. “Dit is waarschijnlijk de laatste keer dat u Pampus bezoekt. Dat moet u toch wat doen?” Nee, dat doet hem niets. Nou ja, één indruk wil hij nog wel met de verzamelde pers delen:  “Ik wist niet dat ik als een popster zou worden ontvangen; al die camera’s.

Wie Pampus wil bezoeken, kan dat vanuit Muiden doen, waar de meeste boten vertrekken. Ook kun je vanuit Amsterdam IJburg en Almere naar Pampus varen. Zie www.pampus.nl.

Auteur: Arnoud van Soest

Written by:

Other posts by

Oneindig Noord-Holland maakt verborgen verhalen zichtbaar samen met:

Bekijk het gehele partneroverzicht