Droogmakerijen maakten einde aan de oprukkende verwoesting van het water

Hoewel ontdekkingsreizen, en dan met name die in de zestiende en zeventiende eeuw, zeer tot de verbeelding spreken, zijn de droogmakerijen uit die tijd minstens zo spectaculair.

De droogmakerijen in de zestiende en zeventiende eeuw zijn minstens zo spectaculair, omdat ze het Noord-Hollandse landschap ingrijpend hebben veranderd. Aanvankelijk gingen we naar het Westfries Archief omdat we benieuwd waren naar spannende verhalen over onbevreesde ontdekkingsreizigers, maar adjunct-directeur Jan de Bruin wist ons er van te overtuigen dat het verhaal achter de droogmakerijen minstens zo boeiend is. “Ik denk dat het moeilijk is om je voor te stellen hoe Noord-Holland er in de zeventiende eeuw bij lag, dus voordat de droogmakerijen plaatsvonden,” zo legt hij uit. “Het was een buitengewoon desolaat gebied, met ontzettend veel water.” Hij pakt er de computer bij om twee kaarten te laten zien, één uit 800 en één van 500 jaar later. In 800 bestaat het grootste deel van Noord-Holland nog uit land, 500 jaar later is daar weinig meer van over. “Het ging natuurlijk geleidelijk aan, maar in pakweg vijf eeuwen tijd is zo’n zestig procent van het land verloren gegaan.” Het drassige veenland was weggezakt en had voor water plaatsgemaakt. Het was een ware milieuramp.

Kaart van enkele droogmakerijen in Noord-Holland

Kaart van enkele droogmakerijen in Noord-Holland. Op deze kaart is een aantal droogmakerijen in Noord-Holland afgebeeld. De Zijpe werd in 1597 drooggelegd, de Beemster in 1612, de Purmer in 1622 en de Wormer in 1626. De inzet van Waterland toont nog enkele kleinere drooggelegde meren. Beeld: Het Zuiderzeemuseum

Een drastische verandering

“De meren werden alsmaar groter, omdat ze steeds meer land opslokten,” vertelt De Bruin. “In de middeleeuwen lag het land meters hoger en hadden ze helemaal geen dijken en watermolens nodig.” Maar dat zou in de loop der eeuwen drastisch veranderen. Het Noord-Hollandse landschap was oorspronkelijk een veenlandschap, dat voor 90% uit water bestond.Toen mensen er gingen wonen en slootjes groeven, kon dat water vrijelijk wegstromen en héél langzaam – we hebben hier over eeuwen – daalde de bodem. Om droge voeten te houden, en het land te kunnen blijven gebruiken, verschijnen rond 1500 overal watermolens. “Vervolgens komen ze op het idee: als we de boel droog kunnen houden, waarom zouden we de meren dan ook niet droogmalen.” In West-Friesland gebeurt dat bijvoorbeeld met de Wogmeer, de Baasdorpermeer en de Berkmeer.

Het Hollands Noorderkwartier in de vroege Middeleeuwen

Het Hollands Noorderkwartier in de vroege Middeleeuwen

De Beemster

Van de grote binnenmeren in Noord-Holland die werden drooggemalen is de Beemster misschien wel het bekendste voorbeeld. En hoewel het gebied niet in West-Friesland ligt, heeft de Beemster er wel een nauwe relatie mee. “Dirck van Os uit Amsterdam was grootaandeelhouder in de VOC, maar hij stopte ook veel van zijn geld in het droogmaken van de Beemster.” En aangezien de stad Hoorn van mening was dat een groot deel van de Beemster onder hun rechtspraak viel, waren ze er als de kippen bij om duidelijk te maken dat het hun grondgebied was. “We hebben hier in het Westfries Archief een prachtige kaart uit 1612. In die tijd was de Beemster nét droog is en stuurde Hoorn soldaten de polder in om grenspalen te slaan.”
Dat waren dus de daden, die volgden op de dromen van de particuliere investeerders die hun geld vaak in de handel hadden verdiend, zowel in de handel op de Oostzee als in de handel van de VOC, en die dat geld vervolgens in de droogmakerijen staken.

Hetzelfde Hollands Noorderkwartier, maar dan rond 1350, laat zien hoe het water oprukte

Hetzelfde Hollands Noorderkwartier, maar dan rond 1350, laat zien hoe het water oprukte.

De halve wereld

Die handel kwam in de zestiende en zeventiende eeuw pas goed op gang, want mensen begonnen te beseften dat de wereld groter was dan hun eigen woongebied. Rond die tijd begint de scheepvaart zich pas goed te ontwikkelen. “Aan de hand van kaarten wisten ze dat er andere landen waren. Zelfs in Westfriese plaatsjes met maar 400-500 inwoners, woonden mensen die de halve wereld al hadden gezien.” Veel agrariërs verdienden hun brood namelijk ook op zee. “De handel, met name op de Oostzee, is min of meer uit noodzaak ontstaan. Op een gegeven moment werd het steeds moeilijker om akkerbouw en veeteelt te bedrijven, omdat de grond steeds drassiger werd. Voor graan en hout, om huizen mee te bouwen, moesten ze dus wel de boer op. En als je dan toch een schip hebt, kun je net zo goed doorvaren naar het Middenlandse Zeegebied om handelswaar op te halen. Zo ontstaat er een handelsvloot.” Eén van de mensen die op zee actief is, is Jan May uit Schellinkhout, dat vlakbij Hoorn ligt. “In die tijd werkt de mannelijke bevolking een deel van het jaar op het land en een de deel van het jaar zitten ze op zee. Ze zijn niet alleen in dienst, maar ze varen ook als schipper, want er werd veel in rederijen geïnvesteerd.” Een andere Westfries die naam maakte was Dirck Gerritsz. Pomp, die een héél avontuurlijk leven leidde. Als 11-jarig jongetje trok hij naar Lissabon en toen hij twee keer zo oud was voer hij als kanonnier op een Portugees schip. Op zijn reizen kwam hij twee maal in China terecht. Vandaar zijn bijnaam: Dirck China. In een beschrijving van dat land, die in de Tresoor der Zeevaart (1592) terecht zou komen, merkt hij op dat de Chinezen hun nagels net zo lang laten groeien als maar mogelijk is, omdat ze geen geweren mogen dragen. Een gewoonte die helaas alleen tot China beperkt is gebleven.

Auteur: Arnoud van Soest

Jan de Bruin

Jan de Bruin. Beeld: Arnoud van Soest

Publicatiedatum: 30/09/2015

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.