Oneindig Noord-HollandBeleef de geschiedenis van jouw provincie

Gijsbrecht terug in zijn Amstelstad

In 1968 kwam een eind aan een nieuwjaarstraditie van 331 jaar: de opvoering van Vondels Gijsbrecht van Amstel in de Stadsschouwburg. Hoe kwam dit gebruik tot stand? En hoe liep het ooit stuk?

Eigenlijk klopte er niets van. Eeuwenlang schreef de traditie voor dat Gijsbrecht van Amstel* jaarlijks in première zou gaan op Nieuwjaarsdag. Maar in werkelijkheid schreef Joost van den Vondel zijn treurspel voor een opvoering met Kerstmis. “O Kerstnacht, schooner dan de daghen”, liet hij de Rey van Klaerissen niet voor niets declameren. De kerkenraad tekende echter protest aan. En die had destijds een belangrijke stem in de programmering van de door Jacob van Campen gebouwde stenen schouwburg aan de Keizersgracht. De leden hadden gehoord dat er een klooster in het stuk voorkwam – en dat soort “superstitiën van de paperije”, zoals het geloof der roomsen werd genoemd, leek deze calvinistische hoogwaardigheidsbekleders een ontheiliging van de Kerstnacht.

De vroede vaderen van de stad kwamen daarop met een compromis: Gijsbrecht werd niet verboden, maar wel uitgesteld. Zo vond de eerste voorstelling uiteindelijk plaats op een heel wat minder beladen datum: zondag 3 januari 1638. Waarna de premières in de loop der eeuwen nog wel twee dagen naar voren schoven, maar nooit meer aan Kerstmis werden gekoppeld.

De gerenommeerde acteur en toneelleider Albert van Dalsum had zodoende groot gelijk toen hij er in 1949 de spot mee dreef: “Het is wel kenmerkend voor ons land, dat zijn enige grote toneeltraditie berust op een misverstand en dat men dat rustig van jaar tot jaar zo gelaten heeft, tot de dag van vandaag.” Maar Van Dalsum, die zelf menigmaal de Gijsbrechtrol speelde, heeft er niets aan kunnen veranderen. Nog twee decennia lang bleef het stuk onverbrekelijk verbonden aan Nieuwjaarsdag. En toen de fameuze finaletekst “Vaerwel mijn Aemstelstad, verwacht een and’ren Heer” op 1 januari 1969 voor het eerst niet meer opklonk, kon het Nederlandse toneel terugkijken op een traditie die niet minder dan 331 jaar lang had stand gehouden.

Gysbreght van Aemstel. Tooneeldecoratie-ontwerpen van H.P. Berlage.

Boertige bijverschijnselen

Wél was er in de tussenliggende eeuwen veel veranderd. Om te beginnen werd de oerpremière ’s middags gespeeld, opdat de handeling door daglicht kon worden beschenen. Een nog groter verschil vormde wellicht het gedrag van het publiek. Recensies bestonden er in 1638 nog niet, maar in zijn studie Drie eeuwen ‘Gijsbreght van Aemstel’** schreef toneelhistoricus Ben Albach dat de schouwburgbezoekers in die tijd onbekommerd zaten te eten, te drinken, te roken, te schreeuwen en te vrijen, “het laatste zelfs zo openlijk dat al spoedig de gordijnen voor de loges zedelijkheidshalve moesten worden weggenomen!” En de acteurs waren volgens Albach niet veel beter: “Het zullen ongetwijfeld ruwe kerels zijn geweest, die Vondels drama ten doop hielden. Zij traden niet zelden dronken op en maakten ook wel eens scabreuze grappen.” Kerels, inderdaad, want ook de vrouwenrollen – inclusief die van Badeloch, de door het lot zo zwaar getroffen vrouw van Gijsbrecht – werden toen nog door mannen gespeeld. De eerste vrouwelijke Badeloch was Ariana Nozeman in 1656.

Dat de voorstelling ondanks al die boertige bijverschijnselen een diepe indruk maakte, laat zich lastig indenken. Toch is het zo. Het stuk werd tot half februari dertien keer voor stampvolle zalen vertoond. Ook het voltallige gemeentebestuur kwam kijken. Daarna vonden er echter drie jaar lang geen heropvoeringen plaats, mede onder druk van de kerkenraad die van mening bleef dat Vondel te veel roomse elementen in zijn tekst had verwerkt. Pas in 1642 keerde de Gijsbrecht terug in de schouwburg, opnieuw met groot succes. Iedereen die iets in de stad wilde betekenen, verklaarde zich aan de Gijsbrechtfiguur verwant. Albach wijst op de inscriptie “Gijsb.” waarmee Rembrandt in datzelfde jaar op zijn Nachtwacht de ringkraag van de ijdele koopman-luitenant Willem van Ruytenburch sierde: “De schutters beschouwden zich immers als Gijsbreghts afstammelingen!” Rembrandt tekende trouwens ook allerlei scènes voor en achter de schermen tijdens een opvoering. Het schouwspel moet ook op hem een grote aantrekkingskracht hebben gehad.

Opvoering van de Gijsbrecht van Aemstel in schouwburg te Amsterdam, ca. 1810-1813, anoniem, 1824 – 1825. Rijksmuseum. ​​​​​Nooit was er sindsdien meer een Nieuwjaarsdag zonder Gijsbrecht van Amstel. Zelfs niet op de vrieskoude middag van 1 januari 1945. Hoewel de Stadsschouwburg aan het Leidseplein al twee maanden niet meer werd bespeeld wegens het gebrek aan verlichting en verwarming, moest er toch een voorstelling komen – onder druk van de toenmalige burgemeester Voûte, die de traditie niet verbroken wilde zien. De acteurs van het Gemeentelijk Theaterbedrijf moesten aantreden bij een temperatuur van vier graden, want zo’n dringend verzoek van een pro-Duitse burgemeester stond gelijk aan een bevel. Alle kaartjes waren binnen enkele uren verkocht. En er klonk een demonstratief applausje bij de woorden: “De liefde tot zijn land is ieder aangeboren.” Ook de recensent van De Telegraaf wees op de actualiteit van Vondels woorden, “nu zo veel zekerheden van weleer zijn weggevallen rondom ons, nu ook wij niet weten wat de nabije toekomst ons en onze stad zal brengen.” Dat moet in die laatste bezettingsdagen, toen er in de kranten alleen eufemistisch mocht worden verwezen naar “de tijdsomstandigheden”, een gewaagde opmerking zijn geweest. Sinaasappelschillen Zo leek het stuk alle woelingen van alle tijden te overleven. Even leek het er zelfs op dat de Gijsbrechttraditie ook zou overslaan naar de televisie. Twee keer (in 1954 en 1955) vertoonde de VPRO een rechtstreekse registratie van de opvoering in de Stadsschouwburg. “Zij heeft voor aandachtige tv-kijkers in de huiskamer en andere particuliere ruimten stellig diepe indruk gemaakt en hen opnieuw in de ban van het wonder der tv gevoerd”, oordeelde de als radioredacteur aangeduide criticus van het Algemeen Handelsblad.

De traditie ontstaat

Niettemin was de opvoeringsgeschiedenis in de 17de en de 18de eeuw nog tamelijk grillig. Voor scherpslijpers zou er zodoende alle reden zijn de start van de traditie minstens een eeuw later te dateren. Soms werd het stuk enkele jaren achtereen gespeeld, dan weer een poosje niet. Dat had onder meer te maken met verbouwingswerkzaamheden aan de schouwburg, die al spoedig te klein en te krap werd om ruimte te bieden aan de nieuwste theatertechnieken van dat moment. Uiteindelijk brandde het gebouw in 1772 geheel af. Pas toen er twee jaar later een gloednieuwe schouwburg openging aan het Leidseplein, was de Gijsbrechttraditie eindelijk een feit.

Voortaan ging er geen jaar meer voorbij of de tragedie werd opgevoerd. Het stuk groeide mee met alle toneelstijlen. Het begon “ruw en levendig”, aldus Albach, waarna de speelstijl in de 18de eeuw “statig en retorisch” werd. Daarna bleek het even bruikbaar te zijn voor de romantische bewieroking van de grote helden uit de vaderlandse geschiedenis, die in de 19de eeuw hevig in de mode was, als voor de bombast van het Frans getinte melodrama van enkele decennia later. En vervolgens verdroeg het ook de veel strakkere opvattingen van moderne regisseurs als Willem Royaards, Eduard Verkade en Albert van Dalsum in de 20ste eeuw.

Maar in de jaren zestig van de 20ste eeuw ging het toch nog mis. De eerste onheilsberichten dateren uit januari 1967, toen de Nederlandse Comedie – die als vaste schouwburgbespeler de Gijsbrechttraditie op zich had genomen – een matineevoorstelling in Rotterdam voortijdig beëindigde. Het doek viel tijdens het vijfde bedrijf, toen er luid werd gelachen om de sterfscène van Gijsbrechts broer Arent en de wijze waarop enkele onervaren figuranten daarna het lijk met enig gestruikel van het toneel droegen. Voorts werd er gefloten en met sinaasappelschillen geworpen, aldus het verslag van een leraar Nederlands die met zijn leerlingen aanwezig was in de Rotterdamse Schouwburg.

Jongeren zijn nu eenmaal “directer, eerlijker” dan volwassenen, meldde deze docent in een brief aan de Nederlandse Comedie, waarin hij de toneelspelers de schuld gaf: “De acteurs en actrices, een enkeling uitgezonderd, raffelden hun alexandrijnen af alsof ze voor de avondvoorstelling nog in Amsterdam wilden zijn.” In een commentaar tekende het Algemeen Handelsblad daarbij aan dat het gezelschap blijkbaar weinig vreugde meer beleefde aan Vondels treurspel: “De ware liefde tot dit stuk is onze tonelisten kennelijk niet algemeen aangeboren. In elk geval is er de laatste jaren niet gestreefd naar een modeluitvoering.”

Felle discussies volgden. Maar in januari 1968 kwam er toch nog een Gijsbrecht, die achteraf de laatste in de lange reeks bleek te zijn geweest. In het voorjaar kondigde Guus Oster, directeur van de Nederlandse Comedie, aan dat zijn gezelschap bij de eerstvolgende jaarwisseling iets anders wilde. Ter herdenking van de 350ste sterfdag van de schrijver Brederode zou diens De Spaanse Brabander worden gespeeld.

Gijsbrecht van Aemstel in nieuwe stijl, in 1966. Thomasvaer (Wim van der Brink) en Pieternel (Nel Koppen) op een provo-fiets. Nationaal Archief/ANEFO.

Zwarte Gijsbrecht

En dat was dat. De aanleiding leek ietwat vergezocht, maar verder lagen er maar weinigen van wakker. De reguliere toneelsector stond in die tijd dermate onder druk (de Aktie Tomaat volgde eind 1969) dat het beëindigen van de Gijsbrechttraditie er ook nog wel bij kon. De gemeente liet weten akkoord te gaan, hoewel het gezelschap formeel helemaal geen gemeentelijke toestemming nodig had voor deze programmawijziging. Het stadhuis had nu eenmaal niets te zeggen over de keus van het repertoire.

Het enige protest kwam van Carel Briels, vooral bekend als regisseur van massaspektakels op vaderlandslievende grondslag en in de tv-geschiedenis berucht als de man die Willem Duys ertoe verleidde in zijn programma Voor de vuist weg in het Wilhelmus uit te barsten. Met particulier geld en een groep van amateur- en beroepsacteurs ensceneerde Briels in 1974 in de Westerkerk zijn eigen Gijsbrecht van Amstel in traditionele trant. Na afloop verzamelden de genodigden zich in de Wintertuin van hotel Krasnapolsky, waar eerder op de avond ook al een Gijsbrechtsouper was opgediend voor hen die de voorstelling moesten missen.

Zo is het stuk nog wel vaker opgevoerd, ook in de Stadsschouwburg. Het Publiekstheater, de opvolger van de Nederlandse Comedie, kwam al in 1975 met een nieuwe versie. Dertien jaar later volgde een productie van het Nationale Toneel uit Den Haag, in een veelgeprezen regie van de Vondelfanaat Hans Croiset. Opvallend was ook de versie die regisseur Margrith Vrenegoor in 1995 maakte, bij het honderdjarig bestaan van de Stadsschouwburg. Met een zwarte Gijsbrecht (Theo Fransz) en een Surinaams meisje dat het verhaal van de bode over de ondergang van de stad zong in het Servo-Kroatisch. “Huidskleur vormt voor mij geen enkel motief”, zei Vrenegoor destijds in NRC Handelsblad. “Ik ben meer geïnteresseerd in de strategie die iemand volgt om te overleven.”

Sigrid Koetse als Badeloch en Johan Schmitz als Gijsbrecht, in 1981. Nationaal Archief.

Klassieke passages

Hoewel menigeen intussen heeft beweerd dat Joost van den Vondel wel een groot dichter was, maar geen groot toneelschrijver, kunnen de toneelmakers zijn Gijsbrecht toch niet loslaten. Al was het maar vanwege de talloze klassiek geworden passages. Niet alleen de eerder genoemde ode aan de Kerstnacht en het vaarwel aan de Amstelstad zijn diep verankerd in het Nederlands taalgebruik, maar ook allerlei andere teksten. “Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange leste / erbarremt over my en myn benauwde veste”, bijvoorbeeld. Of: “Nu stelt het puik van soete keelen / om daar gezangen op te speelen.” En het onvergetelijke: “Waer werd oprechter trouw / dan tusschen man en vrouw / ter wereld oit gevonden?” Ben Albach schreef het al, ietwat verheven, maar niet minder waar: “Ongetwijfeld zal nog vele eeuwen lang Gijsbreght van Aemstel als een der schoonste uitingen van de Nederlandse Taal over de planken blijven klinken.”

Auteur: Henk van Gelder , Ons Amsterdam

Publicatiedatum: 01/01/2026

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.