Dracht op hoogtijdagen

Maki Zeeman (1940) woont met haar man in een huisje op Marken, dat al een eeuw in de familie is. Vroeger stelde haar moeder het huisje open voor toeristen, gewoon om wat bij te verdienen.

Maki Zeeman: “Ik heet eigenlijk Maritje, maar omdat ik zo’n kleine opdonder was, noemde iedereen me Maki. Mijn ouders hadden een groot gezin. Zeven jongens, drie meiden. De mannen, op één na, in dracht. De meisjes ook. Ik heb de Marker dracht tot mijn zestigste gedragen, maar nu alleen nog met Pasen, Kerst en Koninginnedag. En mijn kinderen dragen het helemaal niet meer. Je loopt zo in de kijker, vinden ze.”

Maki Zeeman. Beeld: Wim Egas.

Armoede

“Het waren barre tijden, vroeger op het eiland. Iedereen was arm. Vader zat steeds op zee. Moeder regelde alles; de vrouwen hebben de broek aan op Marken. Streng was moeder niet, al had ze wel ‘de wind eronder’. Ze had een spreuk: ‘Doe wat je wilt, gekletst wordt er toch’. We hebben allemaal di trots.”

Toeristen

“Mijn moeder Ale en mijn tantes Jannetje en Sijtje Boes openden hun huis voor toeristen. Dat kwam door een Volendammer, die hier op Marken vaak met toeristen kwam. Hij zei: ‘Ale, je moet je huisje openstellen, dat vinden ze leuk. Daar verdien je veel meer mee dan met die souvenirtjes.’ Mijn moeder verkocht niks aan huis. Het was alleen kijken. En de bijdrage was vrijwillig. Je was blij met een dubbeltje, en als je een kwartje kreeg was het veel. We hebben er aardig aan verdiend.”

Publicatiedatum: 30/12/2010