De Twistappel: strijd in het stadhuis

Karel Appel was niet altijd de gevierde kunstenaar die hij nu is. Een muurschildering in het Amsterdamse stadhuis leverde hem een berg kritiek op.

Op weg naar Denemarken wordt de Amsterdammer Karel Appel (1921-2006) getroffen door de armoede van het naoorlogse Duitsland. Op treinstations ziet hij hongerige kinderen bedelen om voedsel. De aanblik van de haveloze kinderen die hem aanstaren, laat hem niet los. Het wordt een terugkerend onderwerp in de beelden en schilderijen die hij aan het einde van de jaren veertig maakt. Appel is in 1948 een van de initiatiefnemers van de kunstenaarsgroep Cobra.

Karel Appel, Vragende Kinderen, 1949. Via Amsterdam Museum.

Kinderen als thema

Om aandacht te vragen voor de erbarmelijke situatie in Duitsland, maakt hij de bedelende kinderen in 1949 meerdere malen tot onderwerp van zijn kunst. Als kleurrijke, zwartomrande vormen vinden ze hun weg naar het opvallende schilderij ‘Vragende kinderen’ uit 1949, dat bijzonder veel weg heeft van een expressieve kindertekening.

Een tweede kunstwerk, een beschilderd houten paneel met driedimensionale houten details, toont de vragende kindergezichten in allerlei vierkante formaten – maar allen met dezelfde holle, ronde ogen. Tot slot maakt Appel de kinderen ook tot onderwerp van een muurschildering in het voormalige Amsterdamse Stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal – tot groot ongenoegen van zowel ambtenaren als pers.

Koffiekamer in het stadhuis met de Vragende Kinderen uit 1959.

De Twistappel

Appel, die na zijn studie aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam de weg inslaat van het spontane expressionisme, krijgt aan het begin van 1949 de opdracht een muurschildering te maken in de kantine van het Prinsenhof, waar destijds het Stadhuis van Amsterdam gevestigd is. Op 14 maart is het werk voltooid: een sobere compositie bestaande uit verschillende kleurvlakken, omlijnd met dikke zwarte strepen. Vier figuren hebben zwarte stippen als ogen gekregen, hierdoor is het duidelijk dat het om kinderen gaat.

Hoewel goedgekeurd door de gemeentelijke commissie wandschilderingen, schiet de voorstelling bij de ambtenaren aan hun middagboterham in het verkeerde keelgat. Niet alleen zijn ze niet gediend van Appels moderne, primitieve manier van schilderen, het staat ze bovenal tegen om dagelijks herinnerd te worden aan het leed dat de Tweede Wereldoorlog heeft veroorzaakt. Ook de pers spreekt er schande van.

Nog hetzelfde jaar wordt het werk afgedekt met een voorzetwand. Pas als het stadhuis in 1988 verhuist naar de Stopera aan het Waterlooplein, komt de schildering weer tevoorschijn. Het is tegenwoordig een publiekstrekker in de brasserie van Sofitel Hotel The Grand, dat Appels schildering in oude glorie heeft laten herstellen.

Cobra tijdens de tentoonstelling Made in Amsterdam in het Amsterdam Museum. Via Amsterdam Museum.

Kritiek op Cobra

Tijdgenoten van Appel  zijn vaker kritisch op zijn werk. Willem Sandberg (1897-1984), directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum, is destijds een van de weinigen die Appels stijl en originaliteit op waarde weet te schatten. Als Sandberg in november 1949 een tentoonstelling gewijd aan Cobra-kunst organiseert, mondt dit uit in een enorm schandaal. Bezoekers nemen aanstoot aan de spontane, naïeve expressiviteit waarmee de werken van Cobra-kunstenaars tot stand zijn gekomen.

Appel heeft een jaar eerder samen met Corneille  het initiatief genomen tot de oprichting van kunstenaarsgroep Cobra (Kopenhagen, Brussel en Amsterdam, verwijzend naar de steden waar de kunstenaars vandaan komen). Later hebben ook de kunstenaars Constant, Asger Jorn, Theo Wolvecamp, Anton Rooskens, Jan Nieuwenhuys en Eugène Brands zich bij hen aangesloten, met als doel een nieuwe primitivistische beeldtaal te ontwikkelen. De Cobra-kunstenaars laten zich inspireren door ‘primitieve’ kunst uit Afrika en Oceanië, kindertekeningen en outsider art, die ze als onbelemmerde expressie van het onbewuste zien. Appel merkt zelf op over de spontaniteit waarmee zijn werken tot stand komen: ‘Ik rotzooi maar wat aan’.

Pas aan het begin van de jaren zestig begint men in te zien dat de ideeën van de Cobra-groep, die van 1948 tot 1951 bestaan heeft, grote impact hebben gehad op de ontwikkeling van de moderne kunst. Werken van de Cobra-kunstenaars worden door veel musea en particuliere verzamelaars in Europa aangekocht. Grote Cobra-collecties in Nederland bevinden zich onder meer in het Cobra Museum te Amstelveen en het Stedelijk Museum te Amsterdam.

De Cobra-tentoonstelling in het Stedelijk Museum is de laatste kunstzinnige mijlpaal die de Amsterdamse Appel in zijn geboortestad meemaakt. In 1950 vestigt hij zich in Parijs, waar de kunstwereld destijds een stuk ontvankelijker tegenover zijn artistieke experimenten staat.

Dit verhaal is eerder verschenen op de website van het Amsterdam Museum.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries