Een bedrijvige buitenplaats: kamferindustrie in Heemstede

Buitenplaats Leeuw en Hooft in Heemstede was in de 18de eeuw in gebruik als kamferstokerij. Een slimme zet van een Amsterdams koopmansechtpaar, in een tijd dat een 'buiten' toch vooral een statusobject was.

Tijdens de Gouden Eeuw kochten veel rijke Amsterdamse burgers een buitenplaats om in de zomer te verblijven. Hier konden ze de stank en drukte van de stad ontlopen, om te genieten van de rust en de natuur. Een ‘buiten’ werkte niet alleen statusverhogend, het was ook een beleggingsobject. Eén bijzondere Amsterdamse koopmansfamilie wist het aangename echter wel héél slim met het zakelijke te verenigen, door op hun buitenplaats in Heemstede een kamferstokerij te vestigen.

P.J.C. Gabriel, Huis Leeuw en Hooft te Heemstede, 1851. Via Amsterdam Museum.

Kamferindustrie

Kamfer werd destijds gewonnen uit kamferbomen op Borneo. Het hout en de bladeren werden ter plaatse uitgekookt en tot korreltjes gevormd, waarna ze door de Verenigde Oost-Indische Compagnie naar Europa vervoerd konden worden. In Europese kamferstokerijen werden de kamferkorreltjes opnieuw gedestilleerd tot witte, kristalachtige brokjes. Van de gezuiverde brokjes kamfer konden producten als kamferolie en kamferspiritus gemaakt worden, die populair waren als geneesmiddel tegen koorts en pijn. Ook mottenballen werden van kamfer gemaakt.

Dergelijke chemische industrie werd vanwege vervuiling en brandgevaar geweerd uit Amsterdam. Kamferraffinaderijen en andere trafieknijverheid waren alleen toegestaan aan de randen van de stad of op het omringende platteland. Een bij uitstek handige locatie vormde het Crayenest, een buurtschap in Heemstede, die over het water in directe verbinding stond met Amsterdam. Grondstoffen zoals turf konden zo gemakkelijk aangevoerd worden.

Petrus Josephus Lutgers, Buitenplaats Leeuw en Hooft, 1840. Collectie Gemeente Heemstede, Noord-Hollands Archief.

Koopman Diederick Smith

Toen koopman Diederick Smith (1690-1761) en zijn vrouw Johanna Capelle (1698-1774) een kamferstokerij op deze locatie begonnen, was dat dus een weloverwogen beslissing. Bijzonder was echter dat ze daarvoor hun eigen buitenplaats ter beschikking stelden. Op 2 februari 1744 kocht het Amsterdamse echtpaar de buitenplaats Leeuw en Hooft op het Crayenest aan. Na verkoop van een andere buitenplaats in 1751 werd Leeuw en Hooft waarschijnlijk hun vaste zomerverblijf.

Rond die tijd startte het echtpaar waarschijnlijk ook de kamferstokerij op het landgoed, want de eerste vermelding dateert uit 1752. Twee jaar later diende Smith een verzoek aan het Hoogheemraadschap Rijnland in om een riool te mogen aanleggen, bedoeld om afvalwater te lozen in de Crayenestervaart. De kamferstokerij is zo’n twee decennia lang in bedrijf geweest. Na de dood van Diederick Smith in 1761 heeft de 63-jarige Johanna het bedrijf waarschijnlijk met behulp van haar drie schoonzoons voortgezet.

Sara Troost, Portret van Johanna Capelle, 1762. Collectie Amsterdam Museum, TA 40403.

Een jaar na het overlijden van haar man liet zij een portret van zichzelf vervaardigen door (pastel)tekenares Sara Troost (1732-1803), dat zich tegenwoordig in de collectie van het Amsterdam Museum bevindt. Op het portret kijkt ze geconcentreerd op van haar boek, alsof de toeschouwer haar zojuist gestoord heeft tijdens haar werk. Ze heeft zich laten afbeelden als een zelfbewuste, belezen vrouw. Zou ze zich zo gevoeld hebben, als hoofd van de de handelsfirma Wed. D. Smith en Zn.? Met haar sterke, onafhankelijke uitstraling kan men zich in ieder geval goed voorstellen dat Johanna Capelle een voorbeeld moet zijn geweest voor vrouwen uit haar tijd.

Meer lezen?

Anja Kroon, ‘Een kamferstokerij op het Crayenest’, HeerlijkHeden nr. 172, voorjaar 2017, pag. 12-17.

Dit verhaal is eerder verschenen op de website van het Amsterdam Museum.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries