De scheepsramp met de blazer HD 75 op 12 juni 1941

Het was een prachtige zomerdag, de 12e juni 1941. Een dag om naar het strand te gaan. En dat deden ze dan ook, de vrouwen van de familie Koorn. Omstreeks drie uur in de middag was er plotseling een enorme knal uit zee. Een mijn die ontplofte? Het was opeens niet leuk meer op het strand, men ging liever naar huis…

Kaart van Den Helder

Kaart van Den Helder Beeld: Wikimedia Commons

Begin van het verhaal

“De inval van de Duitse troepen kwam totaal onverwachts. De kustvissersvloot was normaal op 6 mei 1940 uitgevaren. Het was die week prachtig weer om te vissen. De vissers hadden hun angst voor mijnen enigszins overwonnen. Men moest ook wel, de verdiensten kwamen niet uit zichzelf de deur binnen. Ook waren de visprijzen beter dan enige weken daarvoor. Het leek er zelfs op of de crisissituatie aan het afnemen was…”

Zo begint het verhaal over de Tweede Wereldoorlog (1940-’45) in het gedenkboek van de Nederlandse Vissersbond (1934-1994). En er wordt nog aan toegevoegd: “De Tweede Wereldoorlog heeft veel ellende veroorzaakt. Er is veel schade aan de bedrijven toegebracht. Toch zijn er ook veel schulden, die door de crisistijd bij de bedrijven waren ontstaan, in de oorlog afgelost.” De laatste zin wordt niet toegelicht, maar duidelijk is dat zeker naarmate de oorlog vorderde er voor de vis gigantische prijzen betaald werden.

Botvisserij

Natuurlijk moest je dan wel de mogelijkheid hebben om te vissen. “Het enige lichtpunt”, aldus de Helderse Courant van vrijdag 24 mei 1940, “is de botvisserij op het Balgzand (Zuidwal). Het is hier dat verscheidene Helderse vaartuigen nog hun geluk mogen beproeven.” In het najaar wordt er gedurende een week of zes gigantische veel sardien gevangen op het Marsdiep. “’t Is een pracht gezicht zoals die botters daar in span varen, twee aan twee voor de wind. We hebben er ook nog gezien die een zeiltje op de vlet gezet hadden. Tegen twee uur komen de botters binnen, dan gaat de grote partij naar de Binnenhaven. In de loop van de morgen zijn al enkele vletten begonnen met lossen. De verse vissen glinsteren in manden en glijden glanzend in de kisten, gereed om te worden verzonden. De kisten stapelen zich op aan de steigers. Maar eerst zullen ze worden afgeslagen aan de overzijde in een van de schuren naast de werf van Visser. Daarna volgt het transport…”, aldus de Helderse krant van 22 november 1940.

Hoge verdiensten

De botters konden afmeren in de Binnenhaven, want de Buitenhaven was verboden gebied. Vandaar ook dat een van de loodsen naast de scheepswerf bij de Ankerparkbrug tijdelijk provisorisch was ingericht als afslag. Er zijn in die tijden besommingen gemaakt van ƒ 1600,- tot ƒ 1800,- per week, enorme bedragen voor visserlui die vóór de oorlog blij waren als ze twee tientjes per week verdienden. Er doet zelfs het verhaal de ronde dat met de motorkotter HD 162 ‘Jacobje’ (bouwjaar 1938) van Cornelis Koorn uit Den Helder in oktober 1940 op één dag 4000 gulden zou zijn verdiend. Op één dag hadden twee zoons van de eigenaar, Jaap en Fokke, zo’n 160 manden sardien op de Helderse rede bij elkaar gevist, sardien dat op de afslag van Den Oever 25 gulden per mand opbracht. Het verhaal gaat dat de vrouw van Jaap ‘van haar stokkie’ ging toen haar man met zoveel geld thuiskwam. Of was het omdat het bedrag op een zondag bijeen gevist was? Want dat kón eigenlijk niet voor de goed gereformeerde familie Koorn. Of toch wel in die dagen, het was immers oorlog?

Naar andere havens

Helaas was de vreugde van korte duur, want enkele weken later werden de gebroeders toen ze rustig aan boord lagen te slapen onaangenaam verrast door een groep Wehrmachtsoldaten die hun boot kwamen ‘vorderen’. In december 1940 werd de kotter als Boot 30 bij het Rheinflottielje ingedeeld. Pas in juni 1945 werd het schip (in Rotterdam) weer vrijgegeven.

De familie Koorn was inmiddels verhuisd naar Scheveningen om vandaaruit ter visserij te gaan (met de blazer HD 75). Ook Jan Slotemaker (blazer HD 131) en Klaas Woort (botter HD 160) waagden die stap met hun families. Weer andere Helderse visserfamilies verhuisden naar IJmuiden vanwaaruit gevist werd in een mijnenvrije kustzone. Men viste meest op sardien en garnalen. ’s Morgens om zeven uur weg, ’s middags om vijf uur terug, herinnert Henk Bais (1924) zich. Maar ’t leven was duur in IJmuiden. “We werden als ‘reders’ voor vol aangezien en kregen een prachtig huurhuis. Maar de huur was er ook naar en moest wél worden opgebracht.”

Scheveningen

De verhuizing van de (grote) familie Koorn was ’grootscheeps’. Opa Koorn kreeg als ’reder’ een groot huis in een Haagse elitebuurt (Doornstraat 144) toegewezen. Een huis waar wel twee gezinnen in konden wonen. De achtertuin van het huis grensde aan die van Hendrik Colijn, dus ga maar na. Zoon Dirk (met z’n vrouw Jo) en Louw (met z’n vrouw Mien) woonden samen in de Koppelstokstraat, waar ook de familie Slotemaker was neergestreken. ’s Zondags ging men naar de gereformeerde Duindorpkerk aan de Kranenburgweg in Scheveningen.

De allereerste keer dat men daar ter kerke ging was er al direct een probleem. Opa Koorn was ’zomaar’ ergens gaan zitten, maar moest daar weg, omdat die plaats was ’verhuurd’. Opa Cees zou zuchtend gezegd hebben: “Gelukkig dat in de hemel de plaatsen niet bezet zijn!” Soortgelijke problemen deden zich ook elders voor. In de gereformeerde kerk aan de Molenvaart te Anna Paulowna moesten daar geëvacueerde Helderse lieden niet denken dat ze zomaar ergens konden plaatsnemen. Pas als kort voor de dienst een (groene) lamp ging branden mochten de plaatsen van ’huurders’ die niet tijdig waren komen opdagen worden ingenomen.

Garnalenvisserij

De visserij in Scheveningen stelde weinig voor. Er werd daar door ‘half vissend Nederland’ dagelijks een paar uur op garnalen gevist. Heldersen, Volendammers, Urkers, IJmuidenaars waren daar bezig om nog wat te verdienen. Doordat Fokke en Jaap hun schip aan de Duitsers waren kwijtgeraakt, kwamen zij ook bij broer Dirk, de oudste, en broer Lubbert, de jongste, op de HD 75. Broer Louw was aan boord bij Jan Slotemaker op de motorkotter ‘Neeltje’ (HD 131), een oude zeilbotter van opa Koorn waar in 1920 een motor was ingebouwd en die in 1938 verkocht was aan Slotemaker. Broer Albert werkte aan de Scheveningse afslag. Broer Simon was ‘achtergebleven’ in Breezand.

De ramp op 12 juni 1941

Het was een prachtige zomerdag, de 12e juni 1941. Een dag om naar het strand te gaan. En dat deden ze dan ook, de vrouwen van de familie Koorn. Omstreeks drie uur in de middag was er plotseling een enorme knal uit zee. Een mijn die ontplofte? Het was opeens niet leuk meer op het strand, men ging liever naar huis…

Dirk, Fokke, Jaap en Lubbert waren ’s morgens vroeg uitgevaren om ongeveer een mijl uit de kust ter hoogte van de Scheveningse Pier te gaan vissen op garnalen. Tegen de middag gaf Dirk, de schipper, opdracht ’de kor in te steken’ teneinde (met ’grove’ netten) te proberen wat schol te vangen. Dat leverde een goede trek op. Nog één trek en dan wilde men weer op huis aan. Maar bij het halen van de kor zat er een torpedo in het net. Dirk haalde ’t kreng los uit het net. Dat lukte. Maar op het moment dat hij opgelucht zei: “hij is er uit”, ontplofte de torpedo.

Drenkelingen

Jaap die met Fokke en Lubbert stond te kijken toen het oorlogstuig explodeerde kwam te water en realiseerde zich daar dat-ie eigenlijk niet kon zwemmen. Maar hij wist zich toch van laarzen, kiel en broek te ontdoen, zich vastklampende aan het machinekamerluik. Ook broer Fokke had zich weten vast te houden aan ronddrijvend wrakhout. Van Dirk (38 jaar) en Lubbert (18 jaar) geen spoor. Binnen een half uur was collega Jan Korf (met zijn drie zoons) van de UK 168 ter plekke. Die pikte Jaap en Fokke op en bracht hen naar de haven. Inmiddels was ook de reddingboot uitgevaren, maar de broers waren op de UK 168 gebleven. Eenmaal in de haven ging iemand van de reddingmaatschappij naar de Doornstraat om droge kleren te halen. Juist voor zijn komst aldaar was er al iemand van de Grüne Polizei aan huis geweest om te zeggen dat er een ongeluk met de HD75 had plaatsgevonden. Maar verdere bijzonderheden wist de man (nog) niet.

Verdronken

Pas toen de man van de reddingmaatschappij kwam realiseerde men zich dat Jaap en Fokke dan wel gered waren, maar Dirk en Lubbert niet. Dirk, de oudste zoon van opa en oma Koorn en zelf vader van acht kinderen. En Lubbert, de jongste, moeders oogappel en ’s morgens in alle vroegte door haar gewekt om te gaan vissen, terwijl hij eigenlijk niet in orde was. Vervolgens moest het barre nieuws ook nog verteld worden in de Koppelstokstraat aan Jo Prins, de vrouw van Dirk. Daar woonde ook broer Louw, getrouwd met Mien Prins, een zuster van Jo. Louw en Mien, die kinderloos bleven, hebben zich in de jaren erna altijd om Jo en haar kinderen bekommerd. Familiehulp in de beste zin van het woord. Hulp die uiteraard ook hard nodig was.

In tegenstelling tot Fokke was Jaap gewond geraakt. Hij had een diepe schram in zijn rug. Jaap heeft later wel over het gebeurde gesproken, anders dan Fokke, die zwijgzaam als altijd, z’n verdriet in stilte probeerde te verwerken.

Het verhaal gaat dat een paar dagen na de ramp nog eenmaal een Duitser aan de deur geweest is om te vragen hoe de torpedo er uitgezien had. Toen hij vernam dat de torpedo twee tegen elkaar in draaiende schroeven had, concludeerde hij dat het géén Duitse torpedo geweest was, maar een Britse. Daarmee was voor hem de kous af …

Het lichaam van Lubbert spoelde na tien dagen aan bij de Wassenaarse Slag. Dirk spoelde twee dagen later, op 24 juni aan tussen Scheveningen en Kijkduin. Ruim twee weken na het ongeluk zijn de gebroeders gelijktijdig ter aarde besteld op de Algemene Begraafplaats te Huisduinen (28 juni 1941).

 

Auteur: Jan T. Bremer, met dank aan Henk Bais en Okke Visser.

Publicatiedatum: 22/12/2010

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.