De gebruiken van een zeventiende-eeuwse Amsterdammer

Coffeeshops, de wallen, altijd fietsen en een plat accent: al deze zaken worden beschouwd als 'typisch Amsterdams'. Of al deze kenmerken opgaan voor elke Amsterdammer valt echter te betwisten. Ook in de zeventiende eeuw bestonden er een aantal typische gebruiken, waarmee de Amsterdammer zich onderscheidde van buitenpoorters.

Pronkstilleven, Adriaen van Utrecht, 1644. Bron: Collectie Rijksmuseum.

Eten en Drinken

De zeventiende-eeuwse Amsterdammers stonden bekend als ‘goede slockers, die haar natgen en haar droochgen wel mochten’. Hoewel de dagelijkse maaltijden van de meeste Amsterdammers sober en eenvoudig waren, pakten de rijke Amsterdammers echt uit als er iets te vieren was.

In 1655 stelde burgemeester Tulp paal en perk aan de extravagante maaltijden van de Amsterdammers, waarbij overtreders konden rekenen op een fikse boete. Hieraan hadden de meeste Amsterdammers echter weinig boodschap. De boetes, die ten gunste kwamen aan liefdadigheid, werden grif betaald. De feestelijkheden konden uitlopen op grote schransfestijnen waarbij de tafels bijna doorzakten onder het gewicht van de tientallen schotels met vlees, vis, pasteien en groenten.

Gezelschap voor een taveerne, Jean-Louis Demarne. Bron: RKD

Grappen en Grollen

Niet alleen op het gebied van eten en drinken kende het gedrag van de zeventiende-eeuwse Amsterdammer extreme vormen. Mannen en vrouwen zaten graag in de kroeg, waarbij zij veel kletsten en moppen vertelden. Het niveau van de grappen was zeer afhankelijk van het publiek van de uitgaansgelegenheid.

Veel grappen waren gebaseerd op omkeringen, bijvoorbeeld tussen heer en knecht of man en vrouw. Ook grappen over poep, pies en seks waren zeer geliefd, niet alleen bij de lagere klassen in de bevolking maar ook bij de elite. Soms traden er in de kroegen ook komedianten op, of tapte de waard niet alleen het bier, maar ook de moppen.

David Teniers, Rokende en drinkende boer, 1651. Bron: RKD

Roken

In tegenstelling tot het hedendaagse rookverbod, stonden vele taveernes en tabakshuizen in de zeventiende eeuw blauw van de rook. De Amsterdammer stond bekend als een verstokte roker, die gedroogde tabaksbladeren oprookte met een aardewerken pijp. Roken was in de zeventiende eeuw niet alleen een genotsmiddel, maar werd ook geacht te helpen bij medische kwalen, variërend van pest en cholera tot kiespijn en scheurbuik.

Abraham van Strij, Ketelschuurster. Bron: RKD

Huis en Haard

De wereldberoemde grachtenpanden die door menig bezoeker van de hoofdstad worden vastgelegd, kennen hun oorsprong in de zestiende en zeventiende eeuw. Hier leefden de rijkste Amsterdammers. In de zijstraten bevonden zich de woonhuizen voor de middenklasse, gevolgd door de arme arbeidersgezinnen die in achterhuizen, achterkamers, kelders en krotten leefden.

In tegenstelling tot de persoonlijke hygiëne, die ruim vierhonderd jaar geleden nogal eens te wensen overliet, waren de huizen van de Amsterdammers destijds zeer schoon. Zowel de elite als de lagere klassen zorgden ervoor dat hun huizen altijd geboend en geschrobd waren. Je moest het ook niet wagen om met je vieze schoenen het huis binnen te lopen, hiervoor kon je beter gebruik maken van pantoffels of je op de rug van de dienstmeid naar de trap laten tillen.

Auteur: Eva Bleeker

Bron

Maarten Hell en Emma Los, Amsterdam voor vijf duiten per dag. Dé gids voor uitgaan, sightseeing, shopping, eten & drinken in het Amsterdam van de zeventiende eeuw (Amsterdam 2011)

Publicatiedatum: 28/05/2015