Zo ging Haarlem gekleed, van korset tot minirok

Als de tentoonstelling in Museum Haarlem 'Zo ging Haarlem gekleed' iets duidelijk maakt, is het dat kleding ná 1900 niet alleen modieuzer is geworden, maar vooral praktischer. Een badpak van wol, je moet er toch niet aan denken.

Bevrijdingsrok

Bevrijdingsrok. Bevrijdingsrok uit 1946, Uit privécollectie mevrouw Borgwat-Vlijmincx.

Oudste kleermaker van het land

Met conservator Pina Cardia wandelen we over de expositie, die twee zalen omvat. We beginnen bij de Haarlemse kostuummaker Van der Steur, gevestigd in de Kruisstraat. Tot de sluiting in 2002 was dat de oudste kleermaker van het land. Alle notabelen van Haarlem, zoals Godfried Bomans, lieten er hun kleren maken. Aan Steur is een aparte hoek gewijd, omlijst met een fraai houten winkelinterieur, met naaimachines, stoffen en zelfs een soort van ‘martelwerktuig’ waarmee de hoedenmaat werd opgemeten.

Toen de rokken korter werden

Kleding is een zeer tot de verbeelding sprekend onderwerp. Het brengt bij veel mensen herinneringen naar boven. Bezoekers aan de tentoonstelling raken spontaan met elkaar in gesprek. “Weet je nog? Toen mochten we ineens een spijkerbroek aan, terwijl het daarvoor nog een héél ordinair kledingstuk was, écht iets voor aso’s.”

“Toen ik de tentoonstelling voorbereidde, heb ik collega’s naar hun herinneringen gevraagd. De één vertelde over het begin van de jaren zestig, toen de rokken korter werden. Je moeder was daar niet altijd blij mee. Eén van mijn collega’s mocht beslist geen minirokje aan. Zodra ze de hoek om was, stroopte ze haar rok weer op tot boven de knie, want je wilde natuurlijk wél met de mode meedoen.”

Plusfours, pof- of kuifjebroek

Plusfours, pof- of kuifjebroek. Haarlemse jongen in plusfour anno 1940. Beeld komt uit de privécollectie van S. Maasdam

Kuifjebroeken

De heren vertelden haar over de ‘plusfours’, ook wel pof- of Kuifjebroeken genoemd. Het waren broeken met elastiek tot onder de knie, die nog tot begin jaren zestig werden gedragen. “Het zat verschrikkelijk, want het knelde, zodat je aan het eind van de dag rode strepen op je benen had. En het was ook nog gemaakt van wol, dus je had de hele dag jeuk.”

Rond Haarlem waren begin 1900 veel ateliers gevestigd waar kleding werd gemaakt. Kousenfabriek Hin op de Zijlweg was bijvoorbeeld een van de grootste kousenproducenten van Nederland. “Toen na de Tweede Wereldoorlog de panty’s uit Amerika kwamen overgewaaid, gingen zij die ook produceren. Op de Zijlweg kun je aan de schoorstenen nog zien waar de firma heeft gezeten. “Ik had hun panty’s graag laten zien, maar ik heb ze niet kunnen vinden.”

Vreugde om de bevrijding

Vreugde om de bevrijding. Barteljorisstraat, 8 mei 1945.Beeld: Noord-Hollands Archief

Damesonderbroek

Gelukkig kan ze wel een damesonderbroek van rond 1900 tonen, ingebracht door een mevrouw wier man zelf een bekende kledingzaak in de Grote Houtstraat had. “Die onderbroek was van haar oma en daarom heeft ze die bewaard. We denken wel eens dat mensen door de eeuwen heen altijd ondergoed hebben gedragen, maar pas in de negentiende eeuw werd dat gebruikelijk.”

Dat had alles met de toegenomen aandacht voor hygiëne te maken. “Het waren geen slips, zoals we die nu kennen, maar enorme zakken, bedoeld om de bovenkleding nog wat langer schoon te houden. Vroeger konden alleen de welgestelden het zich veroorloven om kleding te laten wassen. Dat gebeurde maar een paar keer per jaar. Gewone mensen hadden daar het geld niet voor. Pas in de negentiende eeuw werd hygiëne steeds belangrijker. Toen werden ook de waterleidingen aangelegd, en werd er ook steeds meer voorlichting gegeven over ziektes die door rotzooi in het water werden veroorzaakt.”

De onderbroek van begin 1900 was overigens niet alleen groot, maar was ook open aan de onderkant, zodat je gemakkelijk je rok kon optillen om een plas te doen. “In de loop van de eeuw werd ondergoed langzaam lingerie en uiteindelijk werd het een mode item.”

Bruiloft 1964

Haarlems bruidspaar bij het stadhuis in 1964 Uit privécollectie F. Moerbeek.

Wollen badpak

De expositie omvat ook wollen badpakken, die de nodige gruwelherinneringen oproepen. “Tot in de jaren vijftig en zestig werden bakpakken nog van wol gemaakt. Als je daarmee het water in ging, werden ze loodzwaar en zag je er als een jongetje uit, zoals een college me vertelde; alles hing op kruishoogte. Het was ook nog warm en het jeukte aan alle kanten.”

Eén van de objecten die de conservator zelf wel apart vindt is een bruidsjurk uit begin 1900. “We denken dat bruidsjurken altijd wit zijn geweest, maar dat begon pas in 1840, toen de Engelse koningin Victoria in het wit trouwde. Toen werden ook de bruidsboeketten geïntroduceerd.”

Minstens zo interessant overigens is een jurk die in de oorlog is gemaakt van parachutestof. “Textiel werd door de oorlog al heel snel schaars. Er kwam weinig katoen meer binnen en wat er binnenkwam, werd voor de productie van uniformen gebruikt. We hebben ook een peuterpakje dat van meelzakken is gemaakt. Door de schaarste werden mensen enorm creatief.”

zomermode van 1956

zomermode van 1956. Een mannequin toont de zomermode van 1956. Beeld: Noord-Hollands Archief/copyright United Photos de Boer bv.

Handschoenen

We eindigen het bezoek aan de expositie bij de handschoenen van de Heemsteedse handschoenenfabriek Laimböck. Het kantoor zit nu in Nieuw-Vennep, maar twee jaar geleden opende de firma nog een winkel in Haarlem, naast Vroom & Dreesman. “Tot de jaren zestig behoorden handschoenen en handtasjes tot de uitrusting van een dame, net zoals dames hoofddoekjes om bonden als ze naar de markt gingen. Een hoed mocht je nog wel thuislaten, maar een handschoen niet. Dat behoorde tot de etiquette.” Ze pakt een handschoen op, die van zeldzaam leer is gemaakt, te weten van de huid van een wildwaterzwijn uit Zuid-Amerika. “Zulke handschoenen doen wel 250 euro. Dat is écht het summum. Daarmee moet je écht niet door de regen fietsen.”Rondom de tentoonstelling worden diverse activiteiten georganiseerd, zoals herinneringsmiddagen, die in januari en februari plaats zullen vinden. “Bij andere projecten hebben we dat ook gedaan. Met name ouderen, die zich misschien niet eens zoveel herinneren, kunnen helemaal opbloeien als ze een bepaald gebruiksvoorwerk zien. Dan komen de verhalen en begint zo’n object écht voor je te leven.”‘Zo ging Haarlem gekleed’ is tot 24 april te zien. Zie ook www.museumhaarlem.nl

 

Auteur: Arnoud van Soest

Publicatiedatum: 30/11/2015