Zeerovers uit Hoorn bliezen hun partijtje mee

Vierhonderd jaar geleden waren Nederlandse zeerovers de schrik van de zee. Alleen al de naam van Simon de Danser, Claes Compaen of Cornelis Jol, alias kapitein Houtebeen deed de koopvaardijkapiteins sidderen. Ook zeerovers uit Hoorn bliezen hun partijtje mee.

Aan de hand van twee Hoornse zeerovers, de kaper Willem Melcknap en de piraat Dirkie de Veenboer schetst museumdirecteur Ad Geerdink een beeld van de zeeroverij in de zeventiende eeuw.

Willem Melcknap

In 1605 werd de kaperij op de Spanjaarden officieel toegestaan. Theodorus Velius vermeldt in zijn stadskroniek dat kapitein Willem Melcknap er als één van de eersten op uittrok en met een zeer kostbare buit in Hoorn terugkeerde. (1) Melcknap was dus een kaper. Dat wil zeggen een zeerover die roofde met toestemming van de hoogste autoriteit in de Republiek, de Staten-Generaal. Hij was in het bezit van een zogenaamde ‘commissiebrief’. Hierin stond dat hij schepen van landen waarmee de Republiek in oorlog was, in dit geval Spanje, mocht veroveren en zich de lading mocht toe-eigenen. (2)

Vrije roverij

Kaperij of kaapvaart was geen nieuw verschijnsel in de tijd van Melcknap. Al in 1438 liet de toenmalige landsheer Philips de Goede ‘vrije roverij’ afkondigen tegen de ‘Wendische steden’ Hamburg en Lübeck, die bezig waren de Hollandse en West-Friese handelsvloot van de Oostzee te weren. Velius schrijft dat Hoornse kaperschepen zo succesvol waren dat ze met bezems in de mast voeren, ten teken dat ze de vijand geheel van de Oostzee geveegd hadden. (3)

Commerciële bedrijfstak

Mede door de oorlog tegen Spanje groeide de kaapvaart in de zeventiende eeuw uit tot een complete commerciële bedrijfstak, die ernaar streefde zoveel mogelijk winst te maken uit het buitmaken van buitenlandse (koopvaardij)schepen. Dit vooruitzicht moet ook Willem Melcknap gelokt hebben, al zal hij waarschijnlijk niet geheel voor eigen risico op ‘kruistocht’ zijn gegaan, zoals de reis van een kaper genoemd werd. Het was gebruikelijk dat kaperondernemingen gefinancierd werden door verschillende particulieren, de zogenaamde reders. Dit konden kooplieden zijn of kapiteins, maar vaak ook lokale bestuurders en bewindhebbers van de VOC en WIC. Om hun risico te spreiden bezaten zij vaak ‘parten’ (aandelen) in verschillende kaperondernemingen. (4)

Commissiebrief

De reders kozen uit hun midden een zaakbehartiger, de boekhouder, die verantwoordelijk was voor het financiële beheer, de uitrusting en bevoorrading van het schip en het werven van de bemanning. Vooral fregatten en fluitschepen waren gewild als kaperschip. (5) De boekhouder vroeg ook de ‘commissiebrief’ aan, die in Hoorn werd uitgereikt door de Admiraliteit van het Noorderkwartier en hij stelde de instructie voor de kapitein op. Hierin stond in welk gebied de kaper diende te opereren en van welke vijandelijke landen de schepen ‘legaal’ mochten worden geroofd. (6)

Kostbare buit

Willem Melcknaps ‘kruistocht’ was zo succesvol dat er weldra alleen al uit Hoorn zeven of acht andere kaperschepen op uitgingen. Velius noteert dat ze met kostbare buit terugkeerden: suiker, zijde en andere kostbare waar. (7)

De verdeling van de buit was aan strenge regels gebonden, om misbruik tegen te gaan. Eenmaal terug in de haven werd de buit op de kade gezet. Een door de Staten-Generaal benoemde ambtenaar, de advocaat-fiscaal, die aan boord al een inventaris van de lading had gemaakt, zag nauwlettend toe op het lossen van de lading, die in de pakhuizen van de Admiraliteit werd opgeslagen.

Daarna besliste een speciaal daarvoor ingestelde kamer van de Admiraliteit of een genomen schip tot ‘een goede prijs’ verklaard kon worden. Dit hield in dat de verovering van een schip rechtsgeldig was. (8) Voor deze rechtspraak trok de Admiraliteit van het Noorderkwartier maar liefst drie dagen per week uit, hetgeen wellicht een indicatie is van de omvang van de kaapvaart. (9)

Was de buit ‘een goede prijs’ dan werd die in het openbaar geveild. Maar liefst tien procent van de opbrengst was voor de stadhouder. Vijf procent ging naar de ambtenaren van de Admiraliteit en de pakhuis- en veilingmeesters. Ook de armenbus en het gasthuis profiteerden mee van deze ‘rantsoenpenningen’. Na aftrek van de presentiegelden voor de heren van de Admiraliteit (1%) ontvingen de kapitein en zijn bemanning hun ‘buitgeld’. De rest (vaak aanzienlijke bedragen) werd als dividend uitgekeerd aan de reders. (10)

Vijandelijke kapers

Willem Melcknap en de andere Hoornse kapers brachten de stad aanzienlijke winsten. Ze stonden hoog in aanzien en het is dan ook niet vreemd dat een zijstraat van de Italiaanse zeedijk, de Melknapsteeg, naar de Hoornse kaperkapitein vernoemd werd.

Toch bracht de kaapvaart niet allen voordeel. Velius merkte op dat de bemanningen er nauwelijks beter van werden: “…de meesten verspilden wat ze wonnen even snel. En het ergste was nog dat de gewone man daardoor zo verwilderde, dat er nauwelijks huis met hem te houden viel. Velen beroofden zowel vrienden als vijanden, deden degenen die ze in handen kregen veel ellende en overlast aan en brachten het land, dat de geroofde goederen voor hen betalen moest, in moeilijkheden en schulden.” (11)

Maar ook andere landen zaten niet stil. Met name in de eerste helft van de zeventiende eeuw had de handels- en vissersvloot aanzienlijk te lijden van vijandelijke kapers. Vooral de Duinkerker kapers, die met toestemming van de Spanjaarden op de Nederlandse koopvaardijvloot aasden, waren een grote plaag. “De Duinkerkers, Biscayers en Algerijnen roofden en plunderden op zee alles wat ze tegenkwamen” noteerde Velius in zijn kroniek bij het jaar 1619. (12)

Expedities

Het was de taak van de Admiraliteiten om de handels- en vissersvloot zo goed mogelijk te beschermen. Oorlogsschepen van de Admiraliteit van het Noorderkwartier deden mee aan verschillende expedities tegen de Duinkerker kapers. Ook kapitein Willem Melcknap, in dienst bij de Admiraliteit, was in de jaren 1620 actief tegen de Duinkerkers. (13)

Erg succesvol waren de expedities niet, zelfs een blokkade van de haven kon de kapers niet stoppen.  Pas tegen 1646, toen de Fransen te hulp schoten slaagde de Republiek erin voor korte tijd een einde te maken aan de Duinkerker kaapvaart. Tegen die tijd was het zwaartepunt van de Nederlandse kaapvaart al verplaatst van Holland naar Zeeland.

Dirkie de Veenboer

Begin zeventiende eeuw werden er in Hoorn ook kaperschepen uitgerust die de opdracht meekregen om zoveel mogelijk schepen van de Duinkerker kapers buit te maken. Kapers tegen kapers dus. Dirkie de Veenboer was kapitein op één van deze schepen. Omdat deze onderneming hem te weinig opleverde  hield hij het kapen na een paar jaar voor gezien. Hij besloot voor zichzelf te gaan roven. (14) Een grote stap in die tijd, want zowel wettelijk als sociaal was het onderscheid tussen kaperij en piraterij enorm. Kapers stonden in aanzien, piraten waren ‘outcasts’ en vogelvrijverklaarden. Kaperij was legaal, op piraterij stond de doodstraf. (15)

Dit weerhield Dirkie de Veenboer er niet van zich rond 1607 aan te sluiten bij ‘kapitein Duivel’, de bijnaam van de Hollandse piraat Simon de Danser. Hij was één van de vele Nederlandse kapiteins die als Barbarijs kaper actief waren en de handel op de Middellandse Zee en de Atlantische route naar Azië rond Kaap de Goede Hoop onveilig maakten. Simon de Danser leerde de Barbarijse piraten, die de havens van Algiers, Tunis en Salè als uitvalsbasis hadden, te zeilen met vierkant getuigde schepen, in plaats van de arbeidsintensieve galeien, waardoor zij veel gevaarlijker en effectiever werden. (16)

Dirkie de Veenboer had al snel een eigen piratenschip. Hij koos voor Algiers als thuishaven en sloot een overeenkomst met de pasha. In ruil voor een deel van de buit ontving hij bescherming, onderdak, voedsel en water voor zijn bemanning. In 1609 werd hij renegaat, dat wil zeggen dat hij zich tot de islam bekeerde. Dit leverde hem de positie van Groot-Admiraal van de Turkse vloot op en hij kreeg de naam Soleyman Reís. (17)

Christenslaven

De Barbarijse piraten vormden een constant gevaar voor de Hollandse koopvaardijvloot in de zeventiende eeuw. Velius vermeldt dat alleen al in het jaar 1620 zo’n 40 schepen uit Hoorn door hen buit werden gemaakt, een schade van een ‘groot aantal tonnen goud’. Over het lot van de bemanningen noteerde hij : “De scheepslui werden voor een deel aan land gebracht en die waren het beste af, want de meeste anderen werden als slaaf meegenomen en verkocht.” (18)

Deze handel in christenslaven was een belangrijke bron van inkomsten voor de Barbarijse piraten. Hoezeer de slavenhandel de Hoornse samenleving raakte blijkt uit een brief van het stadsbestuur aan de Staten-Generaal uit 1629. Daarin vragen de burgemeesters om aandacht voor een rekest van een groot aantal vrouwen uit het Noorderkwartier, die de regering smeken werk te maken van de vrijlating van hun echtgenoten, broers en zonen die in Algiers en Tunis gevangen zitten. (19)

Over het lot van deze christenslaven weten we wat meer dankzij de aantekeningen van Jan Cornelisz. Dekker uit Zwaag. In 1715 werd zijn schip De Kroonvogel door Barbarijse piraten overvallen. Dekker kwam als slaaf in dienst bij de zoon van de sultan van Marokko, die hem dwong moslim te worden. Dekker gaf echter niet toe en desondanks schopte hij het van huisslaaf tot magazijnmeester. In 1733 was hij de enige van zijn schip die nog vastzat. Sommigen waren toen al overleden. Anderen zoals de kapitein waren vrijgekocht. In sommige plaatsen werden hiervoor speciale slavenkassen opgericht, of werden collectes gehouden. Dekker, die uit een straatarme familie kwam miste het geld en de contacten. Terwijl de meeste slaven al na drie, vier jaar vrijkwamen kon hij pas in 1743 terug naar huis. (20)

Christenslaven.

Christenslaven. Veel Noord-Hollandse zeelieden die op de Middellandse Zee voeren wachtte het lot om in handen van Barbarijse piraten te vallen en als slaaf op de slavenmarkt van Algiers te worden verkocht. Alleen wanneer er losgeld werd betaald, konden zij hun vrijheid herkrijgen.

Een fataal Hoorns onderonsje

Van Dirkie de Veenboer is bekend dat hij Hollandse schepen en bemanningen zo veel mogelijk met rust liet. Spaanse schepen daarentegen werden ongeacht aantal en sterkte aangevallen. De bemanningen werd de ‘voeten gespoeld’, dat wil zeggen dat zij in koelen bloede overboord werden gesmeten. In 1617 liet hij zijn Hoornse hart spreken en kocht hij op de slavenmarkt de bekende Hoornse schipper Willem IJsbrantsz. Bontekoe en zijn jongere broer voor 750 zilverstukken vrij en liet ze terug naar huis gaan. De Veenboer hoopte zo de deur naar een pardon en terugkeer naar Hoorn op een kier te kunnen houden. (21)

Zijn ruimhartige houding tegenover de Hollanders werd hem door de  machthebbers niet in dank afgenomen en hij raakte zijn positie als admiraal kwijt. Hierna pakte hij zijn piratenbestaan weer op. Hoe het met De Veenboer afliep weten we dankzij het journaal van de Hoornse kapitein David Pietersz. de Vries. Zijn schip maakte deel uit van een vloot van zeven handelsschepen die in oktober 1620 voor de kust van Cartagena in gevecht raakte met de acht schepen tellende vloot van de piratenadmiraal. Volgens overlevering was De Veenboer op weg naar Amsterdam, waar hij hoopte op een pardon van de Staten-Generaal. (22)

Na enkele manhaftige woorden van vice-admiraal David de Vries, “trek het zwaard, smeert die piraten de ribben, slaat ze om de oren”, ontstond een gevecht op leven en dood. De Vries zelf raakte in gevecht met het schip van de vice-admiraal van de piraten, dat vreemd genoeg de Hoornse vlag voerde. Het bleek een schip uit Hoorn te zijn, dat ooit door de piraten veroverd was. De slag liep niet goed af voor De Veenboer. De Vries: “Tegen vier uur zag ik onze admiraal branden. Later hoorde ik dat er maar 7 van de 40 man het leven afbrachten. Ook vernam ik toen dat mijn kleine kameraad die voor mijn boeg lag (de fluit van schipper Pauwels, eveneens uit Hoorn) een zeer gelukkig schot loste op de admiraal der Algerijnen. De kogel doodde een piraat en rukte admiraal De Veenboer een been af. Hij was de bekende Hollandse ‘reynegaet’.” (23)

Dirkie de Veenboer, kaper en piraat uit Hoorn, die het naar zeeroversnormen zo goed voor had met zijn stads- en landgenoten, stierf nog diezelfde dag, 10 oktober 1620. Uitgerekend een schot uit een Hoorns kanon afgevuurd vanaf een Hoornse fluit werd hem fataal. Het kon verkeren in de zeventiende-eeuwse zeeroverij.

Bronnen

Prud’homme van Reine, R.B.  Kapers op de kust, Vlissingen, 1991.
Prud’homme van Reine, R.B. Kapers en piraten, Hilversum, 1996.
Smit, P.  Piraten van de Lage Landen, Amsterdam 2009-02-10.
Spelders, S.  Het grijnzend doodshoofd, Amsterdam, 2006.
Velius, Th. Kroniek van Hoorn, Hoorn, 2007.
Zuidhoek, A.  Piraten Encyclopedie, Soesterberg, 2006.
www.anno.nl  Een pechvogel uit Zwaag.
www.inghist.nl/onderzoek/projecten  Besluiten Staten Generaal 1626-1651.

(1) Velius, band 2, 663.
(2) Kapers op de kust, 12.
(3) Velius, band 1.
(4) Kapers op de kust, 14.
(5) Kapers op de kust, 16.
(6) Kapers op de kust, 14.
(7) Velius, band 2,  663.
(8) Kapers op de kust, 24.
(9) Westfriese Admiraliteit, 31.
(10) Kapers op de kust, 27.
(11) Velius, band 2,  664.
(12) Velius, band 2,  741.
(13) Verslag vergadering Staten Generaal, 20-03-16.
(14) Piraten van de Lage Landen, 55.
(15) Het grijnzend doodshoofd, 15.
(16) Kapers en piraten, 73.
(17) Piraten van de Lage Landen, 56.
(18) Velius, band 2, 753.
(19) Verslag vergadering Staten Generaal, 10-02-1626.
(20) www.anno.nl.
(21) Piratenencyclopedie, 181.
(22) Piraten van de Lage Landen, 56.
(23) Piratenencyclopedie, 182.

Publicatiedatum: 09/02/2011