Willet-Holthuysen: museum tegen wil en dank

Museum Willet-Holthuysen is gevestigd in het voormalige woonhuis van de negentiende-eeuwse Amsterdamse verzamelaar Abraham Willet en zijn echtgenote Louise aan de Herengracht. Dat het museum in 1996 zijn eerste eeuwfeest heeft gevierd is allerminst een vanzelfsprekendheid. Het bestaan heeft verschillende keren aan een zijden draadje gehangen.

Dat begon al voor de opening van het museum in 1896. Het jaar daarvoor was weduwe Louise Willet-Holthuysen overleden. Uit haar testament bleek dat het huis aan Herengracht 605 een museale functie moest krijgen. Burgemeester & Wethouders zeiden ja tegen het legaat, maar de gemeenteraad zat ermee in zijn maag. Wat moest Amsterdam met dat woonhuis vol spullen?

Knoop doorgehakt

Uiteindelijk was het raadslid Van Hall die de knoop doorhakte. Hij zou kort daarna tot wethouder Onderwijs worden benoemd en hij had gehoord dat het echtpaar Willet-Holthuysen ook een belangrijke kunsthistorische bibliotheek had nagelaten. Misschien kon er wel een nijverheidsschool aan verbonden worden. Die school is er nooit gekomen, maar het museum wel.

De zaal in het huis A. Willet-Holthuysen, Herengracht 605.

Dood museum

In 1929 dreigde voor de eerste keer sluiting van het museum vanwege het geringe bezoekersaantal. Twee tot drie bezoekers trok het slechts per dag. Willet-Holthuysen stond toen al jaren bekend als een ‘dood museum’. De toenmalige conservator Frans Coenen heeft die tijd treffend beschreven. De levensreddende impuls kwam van het jonge Kunsthistorisch Instituut, dat zich op de bovenverdiepingen vestigde.

Frans Coenen in Museum Willet-Holthuysen.

Verzetsactiviteiten

Dat KHI bleek een koekoeksjong. Even leek het erop dat het instituut het hele pand in zou nemen. De economische crisis gooide roet in het eten, het museum was voorlopig gered. Tijdens de Tweede Wereldoorlog moest het museum dan toch zijn deuren sluiten. Het pand werd in die tijd gebruikt voor allerlei niet-museale doeleinden. Er kwam een instituut voor sociaal onderzoek naar het Nederlandse volk in. Ogenschijnlijk een onschuldige organisatie, maar ondertussen was het een dekmantel voor verzetsactiviteiten. In de stijlkamers werden persoonsbewijzen vervalst.

Tijdelijke exposities

Na de oorlog werd Sandberg, conservator bij het museum, directeur van het Stedelijk Museum. Het Willet-Holthuysen viel daar inmiddels onder. Sandberg besloot het museum nieuw leven in te blazen met een grote zilvertentoonstelling in 1950. Niet de stijlkamers, maar tijdelijke exposities hadden de toekomst: “anders werd het museum van een doodse verlatenheid”.

Negentiende eeuw in diskrediet

De negentiende-eeuwse stijlkamers boden echter weinig ruimte voor tentoonstellingen. Sandberg wilde het huis bovendien terugbrengen in de stijl van de late zeventiende eeuw. De negentiende eeuw stond bekend als de lelijke tijd. De inrichting van het echtpaar Willet-Holthuysen werd gezien als vloeken in die prachtige zeventiende-eeuwse kerk. De pronkpoppenhuizen uit die tijd dienden Sandberg tot lichtend voorbeeld. Hij wilde ze 1 op 1 zien na te maken.

Revolutionaire veranderingen

Dat was niet alleen heel lastig, maar bovendien in strijd met het testament van Louise. Niets uit de inboedel mocht verkocht of verruild worden. Om het testament te laten veranderen, moest Sandberg toestemming vragen van de Hoge Raad. Zijn revolutionaire plannen werden goedgekeurd onder bepaalde voorwaarden. Eén daarvan was dat alle Willetstukken moesten worden samengebracht. Een hele klus, aangezien ze in de decennia ervoor op drift waren geraakt. De stijlkamers waren in de loop van de jaren ‘vereenvoudigd’. Meubels waren in bruikleen gegeven aan de Stadsschouwburg. Schilderijen hingen aan de muren van het gemeentelijke verzorgingstehuis in Sloten, en in de jeugdherberg op de Kloveniersburgwal.

Jhr.W.J.H.B. Sandberg (1897-1984), directeur Gemeente Musea Amsterdam 1945-1963.

Pragmatische periode

Sandberg wilde de Willetmeubels onderbrengen in nieuwbouw achter in de tuin, ontworpen door Mart Stam. Tegelijkertijd probeerde hij, om ruimte in het pand te winnen, ook het KHI weg te krijgen. Dat gebeurde pas in 1962, het jaar dat Sandberg met pensioen ging. Een pragmatische periode volgde. Hoewel Sandbergs lijn werd gevolgd, liet men uiteindelijk zijn ideeën varen. Maar niet van harte: zo zijn de tuin en de blauwe kamer veel later nog in achttiende-eeuwse stijl ingericht.

Een nieuwe koers

Nog een keer werd het voortbestaan serieus bedreigd. Dat was notabene in de jaren voorafgaand aan 1996, toen het honderdjarig bestaan van het museum werd gevierd. De bezoekersaantallen liepen terug. De staat van het museum voldeed niet meer aan de eisen van de brandweer. Willet-Holthuysen kreeg echter de kans om zich te bewijzen. Het pand werd grondig gerenoveerd, en inmiddels trekt het museum meer dan 50.000 bezoekers per jaar. Tegelijkertijd is er een nieuwe koers ingezet. Het museum gaat met zijn inrichting en presentatie zoveel mogelijk terug naar de periode van het echtpaar Willet-Holthuysen zelf. Hun negentiende-eeuwse interieur geldt inmiddels als uitermate zeldzaam en kostbaar. Het museum wordt beheerd door het Amsterdam Museum.

Auteur: Emma Los, verhaal: Bert Vreeken (conservator).

1996, affiche voor heropening Museum Willet-Holthuysen.

Publicatiedatum: 24/06/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.