Volkshuisvester Arie Keppler

Vanaf vandaag zijn de 12 nominaties bekend van de Arie Keppler Prijs 2018. Als jij denkt 'wie is Arie Keppler?', lees dan hier een compacte versie van zijn levensverhaal.

Lees volgende verhaal

Een vakjury koos uit 82 inzendingen de meest aansprekende projecten binnen de 4 categorieën Placemaking, Sociale Cohesie, Hergebruik en Herbestemming, Stedelijke Verdichting. Het doel van de Arie Keppler Prijs is om beleidsontwikkelingen en gerealiseerde projecten op het gebied van architectuur, stedenbouw, landschap en erfgoed met een voorbeeldstellende betekenis voor het voetlicht te brengen. Maar wie was ingenieur Arie Keppler eigenlijk? Hierbij zijn leven in een notendop.

Arie Keppler in 1932,
Directeur van de Woningdienst verhuizing van het Muntgebouw naar de Stadhouderskade. foto: Stadsarchief Amstrdam/Vereenigde Fotobureaux N.V.

Op 15 oktober 1876 zag Arie Keppler het levenslicht aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam. Hij was de zoon van Johann Georg Keppler, zakenman, en Antonia Hendrika Keppler. Na de HBS koos hij Arie voor de studie Civiele Techniek aan de Polytechnische School in Delft.

Socialistisch ingenieur

Tijdens zijn studie maakte hij kennis met de woonproblematiek van arbeidsgezinnen in de grote stad. Daar werd de voedingsbodem gelegd voor de socialist in Keppler, wat onder andere resulteerde in de oprichting van de Sociaal Technische Vereeniging van Democratische Ingenieurs en Architecten (STV) in 1904. Hiermee zette hij de socialistische studentenbeweging uit Delft voort. De STV streefde in de eerste plaats naar het bevorderen van de volkswelvaart (‘voornamelijk waar deze beïnvloed wordt door maatregelen op technisch gebied’), onder andere door een goede volkshuisvesting. Keppler speelde daarbij een belangrijke rol, zoals uit verscheidene publikaties van de STV blijkt.

Prentbriefkaart met daarop Gemeentewoningen in Tuindorp Oostzaan, rond 1920. Bron: Stadsarchief Amsterdam.

Woningwetwoningen

Terug in Amsterdam werd hij in 1905 inspecteur van de gemeentelijke dienst Bouw- en Woningtoezicht. Als inspecteur beoordeelde hij dagelijks krotwoningen en verklaarde ze, waar nodig, onbewoonbaar. In 1902 was de (eerste van de drie) Woningwet van kracht geworden, die er op moest toezien dat de bouw van slechte en ongezonde woningen onmogelijk zou worden en juist de bouw van goede woningen gestimuleerd zou worden. In praktijk kwam er echter nog weinig van de wet terecht in 1905, omdat er particulier initiatief en woningbouwverenigingen voor nodig waren om dat te bereiken. Arie Keppler speelde een grote rol in de bemiddeling met woningbouwverenigingen en in het geval van Rochdale met de uitbouw ervan. Deze coöperatie bouwde als eerste Woningwetwoningen in Amsterdam, in Noord wel te verstaan, in de Vogelbuurt om precies te zijn, in de Nieuwendammerham. Naar het voorbeeld van de Engelse tuinsteden (gebaseerd op Garden Cities of Tomorrow van Ebenezer Howard), liet Keppler laagbouw neerzetten in plaats van de gebruikelijke vier lagen. Het ideaal volgens Keppler was een eengezinswoning met tuin.

Gemeentewoningen in de Oterleekstraat in Tuindorp Nieuwendam. Omstreeks 1933 gebouwd. Foto: Stadsarchief Nieuwendam. Fotograaf: Mulder.

Gemeentelijke Woningdienst

In 1915 werd Keppler directeur van de Gemeentelijke Woningdienst. Deze dienst was net opgericht om ervoor te zorgen dat er goede en betaalbare woningen werden gebouwd voor de arbeidersklasse. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was er een groot tekort aan bouwmaterialen, maar Arie Keppler zorgde er vanuit zijn functie voor dat de bouw van nieuwe wijken, zoals Disteldorp, gecontinueerd werden.

Nooddorp Obelt

Opgejaagd door de toenemende woningnood in de stad gaf Wibaut in 1917 Keppler (inmiddels zwagers van elkaar) de opdracht om een plan te maken om heel snel honderden woningen te kunnen bouwen. Een terrein aan de Westkant van Noord, aan de Grasweg, bleek een goede plek en binnen enkele maanden verrees er het nooddorpje Obelt, voorzien van 306 houten woningen. De meer dan 1600 bewoners behoorden tot de allerarmsten en zouden nooit genoeg geld hebben om de geplande gemeentewoningen te bewonen.

Nooddorp Obelt. Foto: Stadsarchief Amsterdam

Na de Eerste Wereldoorlog vond er flinke stadsuitbreiding plaats in Amsterdam, waardoor de woningbouw in een stroomversnelling plaats vond. In deze uitbreiding bleef Keppler gericht op de arbeiders en hield graag vast aan het tuinstadmodel. Dit vind je o.a. terug in Tuindorp Oostzaan, Tuindorp Nieuwendam, Tuindop Buiskloot, Tuindorp Watergraafsmeer. Bij dat model gaat men uit van eengezinswoningen met tuin, en geen voorzieningen als kerk en horeca in de buurt, dit zou maar ‘vergif voor het volk’ zijn. Ook werkte Keppler graag met architecten binnen de Amsterdamse School, zoals Berend Boeyinga.

 

Woonschool Asterdorp

Voor een de armste groep arbeiders, de ‘ontoelaatbare’ gezinnen, liet Keppler woonscholen bouwen, zoals Asterdorp, eveneens in Amsterdam-Noord. Het complex bestond uit 132 woningen, ver weg van de bewoonde wereld, op een voormalig industrieterrein. De bewoners werden onder toezicht gehuisvest en heropgevoed tot modelburgers, dat was het plan. Veelal dagloners uit de Jordaan kregen er een plekje, vanuit de verwachting dat ze daarna konden doorstromen naar gemeentewoningen in bv Tuindorp Oostzaan en de Van der Pek-buurt. Toch kan dit experiment als mislukt worden gezien: van het heropvoeden kwam weinig terecht en de bewoners hadden nog lang last van het stigma van Asterdorp.

In 1937 moest Arie Keppler vervroegd met pensioen gaan. De stad Amsterdam heeft in die tijd, mede door de invloed van Keppler, internationaal een voortrekkersrol gehad op het gebied van volkshuisvesting.

Bronnen:
Stadsarchief Amsterdam
Biografisch Woordenboek van het Socialise en de Arbeidersbeweging in Nederland
Ons Amsterdam
Geschiedenis van Amsterdam-Noord

Written by:

Other posts by

Oneindig Noord-Holland maakt verborgen verhalen zichtbaar samen met:

Bekijk het gehele partneroverzicht