Terpen in West-Friesland

Bij terpen denk je vast aan Friesland en Groningen, maar ook in Noord-Holland komen ze voor. Terpen zijn opgehoogde stukken land die in eerste instantie dienden als vluchtheuvels tegen hoogwater, maar waar mensen later hoog en droog gingen wonen.

Terp is eigenlijk het Friese woord voor dit verschijnsel, in Noord-Holland worden ze officieel werf genoemd. Dat woord komt terug in bijvoorbeeld de scheepswerven van Amsterdam of het oude Hoorn. Twee opgegraven terpjes in Wognum blijken uit de 12e eeuw te dateren.

Twee huisterpjes

In juni 2012 zijn in Wognum twee huisterpjes aangetroffen door Archeologie West-Friesland. Ze zijn opgeworpen in de eerste helft van de 12e eeuw. Het terrein ligt op het restant van een prehistorische geulrug (hogere strook land die ontstaat na het droogvallen van een geul), die boven de omgeving uitsteekt. De oudste resten in de opgravingsput gaan terug tot ongeveer 1100. De eerste bewoners vestigden zich direct op de natuurlijke klei van de kreekrug, hoger dan het omringende landschap, dat toentertijd grotendeels uit veen bestond.

Uitsnede West-Friesland met Wognum aangegeven op de kaart van E. Neele Walsh (graveur) uit 1800.

Uitsnede West-Friesland met Wognum aangegeven op de kaart van E. Neele Walsh (graveur) uit 1800. Collectie Provinciale Atlas Noord-Holland.

Ontginningen vanaf 8e eeuw

In de 8e eeuw begonnen de ontginningen in West-Friesland. Zij vonden plaats rond Medemblik. Van de 10e tot en met de 12e eeuw werd het overige deel van West-Friesland ontgonnen. Daarbij werd het gebied geschikt gemaakt voor bewoning en landbouw door het veen te ontwateren. Dit zorgde er echter ook voor dat het landniveau door inklinking daalde en het gebied vaker overstroomde. Daarom ging men kleine huisterpjes opwerpen.

Ophoging met afvalresten

Bij de opgraving is duidelijk geworden dat het onderzoeksgebied precies tussen twee middeleeuwse huisterpjes ligt. Ertussen lag een sloot welke een afscheiding vormde tussen de percelen. Het precieze moment waarop de terpjes zijn opgeworpen, is niet duidelijk. Ze lijken gelijktijdig te hebben bestaan. De terpjes zijn herkenbaar als lagen met veel brokjes huttenleem en puntjes houtskool. Maar er bevinden zich ook andere vondsten in de lagen, zoals dierlijk botmateriaal, brokken basaltlava van maalstenen, enkele ijzeren spijkers, een spinlood en enkele aardewerkscherven. Dit zijn de afvalresten van de eerste huishoudens, die het afval gebruikten om de grond op te hogen. Men heeft dit verschillende keren gedaan, omdat de grond na enige tijd weer daalde. Dunne as- en huttenleemlagen onderscheiden de verschillende loopniveaus. Uiteindelijk is het terppakket ongeveer 50 tot 70 cm dik geworden. De terplagen konden over een afstand van 18,5 m worden gevolgd, maar de terpjes zullen waarschijnlijk 20 tot 25 m lang zijn geweest.

De locatie van de opgraving in de kern van ‘Woggenum’ op de kaart van Dou uit 1651-1654.

De locatie van de opgraving in de kern van ‘Woggenum’ op de kaart van Dou uit 1651-1654. Collectie West-Fries Archief.

Sporen van boerderijen

Er zijn enkele sporen gevonden van de boerderijen die op de terpjes stonden, die erop wijzen dat ze met hun lengterichting evenwijdig aan de huidige straat stonden. De wanden moeten van leem zijn gemaakt, gebaseerd op de hoeveelheid aangetroffen huttenleem. Dit was gebruikelijk voor deze periode. De palen van de huizen waren ingegraven en de afstand tussen de palen lijkt te wijzen op een volledige breedte van het huis van circa 8,70 m. Deze maat was gangbaar voor een ontginningsboerderij.

Drie fasen

Er zijn op de terpjes drie perioden van gebruiks- of bewoningsfasen aan te wijzen. Dit kan onder andere herleid worden op basis van de stratigrafie. Dit is de opbouw van lagen die een chronologische opeenvolging laat zien. De wijze waarop deze lagen onderling samenhangen en de datering van de bijbehorende vondsten hebben tot de volgende verdeling geleid. De eerste fase (ca. 1100-1300) bevat terpophogingen, diverse sporen, een dierbegraving, de perceelsloot en een waterput. De tweede fase (ca. 1300-1600) bevat geen duidelijke bewoningssporen. De sloot is aan het eind van deze fase gedempt. Uit de derde fase (ca. 1600-1800) komen een fundering, diverse dierbegravingen en nog enkele andere sporen. Uit de periode erna dateren geen sporen en zijn er nauwelijks vondsten.

 

Uit de terplagen komen diverse brokken huttenleem.

Uit de terplagen komen diverse brokken huttenleem. Bron: Archeologie West-Friesland.

Enkele eeuwen zonder bewoning

Uit de 14e, 15e en 16e eeuw zijn nauwelijks sporen gevonden. Het terrein werd toen in ieder geval niet intensief gebruikt. De perceelsloot werd rond 1650 gedempt, en dit wijst erop dat er in het gebied weer bewoningsactiviteit kwam. Direct na het dempen is het gebied opgehoogd en begon de eerste steenbouw, waarschijnlijk een stolpboerderij. Het erf werd in de 19e eeuw als boomgaard gebruikt.

Waterput uit 13e eeuw

De waterput uit de eerste fase is aangetroffen in de sloot die tussen de terpjes lag. Deze bestond uit een ton die samengesteld was uit vijftien eikenhouten duigen (gebogen houten planken), met hoepels van de twijgen van de hazelaar. Uit het dendrochronologische onderzoek (jaarringendatering) naar de duigen is helaas geen datering naar voren gekomen. Om de ton in de bodem te kunnen plaatsen, is een breed en diep gat gegraven, dat de ‘insteek’ wordt genoemd. Nadat de ton was geplaatst in het grijze zand van de natuurlijke bodem werd een rechte schacht opgebouwd uit stevige plaggen, die besmeerd werden met klei. In de ton verzamelde zich relatief schoon grondwater dat als drinkwater werd gebruikt. Onderin de waterput werd een matje van gevlochten wilgentenen aangetroffen dat diende als waterfilter. Deze techniek gebruikte men vaker. Maar omdat dit zich slechts op een gedeelte van de bodem bevond is de put alsnog van onderuit dichtgespoeld met het grijze zand van de natuurlijke bodem tot ongeveer 35 cm. De put raakte vervolgens in onbruik en werd niet meer schoon gehouden. In de insteek zaten rond de ton en in de dempingslagen van de put enkele scherven, waaronder proto-steengoed en bijna-steengoed uit de periode 1275-1300. Afgaande daarop wordt de aanleg van de put in de 13e eeuw geplaatst.

Waterput met houten ton uit de 13de eeuw.

Waterput met houten ton uit de 13de eeuw.

Botjes van kleine dieren

Waarschijnlijk lag de in onbruik geraakte waterput nog lange tijd open op het erf. In de put zijn namelijk botjes van tientallen diertjes zoals de bosmuis, huismuis, veldmuis, kikker en pad gevonden. Deze zullen in de put gevallen zijn, waarna ze er niet meer uit konden komen.Dit verhaal is gebaseerd op de tekst van C.P. Schrickx (Archeologie West-Friesland) uit de Archeologische Kroniek van Noord-Holland 2012 en op West-Friese Archeologische Rapporten 55 – Middeleeuwse woonterpjes in Wognum, Archeologisch onderzoek op het perceel Kerkstraat 11 in Wognum, gemeente Medemblik, door C.P. Schrickx en C. Soonius.

Huis van Hilde

Noord-Holland heeft sinds 2015 een nieuw archeologisch depot in Castricum, Het Huis van Hilde. Alle archeologische vondsten en collecties worden er bewaard die de provincie in de loop van decennia heeft verzameld. Daarnaast kunt u er vele honderden van de belangrijkste archeologische vondsten bekijken, zoals Willem en Hillegonda van Brederode, Hilde uit Castricum, de sarcofaag van Etersheim en de prehistorische kano’s van Uitgeest en de Wieringermeer.

Publicatiedatum: 21/02/2014

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.