Schuilkerk werd centrum van Haarlems verzet

Tegenwoordig biedt het gebouw gelegenheid aan jonge ondernemers om hun bedrijf op te starten. Voor de oorlog was er de oud-katholieke kerk gevestigd. Maar tijdens de oorlog was de schuilkerk aan de Kokstraat in Haarlem een centrum van verzetsactiviteiten. Onderduikers vonden er een veilig heenkomen en er stond een radiozender die contacten met Londen onderhield. Vanaf de tweede helft van 1944 was er het hoofdkwartier van district 12 van de Binnenlandse Strijdkrachten ondergebracht. Na de oorlog hield de eigenaar van het pand, Jan Kraakman, er een sociëteit waarin voormalige verzetsstrijders elkaar konden ontmoeten. Het hoogtepunt was op 21 mei 1968 toen Prins Bernhard en zijn schoonzoon Prins Claus op bezoek kwamen.

Oud-katholieke schuilkerk

Schuilkerken stammen uit de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Voordat die door de invasie van de Fransen in 1795 ter ziele ging, was de gereformeerde kerk de zogenaamde ‘officiële kerk’ in Nederland. Andere godsdiensten werden getolereerd, maar moesten zich van openbaar vertoon onthouden. Niet-gereformeerden kwamen bijeen in kerken die niet als zodanig herkenbaar waren. Dat waren de schuilkerken. In 1723 ontstond een scheuring in de Nederlandse katholieke gemeenschap tussen aanhangers van de kerk van Rome en die van het Utrechts Kapittel. De aanhangers van de laatste stroming stichtten de Oud-Katholieke Kerk. De schuilkerk aan de Kokstraat, inpandig verenigd met een woonhuis aan de Bakenessergracht (nu nr. 33), bood hun een onderkomen. De oud-katholieken verlieten het pand in 1938 en betrokken een nieuw kerkgebouw aan de Kinderhuissingel. Het gebouw werd gekocht door de beeldend kunstenaar en vormgever Jan P. Kraakman (1904-1988). Hij ging er wonen met zijn gezin en richtte de kerkruimte in als decor- en schildersatelier.

Nick Kraakman in de schuilkerk.

Onderduikers

In een interview vertelt Wim Kraakman dat zijn vader destijds min of meer ‘het verzet inrolde’. Het kerkgebouw annex woonhuis, ‘een ingewikkeld pand met trappetjes, gangetjes, vertrekken en kamertjes’ was als geschapen om er in de jaren ’40-’45 illegale activiteiten te doen plaatsvinden. Een grote groep joodse onderduikers werd er, voor de duur van vier of zes maanden, in ondergebracht. Dat kon eigenlijk niet onopgemerkt blijven. Voedsel werd regelmatig op karren aangevoerd, vertelt Kraakman. Hongerige buren stalen soms rode en witte kolen. Het was, gezien de steeds groter wordende kans op verraad, nodig de joden elders te laten onderduiken.

Centrum van verzet

In september 1944 besloot de Nederlandse regering in Londen de verschillende takken van het verzet te bundelen. Die bundeling, de Binnenlandse Strijdkrachten (B.S.), stond onder commando van Prins Bernhard. Het nog niet bevrijde gedeelte van Nederland werd ingedeeld in gewesten. Noord-Holland ten zuiden van het Noordzeekanaal was gewest 12. Commandant van het niet-strijdend gedeelte (hoofdzakelijk hulp aan onderduikers) was mr. Nico J.G. Sikkel, commandant van het strijdend gedeelte (gewapend verzet) was Cor van Stam uit de Haarlemmermeer. Sikkel vroeg aan Kraakman om in de schuilkerk onderdak te bieden aan een zendinstallatie. Kraakman stemde toe en daarmee werd de schuilkerk feitelijk het regionale hoofdkwartier van district 12.

Het stonk er geweldig

Voor de zendinstallatie, bediend door marconist Dick de Lee, was elektrische stroom nodig. Op 9 oktober staakte het energiebedrijf, vanwege gebrek aan brandstof, de leveringen. Daarna werd in de Kokstraat stroom opgewekt door een benzine-aggregaat. Om de verdachte geur van benzine te camoufleren, werden in het kamertje waarin het aggregaat stond konijnen gehouden. Wim Kraakman: ‘Die konijnenhokken mochten nooit schoongemaakt worden. De indringende geur van de mest was sterker dan die van benzine’. Zo af en toe een smakelijke konijnenbout was ook zeer prettig in de hongerwinter. ‘Achteraf’, zo zei verzetsstrijder Jan Overzet na de oorlog, ‘is het een wonder dat de zender nooit gevonden is, want hij was niet mobiel’. Zenders die niet regelmatig verplaatst werden, konden namelijk door de Duitsers opgespoord worden door het signaal te peilen.

Plaats van herinneringen

Na de oorlog hield de Bond van Oud-Illegale Werkers een sociëteit in de schuilkerk. Vele herinneringen werden er uitgewisseld, besproeid met een goed glas geestrijk vocht. Op uitnodiging van de Bond bezochten Prins Bernard en Prins Claus de sociëteit in 1968. De beide prinsen spraken er in een ongedwongen atmosfeer met de voormalige verzetsstrijders. Na de dood van Jan Kraakman in 1988 kwam de schuilkerk in eigendom van diens zoon Nick Th. Kraakman. Het oude gebouw dat op de monumentenlijst stond, was inmiddels dringend aan restauratie toe. De kosten daarvan waren echter zeer bezwaarlijk. Uiteindelijk besloot de gemeente Haarlem de schuilkerk in 1999 te laten restaureren. Pogingen van het Samenwerkingsverband Haarlem om daar een verzetsmuseum te vestigen, bleken financieel onhaalbaar. Daarom bevolken nu jeugdige ondernemers het gebouw met zijn rijke, veelzijdige historie. Maar het staat er nog steeds.

Bronnen

* Wim Helversteijn, ‘Jan Kraakman, 25 juni 1904 – 27 januari 1988’, in: Jaarboek Haerlem 1988 (Haarlem 1989), pp. 218-220.
* W. Hijmans, Behoud schuilkerk Kokstraat (Haarlem 1992).
Wim Kraakman, ‘Prins Bernard en Prins Claus op bezoek bij de Bond van Oud-Illegale Werkers in Haarlem’, in: Nieuwsbrief. Bond van Oud-Illegale Werkers; B.O.I.W. Haarlem, nummer 61 (december 2002), pp. 2-11.

Publicatiedatum: 12/01/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.