Schoon duinwater uit de Brouwerskolk

'In lommerrijk Overveen ligt een meertje.' Zo zou de VVV een beschrijving van de Brouwerskolk kunnen beginnen. De mooie waterplas heeft nu inderdaad nog uitsluitend een recreatieve betekenis, maar is ooit gegraven met een ander doel. Halverwege de zestiende eeuw raakte het Spaarnewater zo vervuild dat het niet langer bruikbaar was voor de talrijke Haarlemse bierbrouwerijen. Als vervanging daarvoor waren de brouwerijen voortaan aangewezen op het schone duinwater in de Brouwerskolk. Tot op de dag van vandaag draagt die naam de herinnering aan een verdwenen industrietak in de hoofdstad van Noord-Holland.

De Oude Brouwerskolk, ziende naar het oosten (Houtvaart in Haarlem, 1800).

De Oude Brouwerskolk, ziende naar het oosten (Houtvaart in Haarlem, 1800).De Oude Brouwerskolk, ziende naar het oosten (Houtvaart in Haarlem, 1800).

De Oude Brouwerskolk

Voordat de huidige Brouwerskolk in de loop van de zeventiende eeuw gegraven werd, maakten de Haarlemse bierbrouwers gebruik van een kolk die zo’n anderhalve kilometer ten zuidoosten daarvan lag. Dat wil zeggen, ongeveer op de plaats waar nu in Haarlem nog het zwembad ‘De Houtvaart’ staat aan de Piet Heinstraat. Die kolk lag in een bocht van de Aerdenhouts- of Ruyckebiersvaart, een vaart die zijn water kreeg uit de duinmeren en duinrellen. Nadeel van deze plek was dat hij midden in het veen lag en daarom niet het allerschoonste duinwater bood.

Water over water

De Nieuwe Brouwerskolk, nu dus gewoon de Brouwerskolk, stond met de stad in verbinding via de Brouwersvaart, voorheen ‘Santvaert’. De vaart was gegraven om met schuiten duinzand naar Haarlem te brengen, vandaar de aanvankelijke benaming. Dit zand werd in Haarlem, maar ook in Amsterdam en Leiden, gebruikt voor bouwactiviteiten. Die steden groeiden in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw namelijk snel en zaten constant om zand verlegen.

Het schone water in de Brouwerskolk welt op vanuit de zandige bodem. Dit water vindt zijn oorsprong in de waterbel in de duinen, waaruit ook de duinrellen hun water ontvangen. Vanuit de Brouwerskolk werd dit water in vaten op schuiten naar Haarlem gebracht. Aan de waterzijde van de brouwerijen stond een putgalg, ook wel bierpaal genoemd. Dit was een hijsinstallatie met een daaraan verbonden waterreservoir. Nadat dit was gevuld met water uit de schuiten werd het omhoog gehesen. Via een watergoot, of een buis, stroomde het dan de brouwerij in.

Verontreiniging door linnenblekerijen

De bierbrouwers waren niet de enigen die verlegen zaten om schoon water. Sinds het einde van de zestiende eeuw gebruikte ook een snel groeiend aantal linnenblekerijen schoon duinwater. Veel van deze blekerijen lagen in Bloemendaal en Overveen. Voor de brouwers was het niet zozeer een probleem dat de blekers veel duinwater gebruikten, aan dat water was immers geen gebrek. Het probleem was dat de blekers het water verontreinigden met de afvalstoffen van het bleekproces. Bij het bleken werd onder meer gebruik gemaakt van loog en karnemelk. Die stoffen werden uiteindelijk uit het linnen gewassen en kwamen met het waswater in het oppervlaktewater terecht. Vooral in de jaren waarin de brouwers nog het water uit de Oude Brouwerskolk gebruikten, ondervonden ze veel hinder van die verontreiniging.

Strijd om het water

De brouwers behoorden tot de machtigste groep in de Haarlemse samenleving en het was voor hen een koud kunstje om het stadsbestuur al in 1580 tot actie te bewegen. De grootste verontreinigers bevonden zich in Overveen, een plaats die niet viel onder de rechtsmacht van Haarlem, maar onder die van de Heer van Bredero. Haarlem kon dus niet zomaar verbodsbepalingen uitvaardigen die de linnenblekerijen aan banden legden. De stad probeerde dit echter wel en kwam, nadat de blekers claimden dat de stad buiten haar boekje trad, in conflict met de heer Van Brederode. Een juridische en politieke strijd volgde, die vele jaren duurde. Uiteindelijk trok Haarlem aan het langste eind nadat ook de Stadhouder en het Hof van Holland zich met de zaak hadden bemoeid. Alle blekerijen in de polder ten zuiden van de Zijlweg moesten verdwijnen. De blekers kregen hiervoor wel een eenmalige uitkoopsom van driehonderd ponden, te betalen door het Haarlemse brouwersgilde.

Bronnen

Pier Hoekstra, Bloemendaal. Proeve ener streekgeschiedenis (Wormerveer 1947), pp. 132-136.

S.C. Regtdoorzee Greup-Roldanus, Geschiedenis der Haarlemmer bleekerijen (‘s-Gravenhage 1936), pp. 228-236.

Beide ter inzage in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief.