Schilderkunst in Noord-Holland voor de beeldenstorm

De basis voor de fabelachtige rijkdom en de wereldberoemde kunstproductie in Holland tijdens de Gouden Eeuw werd al in de vijftiende en zestiende eeuw gelegd.

Graan, hout en vee werden vanuit Oost-Europa en Scandinavië naar Holland vervoerd en daar verder verhandeld door Europa. Geen wonder dat juist langs de Noordzeekust steden groeiden als kool en handelaren hun nieuw gevonden rijkdom investeerden in de bouw van kerken en huizen, die ze inrichtten met de mooiste kunstwerken. In deze periode kwam de kunstproductie in Noord-Hollands belangrijkste steden, Haarlem en Amsterdam, tot bloei.

Geertgen tot Sint Jans

Tot ruim in de zestiende eeuw was Haarlem groter en rijker dan Amsterdam. Het is dan ook niet vreemd dat de Spaarnestad zich eerder als centrum voor kunstproductie ontwikkelde. Geertgen tot Sint Jans was aan het eind van de vijftiende eeuw de belangrijkste schilder in Holland. Veel weten we niet over deze ‘Gerritje’, maar zijn naam dankt hij aan het Johannieterklooster waar hij woonde. Eén van de meest kenmerkende schilderijen uit zijn werkplaats is De heilige Maagschap, naar het oud-Nederlandse woord ‘maag’, dat bloedverwant betekent. Het stelt de kleine Christus voor op schoot bij zijn moeder Maria, gekleed in een blauwe jurk. Om hen heen staan Christus’ grootouders, ooms, tantes en neefjes.

Geertgen tot Sint Jans: De heilige Maagschap, ca. 1495.

Geertgen tot Sint Jans: De heilige Maagschap, ca. 1495. Beeld: Collectie Rijksmuseum, Amsterdam.

Jacob Cornelisz van Oostsanen

Geertgen mag met recht de vader van de Hollandse schilderschool genoemd worden: veel kunstenaars werden in Haarlem binnen zijn invloedssfeer opgeleid. Vermoedelijk geldt dat ook voor Jacob Cornelisz van Oostsanen. Deze kunstenaar vestigde zich echter in Amsterdam, dat rond 1500 aan een groeispurt begon. Veel kunstenaars werkten nog niet in die stad en Jacob moet zijn kans schoon gezien hebben de markt daar te veroveren. Dat lukte ook: in zijn atelier aan de Kalverstraat maakte hij voor de Hollandse adel en stedelijke burgerij grote aantallen altaarstukken, portretten, prenten en ontwerpen voor glasruitjes en borduurwerk. Ook vervaardigde hij een aantal belangrijke gewelfschilderingen in Noord-Hollandse kerken.

Jacob Cornelisz van Oostsanen: Drieluik met de Geboorte van Christus,1517.

Jacob Cornelisz van Oostsanen: Drieluik met de Geboorte van Christus,1517. Beeld: Amsterdam, Rijksmuseum.

De eerste schuttersstukken

Jacob van Oostsanen was een echte kunstenaar-ondernemer en zijn hele familie werkte in het bedrijf. Zijn kleinzoon Cornelis Anthonisz. schilderde één van de eerste Hollandse schuttersstukken, lang voor Rembrandt de Nachtwacht schilderde. De zelfbewuste, trotse leden van de Voetboogdoelen lieten zich in uniform afbeelden, de kruisbogen (‘voetbogen’) bij de hand. De zeventien schutters van rot (compagnie) ‘H’ zitten aan een wat karige dis van brood, haring en gevogelte (misschien reigers!), maar blijkens de blokfluit en het blad met muziek zien we toch een feestelijke gelegenheid. Het schilderij was bestemd voor het Doelenhuis, gelegen aan de huidige Voetboogstraat, waar het hing tussen groepsportretten van de andere rotten.

Cornelis Anthonisz.: Zeventien schutters van de Voetboogdoelen, genaamd de Braspenningmaaltijd, 1533.

Cornelis Anthonisz.: Zeventien schutters van de Voetboogdoelen, genaamd de Braspenningmaaltijd, 1533. Beeld: Collectie Amsterdam Museum.

Kunstmarkt in Alkmaar

In Alkmaar werkte de broer van Jacob van Oostsanen, Cornelis Buys I, en zijn neef Cornelis Buys II. Wat de oude Buys voor werk schilderde is onbekend, maar hij wordt soms met de anonieme Meester van Alkmaar geïdentificeerd. De jonge Buys werd hoogstwaarschijnlijk in het Amsterdamse atelier van zijn oom opgeleid. Alkmaar had in de zestiende eeuw, net als tegenwoordig, een belangrijke regiofunctie, met een bescheiden kunstmarkt. Cornelis Buys II schilderde het grote en kostbare werk ‘Jacob trekt weg uit Laban’ wellicht voor een lokale edelman of stadsbestuurder, die ongetwijfeld tot zijn klantenkring behoorde.

Cornelis Buys II: Jacob trekt weg bij Laban, ca. 1535.

Cornelis Buys II: Jacob trekt weg bij Laban, ca. 1535. Beeld: Collectie Stedelijk Museum Alkmaar.

Groepsportret van de Jeruzalembroederschap

Oostsanens meest ambitieuze leerling was Jan van Scorel, die in 1519 vertrok op een lange reis naar het Heilige Land en Rome. Nadat hij in het Vaticaan enige jaren voor de Nederlandse paus Adrianus V had gewerkt keerde hij naar Holland terug, waar hij toetrad tot de Haarlemse Jeruzalembroederschap. Voor de kapel van deze exclusieve broederschap in de Sint Bavokerk schilderde hij een groepsportret van zijn mede-Jeruzalempelgrims. De derde man van rechts is Scorel zelf! De broeders dragen palmtakken in de hand, waardoor het lijkt alsof ze in de Palmzondagprocessie lopen, één van de kernactiviteiten van de broederschap. Scorel werkte het grootste deel van zijn carrière in Utrecht. Hoewel de Italiaanse stijl waarin hij schilderde zijn werk zeer geliefd maakte, pakte hij ook andere projecten aan. Zo ontwierp hij een plan (dat helaas nooit werd uitgevoerd) voor de bedijking van de Zijpe (in de Kop van Noord-Holland) en de polder Nova Roma.

Jan van Scorel: Twaalf leden van de Haarlemse Jeruzalembroederschap, ca. 1528.

Jan van Scorel: Twaalf leden van de Haarlemse Jeruzalembroederschap, ca. 1528. Beeld: Frans Halsmuseum, Haarlem.

De schildersgilden

Al aan het eind van de vijftiende eeuw waren de schilders in Amsterdam en Haarlem verenigd in gilden. Deze ‘vakbonden’ beschermden de belangen van hun leden, vooral voor concurrentie van buiten de stad. Maarten van Heemskerck, die rond 1550 hoofdman van het gilde werd, maakte voor zijn Haarlemse gildebroeders een schilderij van hun schutspatroon, de heilige Lucas, die de Maagd Maria schildert. Het was vermoedelijk voor hun gildealtaar in de Sint Bavokerk bedoeld. In Amsterdam was de beroepsgroep waarschijnlijk lang niet zo groot en behoorden de schilders tot het Onze-Lieve-Vrouwegilde, samen met veel andere handwerkslieden. Pas in 1579 verzelfstandigen zij zich, met de glazenmakers en borduurwerkers, in het Sint Lucasgilde.

Maarten van Heemskerck: Lucas schildert de Maagd, 1532.

Maarten van Heemskerck: Lucas schildert de Maagd, 1532. Beeld: Frans Hals Museum, Haarlem.

Beeldenstorm

In 1566 woedde in de Nederlanden de Beeldenstorm. Veel van het werk van de oude Hollandse meesters werd vernield door protestanten, die geen kunstwerken meer in de kerken duldden. Sommige andere, kostbare werken werden verkocht, zoals Maarten van Heemskercks enorme altaarstuk voor de Grote Kerk van Alkmaar, dat sinds 1581 de Domkerk in Linköping (Zweden) siert. Gelukkig is een deel van hun werken wel bewaard en te zien in Nederlandse musea, waaronder het Rijksmuseum, het Frans Hals Museum in Haarlem, het Stedelijk Museum Alkmaar en het Centraal Museum te Utrecht.

Auteur: Alice Taatgen.

Maarten van Heemskerk: Sint Laurentiusaltaar voor de Grote Kerk in Alkmaar, 1542; thans in Linköping (Zweden), Dom.

Maarten van Heemskerk: Sint Laurentiusaltaar voor de Grote Kerk in Alkmaar, 1542; thans in Linköping (Zweden), Dom.

Publicatiedatum: 23/04/2014