Redders in nood

In vliegende storm verlaat een reddingsboot de pieren van IJmuiden, op weg naar een schip in nood. Tegenwoordig wordt niets nagelaten om schipbreukelingen veilig aan wal te brengen. De moderne reddingsboot is daarvoor optimaal uitgerust. Ze kan haast niet zinken en als ze omslaat, richt ze zich gewoon weer op. Maar ook met dit materieel is het reddingswerk op zee niet zonder risico's. Tussen 1825, toen het georganiseerde reddingswerk begon, en 1925 gebruikte men voor dit werk nog roeiboten. Een reddingsoperatie was in die periode natuurlijk veel riskanter. Nog wat verder terug in de tijd werden schipbreukelingen vaak aan hun lot overgelaten. De kustbewoners hadden veel meer belangstelling voor de lading.

De lading was interessanter …

Tot zo ongeveer het midden van de achttiende eeuw konden schipbreukelingen er niet altijd op rekenen geholpen te worden. De meestal straatarme kustbewoners hadden het meer voorzien op de lading van de gestrande schepen dan op het redden van mensenlevens. Al in 1529 probeerde keizer Karel V iets aan die wantoestand te doen. Maar zijn maatregelen, evenals die van andere overheden later, bleven zonder veel effect. Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw troffen de Staten van Holland en West-Friesland maatregelen die enige verbetering brachten. De beslissende verbetering kwam echter in 1824, niet van de overheid, maar van het particulier initiatief.

Reddingsboot Neeltje Jacoba (1958).

Reddingsboot Neeltje Jacoba (1958).Reddingsboot Neeltje Jacoba (1958).

De ramp van 14 oktober 1824

Bij Huisduinen strandde op 14 oktober 1824 het Nederlandse fregatschip ‘De Vrede’. Vrijwilligers voeren met een lichte open sloep uit om de bemanning te redden. De eerste tocht was een groot succes en bracht een aantal schipbreukelingen aan wal. De tweede eindigde in een catastrofe. De roeiboot sloeg om in de zware branding en redders plus geredden kwamen, op een man na, om het leven. Het nieuws over deze rampzalig geëindigde reddingsoperatie bracht een schok van ontsteltenis teweeg. In Amsterdam, en kort daarna in Rotterdam, namen vermogende notabelen nog in hetzelfde jaar het initiatief tot oprichting van reddingsmaatschappijen. Na het nodige, gezien de betrokken steden voor de hand liggende, gebakkelei verdeelden deze maatschappijen de Nederlandse kuststrook onder elkaar. De in Amsterdam gevestigde Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingsmaatschappij (N.Z.H.R.M.) kreeg de kust tussen Ter Heijde (= dorp ten zuiden van Den Haag) en de Nederlands-Duitse grens in het noorden van Groningen onder haar hoede. De beide maatschappijen verwierven fondsen waarmee ze zeewaardige sloepen kochten. Deze zogenaamde ‘Groenlandsche sloepen’ waren door hun breedte extra zeewaardig. Het gebruik van kurk droeg bij aan het drijfvermogen. Ze werden geplaatst in kustdorpen, ‘stations’ genaamd, en bemand door vrijwilligers. Al in 1825 bewezen ze in de praktijk hun goede diensten.

Het station IJmuiden

Het N.Z.H.R.M.-station IJmuiden dankt natuurlijk, zoals zoveel wat met IJmuiden van doen heeft, zijn ontstaan aan de aanleg van het Noordzeekanaal. Dat kanaal zou immers een zeer groot aantal schepen gaan aantrekken en zelfs een leek kon voorspellen dat daarom bij IJmuiden meer schipbreuken te verwachten waren dan voorheen. De nieuwe IJmuider sloep arriveerde in november 1876, kort na de opening van het kanaal. Ze werd gestationeerd bij de Noorderpier. De eerste groep vrijwilligers die de sloep bemande, bestond grotendeels uit vletterlieden. De eerste vaste bootsman was P. van der Wiele die evenals de andere vletterlieden na de opening van het Noordzeekanaal uit Nieuwediep (bij Den Helder) overgekomen was. In 1877 kwam er ook een sloep bij de Zuiderpier. Dat was nodig omdat de sloep van de Noorderpier door de sluizen verhinderd was het strand ten zuiden van de pieren te bereiken. De sloepen werden immers vanaf het strand ‘gelanceerd’. De noordersloep kwam voor het eerst in actie op 15 oktober 1877. Ze redde toen dertien schipbreukelingen van de sleepboot Archimedes. Die was in een zware storm vastgelopen op een zandbank.

Het reddingswerk moderniseert

Met de komst in 1930 van een zelfrichtende moderne motorreddingboot, de beroemde Neeltje Jacoba, brak de moderne tijd van het reddingswerk in IJmuiden aan. In 1942 verdween, op last van de Duitse bezetter, het noordelijke boothuis. De Neeltje Jacoba verrichtte haar reddingswerk vanuit de buitenhaven, tussen de pieren. Wie geïnteresseerd is in de recente geschiedenis en actualiteit van dit reddingswerk, bezoekt de website van het IJmuidense station op http://www.knrm.nl.

Bronnen

H.Th. de Booy, Geboorte en groei van het Nederlandsche Reddingwezen (Leiden 1943).
 
Cees van der Meulen en Siep Zeeman, Met het oog op zee. De Nederlandse reddingmaatschappijen in beeld (Amsterdam 1989).
 
* M. Spaans, De ‘Noord’. De geschiedenis van de Koninklijke Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij (Amsterdam 1993).
 
* S. Zeeman, ‘IJmuiden honderd jaar. Grepen uit de geschiedenis van het reddingstation IJmuiden’, in: De Reddingboot: jaarverslag en mededelingen van de Koninklijke Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij 120 (1976) 6051-6085.
 
* Ter inzage in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief.

Publicatiedatum: 05/01/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.