Peperstraat 16: woonhuis dienstmeisje

Peperstraat 16 was in 1910 het woonadres van woonhuis van het gezin van fabrieksarbeider Jacob Appelman. Het gezin had het niet breed. Geld om kinderen na de lagere school verder te laten leren was er in die tijd voor veel mensen niet. Jongens gingen in de leer bij een baas om een beroep te leren, meisjes gingen vaak ergens als hulp in de huishouding in dienst. Als “dienstbode”, heette dat vroeger.

Dit gebeurde ook met dochter Grietje Appelman. Zij was in dienst bij de bejaarde heer en mevrouw Markus (Grote Oost 75), toen daar op 29 september 1910 rond het middaguur een pakje werd bezorgd door de firma Van Gend & Loos. Daarin zat een taart voor de heer des huizes, gemeentebode en marktmeester Willem Markus, als geschenk voor zijn 84everjaardag. De taart bleef tot na het avondeten onaangeroerd. Om half zeven begon Markus de taart aan te snijden voor zijn vrouw en voor Grietje. Zelf had hij geen zin, omdat hij een jaar eerder ziek was geworden van een verjaardagstaart. Maar hij vond het zonde om hem te laten bederven. Ook de kat van de familie Markus kreeg een stukje taart. Het beestje begon na een tijdje hevig te braken.

Korte tijd later kregen beide vrouwen dezelfde verschijnselen. Mevrouw Markus ging naar bed, waar zij in de vroege ochtend van 30 september overleed. Ondanks haar lichamelijke toestand slaagde Grietje er nog in om naar huis te lopen. Ze moest echter meteen haar bedstede in. Het verband tussen haar ziekte en het overlijden van mevrouw Markus was duidelijk. Dat stelde ook de dokter vast, die haar thuis onderzocht. Grietje werd zo ziek, dat zij het sacrament der stervenden kreeg toegediend. Maar na een paar kritieke dagen herstelde zij gelukkig.

Er bestaat een ontroerende foto van Grietje Appelman, genomen enkele dagen na de aanslag van de met arsenicum vergiftigde taart. Het 14-jarige meisje is gefotografeerd terwijl zij nog in de bedstede ligt, herstellende van de vergiftiging, met een fotoalbum op schoot. Het is misschien wel het meest indringende tijdsdocument dat in het kader van de Hoornse taartmoord is gemaakt.

Grietje Appelman herstellende van de vergiftiging

Het huisje van de familie Appelman was een huurhuis. Eigenaar was bakker Kolkman in de Nieuwstraat, de huur bedroeg ƒ 1,50 per week. In 1903 is er door een inspecteur een gedetailleerde omschrijving van het pand gemaakt. Dit hield verband met een landelijk onderzoek naar woontoestanden. Vooral minder gegoeden bleken vaak in erbarmelijke omstandigheden te leven, met alle gevolgen vandien voor de volksgezondheid. De complete woning Peperstraat 16 was slechts 4,2 bij 6,5 vierkante metergroot. Daarin woonden, aten en sliepen vader en moeder Appelman en hun zeven(!) kinderen.

Er liepen kippen op het erf, wat zeker niet zal hebben bijgedragen aan de hygiëne in het huis. Ook was de zoveel vocht in de woning, dat er slakken in rondkropen. Dit is anno 2011 nauwelijks voor te stellen, maar begin vorige eeuw kwamen dergelijke toestanden nog overal in Nederland voor. Het gevaar voor infectieziekten was groot. In een tijd dat antibiotica nog niet bestonden, was dat uiteraard een groot probleem. De kindersterfte lag dan ook veel hoger dan tegenwoordig.

Woningonderzoek 1903. De leefsituatie in het toenmalige pand aan de Peperstraat 16 werd in 1903 gekeurd door de gemeente.

Grietje Appelman was blijkbaar een meisje met een enorme weerstand, anders had zij de aanslag wellicht niet overleefd. Zij zou later trouwen met Albertus Petrus Bongers, met wie zij zeven kinderen zou krijgen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gaven zij onderdak aan een groot aantal joden. Door verraad werden deze eind 1944 opgepakt en in Bergen-Belsen vermoord. Het echtpaar Bongers-Appelman vertrok in 1958 naar Heemskerk, waar Grietje in 1984, zes jaar na haar man, overleed.

Auteurs: Richard Sandbrink en Jan de Bruin

Publicatiedatum: 24/10/2011