Ons stadsdialect in de laatste eeuw

Buurtdialecten verdwenen in de loop van de twintigste eeuw en het overgebleven stadsdialect werd nationale folkore. Minder vaak gebruikt, maar nog wel een element in de moderne taal van het schoolplein. Dat alles zien we in dit slotverhaal van een korte serie (zie gerelateerde verhalen) over het Amsterdams door de eeuwen heen.

Invloeden op het Amsterdams: de toekomst

“– Jeisis. Wet is d’r nou àn de hènd? – De prinsenmerie… twei kopsmeirisse met ’n keirel. – ’t Is Grijse Kaù, de mèseloar fèn ’n staàger gesloage… Se hàrses fen mekoar!”Zó praatten Jordanezen kort na 1900, althans volgens Israël Querido, in deel 1 van zijn romancyclus ‘De Jordaan’ (1912). Zijn veldwerk pakte hij grondig aan: hij huurde daarvoor zelfs een kamertje in de Eerste Goudsbloemdwarsstraat. Niettemin beklemtoonde Querido zelf dat zijn realisme zeer betrekkelijk was; daar ging nog heel wat intuïtie en visionaire verbeeldingskracht overheen. Zo wist hij eigenlijk nog beter dan de Jordanezen zelf welke woorden bij hen pasten. “Het eigenaardige is dat tallooze uitdrukkingen door mij gevonden, door de Jordaners zijn overgenomen”, pochte hij. Voor zijn lezers was het niettemin een geloofwaardige impressie van de Jordaan van hun tijd. Sindsdien werd de Jordaan de bekendste Amsterdamse volksbuurt en ging haar dialect model staan voor ‘hét Amsterdams’.

Wandelend echtpaar in een Jordaanstraatje.

Schrijvers

Begin twintigste eeuw droegen populaire schrijvers als Querido en Herman Heijermans zeer bij aan de groeiende belangstelling voor de ‘volkstaal’. In sappige dialogen schetsten zij voor een doorgaans geletterd publiek het dagelijks leven van de minderbedeelde Amsterdammer, die zich maar al te vaak door kapitalisten, pastoors en rabbijnen liet misleiden.

Volkstoneel

In het tweede decennium kwam daar een nieuw genre bij: het ‘volkstoneel’ van vooral Herman Bouber, die in stukken als ‘De Jantjes’ en ‘Bleeke Bet’ typische Jordanezen liet zien voor een veel minder elitair publiek. En dat beeld was al weer heel wat positiever: ruwe bolster, blanke pit. Veel meer nog dan Querido werd Bouber de vader van de Jordaan-folklore, zeker vanaf de jaren twintig en dertig, toen zijn stukken werden verfilmd. Tegelijk werd die toffe Jordaan bezongen door Louis Davids.

Radio en grammofoonplaat

De Jordaan-folklore bereikte in de jaren vijftig haar hoogtepunt. In 1952 lanceerde Wim Sonneveld (op tekst van Eli Asser) met razend succes op de radio zijn type Willem Parel, ‘de orregeldraaier’. En in 1955 werd door een platenmaatschappij Jantje van Musscher alias Johnny Jordaan uitgeroepen tot beste zanger van de buurt, met Tante Leen (Polder) als goede tweede. Meteen waren ze nationale beroemdheden.

Johnny Jordaanplein. Op de voorgrond van links naar rechts: bustes van Tante Leen, Manke Nelis, Johnny Meyer en Johnny Jordaan. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Uittocht en renovatie

De Jordaan was toen allang niet meer een ‘eiland’ in de stad. Veel bewoners werkten nu buiten de eigen buurt. Tussen beide wereldoorlogen waren bovendien velen hun krotwoningen ontvlucht naar de charmante nieuwe tuindorpen in Noord. En vanaf de jaren vijftig verhuisde een volgende generatie, aangemoedigd door de gemeente, massaal naar de nieuwe Westelijke Tuinsteden, Lelystad en Almere. Pas daarna zwichtte de gemeente voor het protest tegen haar plan de hele Jordaan te slopen en begon ze aan een grondige opknapbeurt. Studenten, kunstenaars en vervolgens yuppen betrokken de etages van Tante Alie en Ome Nelis. Nee, daarmee verdween de oude sfeer niet geheel, maar nu moet je wél weten in welke kroeg je moet zijn om nog echt Jordanees te horen.

Auteur: Peter-Paul de Baar

Bron

Dit is een bewerking van een artikel op www.onsamsterdam.nl

Publicatiedatum: 22/07/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.