Aan het einde van de zestiende eeuw richtte Nederland zijn blik naar de horizon. De traditionele handel met het Oostzeegebied, waar handelaars sinds de late middeleeuwen graan, ijzer en hout vandaan haalden, was een van de belangrijkste bronnen van welvaart voor ons land. Maar nu begonnen zij hun handelsgebied uit te breiden, eerst richting de Middellandse Zee, daarna naar de Oost en de West. In tegenstelling tot de ruwe goederen uit Oost-Europa, waren in Azië luxeproducten te krijgen, zoals specerijen, thee, lakwerk en fijne stoffen als zijde en katoen.
In 1595 voer een expeditie onder leiding van Cornelis de Houtman (1565-1599) voor het eerst rond Kaap de Goede Hoop richting Oost-Indië. Hij toonde aan dat het mogelijk was om zo de Oost te bereiken en stond daarmee aan de wieg van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, die in 1602 werd opgericht. Rond dezelfde tijd werd er naarstig gezocht naar een noordelijke route naar Azië, langs Noorwegen en Rusland. Dankzij deze expedities werd het gebied ten noorden van Scandinavië in kaart gebracht. Berichten over walvissen die daar in groten getale voorkwamen, brachten de walvisvaart rondom Spitsbergen op gang.

Cornelis de Man, Een traankokerij van de Noordse of Groenlandse Compagnie op Smeerenburg, een nederzetting van Nederlandse walvisvaarders op Spitsbergen, 1639. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Hardnekkig poolijs
Expedities naar de poolcirkel waren nooit zonder risico. Het was de periode van de Kleine IJstijd, waardoor het poolgebied een stuk ijziger was dan tegenwoordig. Ook tijdens de warmere maanden lag er nog veel ijs, zeker rondom Spitsbergen, Nova Zembla en Noord-Siberië. Er was dus altijd een kans dat schepen vast kwamen te zitten. Dit gebeurde ook Willem Barentsz (ca. 1550-1597) toen hij in 1596 een expeditie leidde over de Noordelijke IJszee richting China. Hoewel hij pas in mei uit Amsterdam vertrok, boden de zomermaanden hem geen garantie op een veilige overtocht.

Christoffel Bisschop, Heemskerk en Barentsz bereiden hun expeditie naar het Noorden voor, 1862. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Integendeel, zijn tocht zou te boek komen te staan als een van de meest beruchte expedities uit de geschiedenis. Het obstakel was Nova Zembla, een langgerekt eiland ten noorden van Rusland. Waar twee eerdere pogingen om Nova Zembla aan de zuidkant te passeren mislukt waren, probeerde Barentsz via het noorden langs het eiland te varen. Het schip, met kapitein Jacob van Heemskerk (1567-1607) als kapitein, voer veilig om de noordpunt heen, maar kwam daarna vast te zitten in het poolijs aan de oostkust. Verder varen was niet meer mogelijk.

Kaart van het eiland Nova Zembla uit de Atlas van Loon, 1664. Op de kaart is goed te zien hoe ver de expeditie van Barentsz is gekomen. Het Behouden Huis staat aangegeven aan de oostkust. Via Wikimedia (publiek domein).
Het Behouden Huis
De bemanning probeerde het beste van de situatie te maken en zich voor te bereiden op de strenge winter die zou komen. Van timmerhout uit het schip en aangespoeld drijfhout bouwden ze een huis van ongeveer tien meter lang en zes meter breed: Het Behouden Huis. Hiervoor gebruikten ze timmergereedschap dat aan boord was meegenomen om onderweg reparaties aan het schip uit te voeren. Elk schip was destijds uitgerust met dit soort gereedschap, naast de reguliere scheepsbenodigdheden en navigatie-instrumenten. Veel van dit gereedschap, zoals een blokschaaf en een beitel, kun je tegenwoordig nog steeds in de gereedschapskist vinden.

Jan Luyken, De tocht naar Nova Zembla in 1596. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Tegen de muren van Het Behouden Huis timmerden ze slaapplaatsen en in het midden creëerden ze een vuurplaats. De rook kon via een schoorsteen in het dak naar buiten toe. Het open haardvuur gaf niet alleen warmte, maar werd ook gebruikt om op te koken. Hiervoor kwamen het haardijzer en de grote kookpotten uit het schip goed van pas. Ook borden en bestek maakten het verblijf iets comfortabeler, net als de zogenaamde ‘prikkandelaars’ die de bemanningsleden in de muur konden slaan om een kaarsje aan te steken. Licht was een schaars goed, aangezien Het Behouden Huis geen ramen had om de kou zoveel mogelijk buiten te houden.

Twee koperen kookpotten, afkomstig van het kamp van Barentsz op Nova Zembla. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Aanvallende ijsberen
Het Behouden Huis beschermde de bemanning negen maanden lang tegen de barre kou, maar ook tegen agressieve ijsberen. Gelukkig hadden de mannen wapens om zich te kunnen verdedigen. Schepen gingen vroeger nooit onbewapend op weg. Op zee schuilden talloze gevaren, met name piraten en vijandige schepen uit andere landen. Op allerlei tekeningen die naderhand van de overwintering zijn gemaakt, zien we de bemanning heldhaftig schieten op aanvallende ijsberen of een gesneuvelde ijsbeer met bijlen en messen in mootjes hakken. Er moest immers ook gegeten worden.

Blad met vier kopieën naar de oorspronkelijke illustraties in het reisverslag van de tocht van Willem Barentsz en Jacob van Heemskerk en het verblijf op het eiland Nova Zembla, 1615-1650. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Maar als er even niet gevochten werd, doodden de mannen de tijd met muziek maken en sporten. Sommigen hadden instrumenten mee, zoals een dwarsfluit en een trommelstok. Een ander had van walvisbeen een bal gemaakt om mee te ‘kolven’, een oer-Hollandse voorloper van hockey. Zo had ieder bemanningslid zijn eigen vermaak bij zich, dat hij bewaarde in zijn persoonlijke scheepskoffer. De mannen moesten creatief omgaan met de schaarse middelen die ze hadden. Toen hun leren schoenen te koud bleken voor het poolklimaat, maakten ze zelf nieuwe exemplaren van vossenbont.

Leren muiltjes en schoenen, afkomstig van het kamp van Barentsz op Nova Zembla. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Bevroren in de tijd
Het behoeft geen uitleg dat niet alle bemanningsleden de barre winter overleefden. Na de winter wisten twaalf overlevenden in open sloepen de bewoonde wereld te bereiken. Barentsz overleed onderweg, maar kapitein Van Heemskerk bereikte Amsterdam levend en wel in 1597. Het avontuur leverde hem veel aanzien op. Je zou misschien denken dat hij het varen hierna voorgoed zou opgeven, maar niets was minder waar. Het jaar daarop vertrok Van Heemskerk namelijk nogmaals richting Indië, maar dit keer via de bekende route rond Kaap de Goede Hoop.

Afscheidsbrief met verantwoording over de gang van zaken tijdens de expeditie, geschreven door Willem Barentsz en Jacob van Heemskerk, 1597. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Omdat de bemanningsleden niet al hun spullen in de sloepen mee hadden kunnen nemen, was er veel op Nova Zembla achtergebleven. Drie eeuwen later, in 1871, trof een Noorse expeditie de resten van Het Behouden Huis op het eiland aan. Het haardijzer en de kookpotten stonden nog steeds op hun oorspronkelijke plaats; van de houten scheepskoffers waren alleen de ijzeren sloten nog overgebleven. De talloze werktuigen, wapens, kleding en boeken van de bemanning namen ze mee. Ook troffen ze handelswaar aan voor de Aziatische markt: tinnen kandelaars, zoutvaten, medaillons en een lampetkan, die Barentsz in China had willen verkopen – als hij de kans had gekregen.

Wapens, afkomstig van het kamp van Barentsz op Nova Zembla. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Wie al deze voorwerpen eens in het echt wil zien, kan een bezoekje brengen aan het Rijksmuseum Amsterdam. Op een steenworp afstand van de Nachtwacht hebben de restanten van de noodlottige expeditie een laatste rustplaats gevonden. Je hoort er alles over in de podcast Humberto’s favorieten.
Tekst: Sarah Remmerts de Vries
Omslagbeeld: François-Auguste Biard, De kust van Nova Zembla, 1841. Via Wikimedia (publiek domein).
Bronnen:
- Bezoek aan het Rijksmuseum Amsterdam (3 februari 2026).
- Rijksmuseum Amsterdam, Topstukken uit de collectie (Amsterdam 1995).
Publicatiedatum: 10/02/2026
Vul deze informatie aan of geef een reactie.