Met Brederode mee de dijk op

Het was op een mooie zondag ‘besaeyt met Menschen’ op de Spaarndammerdijk schreef Brederode (1585-1618). Hij had stadgenoten zien lopen over de dijk met zicht op het weidse polderland en het IJ. Even de stad ontvluchten – ook toen. Wandel (in gedachten) met Brederode mee de stad uit. De dijk op naar Spaarndam.

De Spaarndammerdijk beschermde eeuwenlang een groot deel van Holland tegen het woeste water van het IJ, een uitloper van de Zuiderzee. Brederode, Rembrandt en alle anderen die eeuwen geleden over deze dijk liepen, zagen schepen met volle zeilen over het IJ varen. Het IJ was aanzienlijk groter dan nu.

Schepen op het IJ, getekend door J. Koster, 1761; collectie Stadsarchief Amsterdam, Afbeeldingsbestand 010055000403

Menige schipper zette koers naar Spaarndam, want na het passeren van de sluis daar kon je, via de rivier het Spaarne en diverse binnenwateren, de lading afleveren in Leiden. Of Gouda.

Afwisseling

Eeuwen na Brederode en Rembrandt (1606-1669) was de Spaarndammerdijk nog steeds een geliefde route om er op uit te trekken. Amsterdammer d’Ailly vertelde in het blad De Wandelaar (1930) uitgebreid over deze ‘mooie wandeling vol afwisseling’ over de dijk. Een deel van de Spaarndammerdijk is sindsdien opgeslokt door de stad, maar er zijn delen van de oude dijkroute terug te vinden. In de ‘stadswildernis’ van de Lange Bretten bij voorbeeld.

Tussen Halfweg en Spaarndam steekt de eeuwenoude dijk goed herkenbaar en fier boven het polderland uit. Ook nu is het een prachtige tocht over de dijk, al moeten we het zonder zicht op de zeilende vrachtvaarders op het IJ doen.

Portret van Gerbrand Adriaensz. Bredero, Amsterdamse rederijker, toneelschrijver en dichter. Boven de buste het motto van Bredero: ”t kan verkeeren’. . Collectie Noord-Hollands Archief / Collectie van , Inventarisnummer .

De Spaarndammerdijk die door het land kronkelt, is lang geleden opgeworpen als verdediging tegen het zeewater. De waterstanden van eb en vloed van de Zuiderzee werkten via het IJ en de rivieren tot diep in Holland door. Bij een storm kon het land makkelijk overstromen. De eerste middeleeuwse dijkjes waren verbindingen tussen bestaande veenterpen. Hoog en stevig waren die dijkjes niet.

In 1250 kwam er weer een ellendige overstroming. Daarop werd besloten in het Spaarne een dam te leggen om het zeewater uit Haarlem en het verre achterland te weren. Graaf Willem II van Holland gaf enkele jaren later toestemming om in Spaarndam naast de al bestaande spuisluizen ook een schutsluis voor de scheepvaart te bouwen.

Spuien en schutten

Water – heel veel in het lage land draait om water. In Spaarndam wisten ze er alles van. Je had de bedreiging van het IJ en je zat met wateroverlast van de grote rivieren uit Duitsland. Als je dat rivierwater niet tijdig naar zee wist af te voeren, kwam het land blank te staan. Spuien dus als dat kon.

Gezicht over het IJ op de IJdijk te Spaarndam, vanuit het oosten, met links de Woerdersluis, midden: de kerk en rechts daarvan de Kolksluis en de haven. 1660. Collectie Noord-Hollands Archief / Collectie van prenten van C.G. Voorhelm Schneevoogt te Haarlem, Inventarisnummer NL-HlmNHA_1477_53007401

De spuisluizen in Spaarndam waren aanvankelijk niet veel meer dan een houten pijp in de dijk met een vloeddeur ervoor. Rijzend water (vloed) van het IJ drukte de deur van de pijp vanzelf dicht. Later kwamen er grotere spuisluizen, die bij eb het overtollige water uit het binnenland konden afvoeren.

Onderhoud van deze sluizen was duur. Het lag voor de hand dat de dorpen en steden die dankzij deze sluizen droge voeten hielden, moesten meebetalen. In Spaarndam kennen ze nog de Woerdersluis, aan het onderhoud daarvan moest het Grootwaterschap Woerden stevig meebetalen.

Kolksluis

Een sluis waar de scheepvaart doorheen moet, is een prima plek om tol te heffen. Wie de sluis in Spaarndam passeerde, moest meebetalen aan de sluis en de dijk, maar spekte tevens de kas van in dit geval de stad Haarlem. In het begin van de 16e eeuw kende Spaarndam twee sluizen voor de scheepvaart, waarvan de Kolksluis nog altijd (af en toe) in gebruik is. Deze oudste sluis van het dorp dateert van rond 1285.

De kolk met op de achtergrond de oude Kolksluis. Foto: Jan Maarten Pekelharing.

Bij een stormvloed in de herfst van 1514 werd van alles in Spaarndam door het op zwiepende water van het IJ weggeslagen, maar de Kolksluis wist men nog net te behouden. Deze hoogbejaarde sluis met de oude huizen (veelal rijksmonument) aan de Oost- en Westkolk is nu nog een plaatje – een levend hoekje openluchtmuseum.

Meer scheepvaart

In de tijd van de bouw van de Kolksluis nam het scheepvaartverkeer in Spaarndam toe. Dat kwam omdat de route van de schippers over de rivier de Vecht richting Utrecht moeilijker werd. De vaart was weggevallen uit de stroom van de Vecht nadat de Kromme Rijn was afgedamd. En minder stroming in de rivier leidt tot slibvorming. Vandaar dat steeds meer schippers liever via het Spaarne en het Haarlemmermeer naar de steden van het zuiden van Holland voeren. Dat wilden de stadsbestuurders van Haarlem graag zo houden.

Einde Overtoom gezien in noordelijke richting naar Kostverlorenvaart. Gezicht uit de herberg het Leidsche Wapen; prent van Gerrit Lamberts, 1817. Collectie Stadsarchief Amsterdam: tekeningen en prenten, Afbeeldingsbestand 010097002129

Haarlem verzette zich dan ook tegen een plan van het Amsterdamse stadsbestuur om een verbinding te maken van de Schinkel naar het Haarlemmermeer. Daarmee zou de route via de schutsluis in Spaarndam (en de tolheffing van Haarlem!) niet meer nodig zijn.

Overtoom

Het stadsbestuur van Haarlem wist te bereiken dat zo’n Amsterdamse aansluiting met het Haarlemmermeer er niet kwam. De graaf van Holland bepaalde dat tussen de Schinkel en de Kostverlorenvaart een dam moest liggen. Kleine schepen mochten echter wel over de dam worden getrokken: de overtoom. Aan de kleine schepen verdiende Haarlem niet zoveel, dus dat was niet zo’n probleem. Zolang de voor Haarlem lucratieve route voor grotere zeilschepen via Spaarndam maar in stand bleef.

Het kerkje in Spaarndam waar Cruquius is begraven. Foto: Jan Maarten Pekelharing.

Spaarndam telde rond 1515 zo’n 280 zielen. Behalve in de vrachtvaart verdienden zij hun brood met vissen en met hun werk op de boerderij. In de kerk van Spaarndam trouwde in 1617 de Haarlemse schilder Frans Hals met zijn derde vrouw Lysbeth Reyniers.

Cruquius

In die kerk aan het Kerkplein vind je de grafstenen van Nicolaas Samuelszoon Cruquius. Deze waterbouwkundige en cartograaf is in 1754 in Spaarndam overleden. Hij had voor zijn grafstenen maar liefst twee plaatsen gereserveerd, omdat hij vond dat zoiets wel nodig was gezien al zijn verdiensten. IJdelheid was hem inderdaad niet vreemd, maar zijn inzicht in en kennis van waterbouwkundige zaken vonden alom erkenning.

Het hoogheemraadschap Rijnland had hem in 1733 had aangetrokken als opziener. Cruquius zetelde in het Gemeenlandshuis dat Rijnland in het dorp had neergezet. Hier was de werkplaats en lag het materiaal voor dijkonderhoud. Bovendien vergaderden de hoge heren in het Gemeenlandshuis, vaak na eerst de dijk en de sluizen te hebben geïnspecteerd. De op Vlieland geboren Cruquius was ook nog schout van Spaarndam.

Klokje luidt

Het was cruciaal voor de inwoners van een groot deel van Holland dat de Spaarndammerdijk in goede conditie bleef. Bij stormachtige noordoosten wind kon het water van de Zuiderzee in het IJ namelijk hoog worden opgestuwd. Dat leverde angstige momenten op voor de Spaarndammers.

Gezicht op het voormalig gemeenlandshuis van het Hoogheemraadschap van Rijnland te Spaarndam. Prent van Abraham Rademaker (1676/77-1735). Collectie Noord-Hollands Archief, Collectie van prenten van C.G. Voorhelm Schneevoogt te Haarlem, Inventarisnummer NL-HlmNHA_1477_53010661

Bij dreigend gevaar luidde het klokje op het Gemeenlandshuis. Dan wisten de mannen in het dorp dat ze de dijk moesten komen bewaken. Dat deden ze in koppels van twee. En ze waren samen verantwoordelijk voor de bewaking van ongeveer 500 meter dijk. Hardstenen paaltjes op de dijk gaven aan waar de grens lag. Je ziet sommige van die paaltjes nog staan.

Hansje Brinker

In de jaren dat Cruquius als opziener en schout over de IJdijk wandelde, kon hij niet bevroeden dat op de Woerdersluis een standbeeld zou komen te staan van ene Hansje Brinker. Een Hollandse jongen die in een oud Amerikaans kinderboek voorkomt. Het standbeeld, schepping van Grada Rueb, is in 1950 door de destijds jonge prinses Margriet onthuld.

Prinses Margriet onthult het monument van Hans Brinkers op de Woerdersluis, 7 juni 1950 (foto Nationaal Foto Persbureau). Collectie Noord-Hollands Archief, Beeldcollectie van de gemeente Haarlem, Inventarisnummer NL-HlmNHA_1100_KNA006004071

Je ziet een jongetje van bijna acht jaar die een gat in de dijk had ontdekt en door zijn vinger in het gat te stoppen een dijkdoorbraak probeerde te voorkomen. Hij moest een hele nacht, nat geregend en kleumend van de kou, tegen de dijk aan zitten, voordat de dominee hem ’s morgens vond en hulp kon halen.

Terwijl ik probeer het beeldje op de sluis te fotograferen raak ik aan de praat met een passerende Spaarndammer. Hij blijkt bij uitstek een kenner van de lokale geschiedenis: Martien van Woerkom, voorzitter van de Historische Werkgroep Spaarndam. Eerder deze morgen stond hij hier met een groepje leerlingen van de plaatselijke basisschool. 150 jaar bestaat deze school, maar omdat het hele feestprogramma vanwege de pandemie in duigen is gevallen, was er een alternatief bedacht om het jubileum te vieren. Met onder meer een bezoek aan Hansje Brinker.

Graven en pompen

Het beeldje van Hansje staat heel toepasselijk op de plek waar de Spaarne in het IJ stroomde. Het water ten noorden van de sluis mag dan nog IJ heten, het is inmiddels een meertje vanwaar je eerst over Zijkanaal C (hoe saai kun je het kanaal noemen) en het Noordzeekanaal moet varen voordat je op het IJ in de hoofdstad bent.

De aanleg van het Noordzeekanaal heeft de stoere zeearm het IJ, die vroeger tot bij Beverwijk reikte, gereduceerd tot een braaf meer in het hart van Amsterdam.

Noordzeekanaal, foto Jacob Olie, 1891. Collectie Stadsarchief Amsterdam, Afbeeldingsbestand 010019000216

Het Haarlemmermeer was in 1852 droog gelegd en vrijwel meteen diende een volgende grote klus zich aan: de aanleg van het Noordzeekanaal. In 1861 gaf het Rijk een concessie voor het droogmaken van grote delen van IJ. De opzet was om tussen het nieuw te winnen polderland een brede strook water vrij te houden ten behoeve van een kanaal van Amsterdam naar de Noordzee. Bij IJmuiden moest daartoe de duinenrij worden doorsneden.

Met toestemming van de autoriteiten op zak kon de Amsterdamsche Kanaal-Maatschappij aan het werk: bouwen, graven en pompen. Vanaf de sluizen bij Halfweg tot het nieuwe Noordzeekanaal werd tussen de Houtrakpolder en de Grote IJpolder ruimte vrij gehouden voor een gepland zijkanaal F. Dat kanaal was onmisbaar voor de afwatering van het water dat het stoomgemaal in Halfweg uit de Ringvaart van de Haarlemmermeer spuide.

Bij het droogleggen van de IJpolders verloren eilandjes in het IJ, zoals Ruigoord, hun aparte status. Ruigoord, waar Martien van Woerkom me vertelde vandaan te komen, is nu niet meer dan een apart hoekje in Westelijk Havengebied van Amsterdam.

Nieuw polderland

Aan de oostzijde van Amsterdam kwamen de Oranjesluizen om het waterpeil op het IJ en het nieuwe kanaal te kunnen regelen. Daarmee lieten eb en vloed van de Zuiderzee zich niet meer voelen in Spaarndam en Halfweg. Het Noordzeekanaal werd in 1876 officieel in gebruik genomen. Aan de noordelijke voet van de dijk tussen Halfweg en Spaarndam klotste het zeewater niet meer. Je zag polders in plaats van golven.

Trein, tram, trekvaart, autoverkeer – alles perst zich over de smalle strook land in Halfweg. Deze foto dateert uit 1957. Collectie Noord-Hollands Archief, , Inventarisnummer

Amsterdammer d’Ailly (1930) vond de gewassen op het vruchtbare land van de IJpolders met al hun ‘rijke kleurschakeeringen’ mooi om te zien. In lente kon het hier dankzij de karwei en de kruisbloemensoorten heerlijk ruiken. In Halfweg was het een heel gepuzzel, aldus d’Ailly, om op de smalle strook land tussen het Haarlemmermeer en de Spaarndammerdijk zowel de druk bereden autoweg, als de trein en later ook nog de elektrische tram te leiden. Dat kon alleen maar door een huis te verplaatsen en een kerk af te breken. En dan was hier in Halfweg de trekvaart nog.

Trekschuit

Goede wegverbindingen waren er eeuwenlang niet in dit natte land. Transport ging zo veel mogelijk over het water. Stel dat je van Amsterdam naar Haarlem wilde, dan was een reis over het IJ wel zo snel en makkelijk. Maar ook gevaarlijk. Dat ervoer de keurvorst van de Palts. Hij maakte mee hoe tijdens zo’n reis over het grote IJ in 1629 zijn zoon, kroonprins Frederik Hendrik, en enkele edelen bij een aanvaring om het leven kwamen.

Het begin van de Haarlemmerweg en de Haarlemmervaart met een trekschuit, gezien naar de stad. Rechts achter de Haarlemmerpoort. Prent van Paulus van Liender, 1764. Collectie Stadsarchief Amsterdam, Afbeeldingsbestand 010097002364.

Dat ongeluk heeft de aanleg van de trekvaart, veilig achter de Spaarndammerdijk, ongetwijfeld bevorderd. In minder dan een jaar was die trekvaart gegraven. In 1632 was deze klus geklaard. Er lag een trekvaart met een breedte van bijna 20 meter en een diepte van 2 meter. Langs de oevers was tegen de afslag een rietkraag geplant. Bruggen lagen er niet in het traject.

Ieder uur vertrok er een trekschuit. Populair was dit openbaar vervoer zeker, in het jaar 1650 reisden 150.000 passagiers met deze trekschuit. In Halfweg moest iedereen van boord en over land een stukje lopen. Naar de trekschuit die klaar lag voor het tweede deel van de tocht. De strook land tussen enerzijds de Spaarndammerdijk (met er achter het IJ) en anderzijds het immense Haarlemmermeer was zo smal dat het te gevaarlijk was hier een brede trekvaart te graven. Niemand moest er aan denken wat Amsterdam te wachten stond als het IJ en het Haarlemmermeer samen zouden smelten tot één grote watervlakte.

Kolkend zeewater

Maar dan nóg, ook deze dijk kon het begeven. En dat gebeurde ook Tijdens een zware noordwesterstorm in 1675 begaf de dijk het, uitgerekend bij Halfweg. Het water sloeg een gat van wel 140 meter in de dijk. Zeewater kolkte dwars door de trekvaart tot in het Haarlemmermeer. Tot op de Dam in Amsterdam kwam het water als gevolg van de dijkdoorbraak.

Dijkdoorbraak bij Halfweg, 2 november 1675. Collectie Noord-Hollands Archief, Collectie van historieprenten van de Provinciale Atlas Noord-Holland, Inventarisnummer NL-HlmNHA_480_000147.

In allerijl werd een nooddam rond het gat geslagen, bestaande uit houten palen met aarde en klei ertussen. Helaas, een maand later hield ook deze kistdam het niet meer bij een zware noordwestenwind. Om het gat te dichten besloot het hoogheemraadschap Rijnland dan maar schepen voor het gat tot zinken te brengen. En zo komt het dat de Spaarndammerdijk bij Halfweg een bocht maakt, want de bocht van de kistdam is nu onderdeel van de dijk geworden. Als herinnering aan deze doorbraak heeft Halfweg nog steeds een plas achter de dijk, de Groote Braak.

Huis te Bretten

De Spaarndammerdijk loopt niet, zoals de trekvaart, in een rechte lijn. Het gekronkel van de oude dijk paste niet in de strakke contouren die het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam (1935) op de kaart zette. Tussen het geplande Westelijk Havengebied en de stadsuitbreidingen hadden de plannenmakers een groenstrook vrij gehouden. Ze noemden het de Brettenzone.

Brettenzone? Inderdaad, verwijzend naar een Huis te Bretten dat vermoedelijk uit de zestiende eeuw dateerde en destijds te vinden was in een hoekje tussen de Spaarndammerdijk en de trekvaart. Dat Huis te Bretten (of Britten) is, naar men aanneemt, op zijn beurt genoemd naar Brittenburg. Zo heette een versterking van de Romeinen op de plek waar de Oude Rijn in zee stroomde. De resten van Brittenburg waren midden zestiende eeuw tijdens laag water bij Katwijk in zee boven water gekomen. Dat was destijds een sensatie.

Aan de trekvaart moet Huis te Bretten ongeveer gestaan hebben waar nu het groen uitbundig groeit. Foto: Jan Maarten Pekelharing.

Het is me niet gelukt een afbeelding te vinden van het Huis te Bretten. Het pand heeft enige tijd als tapperij gefunctioneerd en moet op een bescheiden perceel hebben gestaan. En het had dus niet zo’n fraaie tuin als andere buitenplaatsen die langs de trekvaart en de Spaarndammerdijk waren verrezen. Je kan je voorstellen dat op een chique buitenplaats in het prieeltje een kopje thee werd gedronken, terwijl men keek wie er zoal over de dijk of over het water langskwam.

Met de stoomtrein

Huis te Bretten heeft moeten wijken voor de aanleg van de eerste spoorlijn in ons land.

Het traject van de spoorlijn die in 1839 in gebruik is genomen liep langs de trekvaart van Amsterdam via Halfweg naar Haarlem. Anders dan bij de trekschuit, hoefden de treinreizigers in Halfweg niet een stukje te lopen. De spoorlijn trok in 1840 maar liefst 350.000 passagiers. Daarbij speelde misschien mee dat een treinritje 3e klasse (de goedkoopste) niet duurder was dan een reis met de trekvaart. In 1878 was het dan ook met de trekschuit hier gedaan.

Inwijding van de spoorlijn Amsterdam-Haarlem met publiek op de Haarlemmerweg langs de Haarlemmer trekvaart. Mourot, J. F. Michel, Desguerrois en Co, 19 september 1839. Collectie Stadsarchief Amsterdam: tekeningen en prenten, afbeeldingsbestand 010097015481.

Op een weg tussen sportpark Spieringhorn en de trekvaart daar ben je even op het tracé van de Spaarndammerdijk. Hier ongeveer moet het Huis te Bretten gestaan hebben. Van hier naar Spaarndam is het nog geen 15 km uitwaaien als je grotendeels de route van de oude dijk via Halfweg volgt.

Mysterieuze paadjes

De Lange Bretten is enige tijd een soort niemandsland geweest met opgespoten zand van het nieuwe havengebied. Je hebt er nu volkstuinen, sportparken, speelgelegenheden. Door het wilde groen kronkelen echter mysterieuze paadjes. In de bosjes kan je een vos weg zien rennen. Het is wel de ‘stadswildernis’ van Amsterdam genoemd. Het kan er erg drassig zijn, zoals ik tijdens een winterse werkdag voor Landschap Noord-Holland heb ondervonden. Het water liep nog net niet in mijn laarzen.

Natuurgebied De Kluut met rechts het pad naar de Dubbele Buurt in Halfweg. Foto: Jan Maarten Pekelharing

Het Brettenpad loopt door deze groene ‘wildernis’. Aan de Halfwegse kant van de Lange Bretten ligt het volkstuincomplex De Grote Braak. De weg die de Lange Bretten scheidt van bedrijventerrein Sloterdijk III heet Daveren. En je houdt het niet voor mogelijk, maar hier sta je weer even op een stukje Spaarndammerdijktracé. Uitgerekend hier hadden de plannenmakers een drukke weg willen aanleggen en de spoorlijn. De spoorlijn is overigens wel iets verlegd, want die loopt niet meer helemaal langs de trekvaart tot bij de stadsgrens. Al voor de plek waar Huis te Bretten heeft gestaan verlaat de spoorlijn komend uit Haarlem de trekvaart om te koersen naar station Sloterdijk.

Eilandenrijkje

Tussen de Lange Bretten en Halfweg ligt een bescheiden natuurgebied: De Kluut. De mensen van het Landschap Noord-Holland die het beheren spreken van een oud en bijna vergeten eilandenrijkje tussen het water de Groote Braak en Zijkanaal F. Hier broedt in het broedseizoen de bruine kiekendief.

Boerenhuis en banpaal aan de Spaarndammerdijk, Rembrandt van Rijn, ca. 1650. Collectie Rijksmuseum, objectnummer: RP-P-1962-87.

Aan de overkant van De Kluut, langs Zijkanaal F loopt de Spaarndammerdijk, waar Rembrandt met zijn leerlingen kwam tekenen. Het bewijs hiervan is een ets die hij heeft gemaakt van de banpaal die aan de dijk stond. Die banpaal heeft moeten wijken voor de stadsuitbreidingen, maar in 2006 is de paal weer op de Spaarndammerdijk gezet, niet exact op de oorspronkelijke plek maar wel in de buurt.

Rembrandt, Brederode – vanouds lokte de Spaarndammerdijk Amsterdammers om hier te wandelen, even uit te blazen. En het lokkende extraatje was misschien dat net buiten de stadsgrenzen, zoals in Halfweg, de drank in de herbergen vaak goedkoop was. In zijn boertig liedeken schreef Brederode dat hij wagens op de dijk zag passeren met ‘met Hoeren’ die voortdurend hooi naar buiten wierpen. Het moet een dolle boel geweest zijn op de Spaarndammerdijk.

Auteur: Jan Maarten Pekelharing

Bij het verzamelen van informatie is dankbaar gebruik gemaakt van websites van plaatselijke historische verenigingen, de website Delpher, verhalen op Oneindig Noord-Holland en het boek ‘Tussen Haarlemmerpoort en Halfweg’ van Jaap Evert Abrahamse, Menne Kosian, Erik Schmitz; Bussum, 2010.

Publicatiedatum: 05/10/2020