“I walk in the valley of death …”

Laten we hem maar even 'George' noemen, naar koning George de Derde, wie hij diende. Een van de 32.000 (!) Engelse soldaten die bij de Engels-Russische invasie op 27 augustus 1799 aan land waren gezet door een armada van ruim 150 vaartuigen. Daar stond hij dan op het strand bij Groote Keeten op een zonovergoten dag, niet wetend hoe snel het eind zou komen.

Tweehonderd en twaalf jaar later worden bij toeval in de duinvallei ‘Het Botgat’ de schamele resten van een mogelijk gesneuvelde militair in het zand aangetroffen: roestige onderdelen van musketten en groen uitgeslagen koperen uniformknopen markeren de plek waar George door zijn broeders in dit provisorische graf was gelegd.

Engelse soldaat, eind 18de eeuw.

Engelse soldaat, eind 18de eeuw.

32.000 man op een smalle kuststrook

Hoe George aan zijn eind is gekomen weten we niet, maar het heeft er alle schijn van dat dit in een felle strijd is geweest met de Bataafse troepen die zich in de smalle duinenrij hadden verschanst, wetend van de komst van de Engelsen. In de vallei waar hij zijn laatste rustplaats vond, zijn namelijk vele duizenden loden kogels van musketten gevonden. De legertop onder aanvoering van Sir James Pulteney had namelijk van tevoren bedacht dat 32.000 man op een smalle kuststrook wel een erg gemakkelijk doelwit zouden zijn en daarom was het zaak al deze mannen zo snel mogelijk te verspreiden over de provincie, hetgeen een tot mislukken gedoemde onderneming was.

De avond niet gehaald

Generaal Chassé, de aanvoerder van de Bataafse troepen, was erop uitgestuurd om de Engelsen al in de duinen tot staan te brengen. Direct de eerste dag verloor Sir James Pulteney zodoende 1.400 man. Sommigen waren dood, anderen uitgeschakeld door zware verwondingen. George was waarschijnlijk een slachtoffer van deze eerste schermutselingen en zal de avond van de eerste dag aan land niet hebben meegemaakt. In zijn graf werden drie onklare musketten gevonden die door zijn wapenbroeders waren verstopt, opdat zij niet in handen van de vijand zouden vallen. Het was vast de bedoeling dat zij zouden terugkeren naar deze plaats in de duinen om zowel de wapens als het lichaam van George op te graven en terug te brengen naar Engeland.

Uniformen en uitrusting

De uitrusting van de soldaten aan het eind van de achttiende eeuw was er absoluut niet op berekend om ook maar iets van bescherming te geven. Sterker nog, de uniformen van de Guards bestonden uit een knalrood jasje met een witte broek en werkten op de vijand als de spreekwoordelijke rode lap op een stier. De musketten waren geschikt om slechts één schot af te vuren, daarna moest er opnieuw kruit in; aanstampen, kogel erbij en dan hopen dat de vuursteen genoeg vonken zou maken om het kruit te doen ontbranden. Gelukkig had de tegenstander dezelfde moeilijkheden te overwinnen.

Tegen de Franse overheersing

Deze invasie van de Engelsen, later geholpen door Russische troepen, was bedoeld om Nederland te verlossen van de Fransen die het land sinds 1795 hadden bezet. De verdreven erfstadhouder Willem V van Oranje-Nassau had asiel gekregen van de Engelse koning, die er ook belang bij had de Fransen te beteugelen; het risico bestond nog steeds dat de Fransen een aanval op Engeland zouden uitvoeren. Bovendien rekende Willem op de steun van zijn geliefde onderdanen. Echter, veel van deze onderdanen hadden inmiddels dienst genomen in het Bataafse leger en streden aan de Franse kant. De rest van het volk had geen enkele mogelijkheid zichzelf te verdedigen, laat staan een vijandige soldaat tegen te houden.

Bloedbad

In de maanden na de invasie werden er slagen geleverd bij Callantsoog, Krabbendam en Castricum, om de voornaamste maar te noemen. Tot aan november, toen de capitulatie en terugtocht van Engelsen en Russen was uitonderhandeld, hadden twintigduizend mensen het leven gelaten en lag een groot deel van Noord-Holland in puin.

George behoorde tot een elitecorps dat door Koning George III persoonlijk naar het front was gestuurd; de ‘Coldstream Guards’, zoals hun naam al zegt, waren de troepen die al in 1660 trouw hadden gezworen aan de koning, met de gelofte hem te allen tijde te beschermen.

Auteur: Frans Diederik

Dit verhaal maakt onderdeel uit van de campagne voor het nieuwe archeologiecentrum Het Huis van Hilde.

Publicatiedatum: 14/11/2011