Het leven van een Huizer schippersknecht

De Huizer havenbuurt beschreven door Jan de Hartog: "Het was een winderige wereld van smalle straatjes gefestonneerd met drogende netten, die naar de haven leidden met zijn bos van masten en zijn kade, zilver van de schubben." Aan die smalle straatjes woonden de schippersknechten en hun gezinnen in zogenaamde 'Lange Huizen' waarin maar liefst acht woninkjes waren ondergebracht.

Op zee

Elke maandagochtend vroeg voer de Huizer bottervloot uit op de Zuiderzee om een week te gaan vissen. Het leven op een Zuiderzeebotter was koud, nat, winderig en hard werken. Er werd gevist op verschillende soorten vis, waarvan bot en haring verreweg het belangrijkst waren. Toch werd er ook wel gevist op ansjovis, wat grote financiële voorspoed kon brengen. Het hoofddoel was echter de grootste school haring te vinden en te vangen.

Op zee was er volgens het verhaal van Jan de Hartog voor de Huizer vissers echter stevige concurrentie van voornamelijk Volendammers. Elk Zuiderzeedorp had een eigen kleur. De Huizer vloot had zwarte zeilen en de Volendamse vloot had rode zeilen. Van horen zeggen ging het er keihard aan toe tussen de buurdorpen. “Dan begon er een gevecht dat nog steeds zijn weerklank vond in het gekrijs van spelende kinderen, dansend van opwinding op de kade. (…) Zij [de Oosterdammers en Volendammers] begonnen met haken en bomen naar elkaar te steken; zodra zij elkander dicht genoeg genaderd waren, met bijlen en kaakmessen. Zo enterden ze vechtend elkanders schepen.”

Het Lange Huis in de Schipperstraat.

Het Lange Huis in de Schipperstraat. Beeld: Huizer Museum.

Thuis

Na een week op zee en hard werken verlangden de schippers, vissers, zeuntjes (schippersknechten) en bramzijgertjes (jonge goedkope werkkrachten) wel weer naar hun gezin en hun kleine schipperswoninkjes. Ze bleven dan ook vaak niet langer dan zes dagen op zee. Tenzij de wind en de haring hen een andere haven in hadden gevoerd. Dan gingen de vissers met zijn allen op zondag naar de kerk in het dorp waar ze het dichtstbij waren.

Om al die vissers en knechten onderdak te bieden waren de kerken in de vissersdorpen dan ook zeer groot. Als ze toch hun eigen dorp konden bereiken werden ze in de haven elke week weer ontvangen door een grote menigte van vrouwen en dochters die met hun halsdoeken naar hen zwaaiden. Het Huizer Melkmeisje stond ook vaak verdekt tussen de Huizer inwoners om te kijken of alle mannen en jongens wel weer terugkeerden. Vaak bevonden zich onder de menigte ook herenkappers om de vissers te scheren zodat ze weer fatsoenlijk ter kerke konden gaan. Na het aanleggen hingen de schippersknechten de netten te drogen en gingen ze naar huis. Hun woning bevond zich achter de Koedijk, een plaggendijk om het zeewater tegen te houden, in een zogenaamd Lang Huis. Dit was, zoals de naam al zegt, een lang huis verdeeld in acht woninkjes.

De vloot van Huizer botters die elke maandagmorgen uitvoer. Beeld: Huizer Museum.

In de winter

Bij strenge vorst kon de Huizer vloot een paar weken per jaar niet uitvaren. De schippersknechten gingen dan thuis aan het werk. De zolder van een Lang Huis was geheel open, je kon zo naar de buren lopen. Deze ruimte werd gebruikt voor de opslag van zeilen en touwen. In de winter konden de schippersknechten daar hun netten breien en repareren. In die weken was het afzien in de schipperswoninkjes. Doordat er geen vis werd gevangen en verkocht kwam er in die periode geen geld binnen. Daarom bracht het Huizer Melkmeisje tijdens de winter wat vaker een bezoekje aan deze arme schippers.

Auteur: Kirsten Kouwenhoven.

Bronnen

Jan de Hartog, Herinneringen van een bramzijgertje (Boekenweekgeschenk 1967).
Reijer Rebel en Dik Visser, Oud Huizen in beeld (Huizen 1986).

Publicatiedatum: 05/02/2012

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.