Het Frans Hals Museum dankt zijn ontstaan aan een rederijkersfeest

Het Frans Hals Museum is gevestigd in een gebouw dat zijn ontstaan dankt aan een rederijkersfeest: het Landjuweel uit 1606. Op initiatief van de Haarlemse rederijkerskamer De Pellicaen (beter bekend onder zijn motto: ‘Trou moet Blycken’) werd een feest georganiseerd ten bate van het oudemannenhuis. Met de opbrengst uit een grote loterij kon het oudemannenhuis vervolgens worden gebouwd. Het was destijds een van de vroegste bejaardentehuizen ter wereld; tegenwoordig is het een prachtige setting voor de collectie oude kunst van het museum.

Frans Hals Museum

Binnenplaats met hoofdgebouw

Frans Hals MuseumFrans Hals Museum

Tot en met 4 mei 2012 is in het Frans Hals Museum de tentoonstelling ‘De Gouden Eeuw viert feest’ te zien. Feesten waren een populair onderwerp in de schilderkunst van de Gouden Eeuw. Schilders als Jan Steen, Dirck Hals, Jan Miense Molenaer en Frans Hals brachten allerlei feestvierende personen en uitgelaten gezelschappen in beeld, variërend van boerenkermissen en carnaval tot rijke buitenpartijen, rederijkersfeesten en schuttersbanketten. Deze feestelijke taferelen hebben vaak een ‘geestige’ ondertoon. Ze tonen aanstekelijke figuren, vrolijke verkleedpartijen en elegante omgangsvormen, maar ook ongeremde losbandigheid en humoristische contrasten tussen arm en rijk. De zin en toelaatbaarheid van feesten was in de zeventiende eeuw dan ook een onderwerp van veel debat. Behalve dat schilderijen van feesten goed in de markt lagen, boden ze schilders ook de mogelijkheid om hun grenzen te verkennen. Het was bij uitstek een onderwerp waarin ze hun inventiviteit en bravoure konden laten zien. Het succesvol combineren van veel figuren en het treffen van de juiste uitdrukkingen en bewegingen was een grote artistieke uitdaging. In de tentoonstelling zij ook twee blazoenen van Rederijkerskamers te zien, waaronder die van de De Pellicaen die met de loterij tijdens het landjuweel dus voor de oprichting van het Oudemanhuis (thans Frans Hals Museum) zorgde. Ook is de waarschijnlijk enige uit de Gouden Eeuw overgeleverde narrenkop te zien in de tentoonstelling. Aan de overdreven lachende grimas valt dit houten hoofdje te herkennen als een narrenkop. Aan de onderkant bevindt zich een gat, zodat het op een staf bevestigd kon worden. De rederijker die tijdens feesten en toneelstukken de nar speelde, droeg een narrenstaf.

De Gouden Eeuw viert feest

Musicerend gezelschap op terras – Dirck Hals

Frans Hals Museum, Haarlem, langdurig bruikleen uit particuliere verzameling
Foto: © Tom Haartsen

Musicerend gezelschap op terras - Dirck HalsMusicerend gezelschap op terras – Dirck Hals

Rederijkers

‘Rederijkers, kannekijkers!’ luidde een zeventiende-eeuws spreekwoord, oftewel: ‘rederijkers, drinkebroers’. Het drinken en feesten van deze taalkunstenaars (letterlijk: beoefenaars van de ‘retoriek’ oftewel de kunst van de welsprekendheid) was berucht; ze drukten een stevige stempel op de feestcultuur van de Gouden Eeuw. Rederijkers waren leden van stedelijke, literaire genootschappen; vrijwel elke stad had zo’n genootschap. Hun publieke optredens, waaronder optochten en voordrachten van gedichten en toneelstukken, trokken grote hoeveelheden toeschouwers uit alle lagen van de bevolking. Rederijkersteksten zijn spitsvondig en bepleiten vaak hoge idealen.
Veel schilders waren lid of ‘beminnaer’ van rederijkersgenootschappen, onder wie Dirck en Frans Hals, en mogelijk ook Jan Steen. Toch zijn rederijkers niet bijzonder vaak te zien op zeventiende-eeuwse schilderijen. De werken waarop ze wel voorkomen, geven een des te onthullender inkijkje in de rederijkerswereld. Het zijn – toepasselijkerwijs – vaak uitzonderlijk goed doordachte voorstellingen.

Trou moet Blycken

Broederschap zijnde de aloude Rhetorijkkamer der Pellicanisten te Haarlem bekend onder de zinspreuk “Trou moet Blycken”
Foto: © Margareta Svensson

Trou moet BlyckenTrou moet Blycken

De Pellicaen

De Pellicaen, beter bekend onder haar motto ‘Trou Moet Blijcken’, de nog altijd bestaande Haarlemse rederijkerskamer, wordt voor het eerst genoemd in de stadsrekeningen van 1503.1 In 1511 fuseert de kamer met de De Wijngaertrancken met als motto ‘Liefde Boven al’. Na 1646 is er weer sprake van twee kamers. Een derde kamer, De Witte Angieren met als motto ‘In Liefde Getrouw’, wordt in 1592 opgericht door Vlaamse Haarlemmers. Rederijkers, zo ook die van Trou, kwamen voornamelijk voort uit een burgerlijk-culturele elite en speelden een substantiële rol bij intochten, processies, zelfgeorganiseerde wedstrijden en andere festiviteiten, waar zij de aankleding verzorgden, vertoningen en toneelstukken opvoerden en poëzie voordroegen. In 1606 was Trou de drijvende kracht achter het Haarlemse landjuweel, een onderlinge wedstrijd van rederijkerskamers uit heel Holland. Na eerdere verzoeken aan de Haarlemse magistraat in 1590 en 1600 werd op 22 oktober 1606 het landjuweel georganiseerd ten bate van het oudemannenhuis, waarvoor een grote loterij was georganiseerd (in heel Holland werden loten verkocht). Twaalf kamers deden mee aan dit festijn, en namen hiertoe volgens gebruik hun geschilderde blazoenen mee naar Haarlem, alwaar zij werden meegedragen tijdens een intrede door de stad. Voorop ging Trou met het blazoen naar ontwerp van Hendrick Goltzius, geschilderd door Frans Pietersz de Grebber.2 Goltzius, die geen lid was van Trou, maar wel meermaals werkzaamheden voor de kamer verrichtte en tijdens het landjuweel jurylid was.

Narrenkop

Narrenkop van de rederijkerskamer De Wijngaardranken, Frans Hals Museum, Haarlem

NarrenkopNarrenkop

Wil je meer weten over de schilderkunst in de Gouden Eeuw? Bekijk hier de openingstijden van het Frans Hals Museum en plan je bezoek.

Publicatiedatum: 30/11/2011