Godfried Bomans: een heer uit Haarlem

In 1999 kozen de lezers van het Haarlems Dagblad de in 1971 overleden Godfried Bomans tot de belangrijkste Haarlemmer van de eeuw. Weinig schrijvers hebben zóveel over Haarlem en de Haarlemmers geschreven als de man die steevast met een pijp en een warrige haardos werd afgebeeld.

Book 13 min

Volgens Fred Berendse, voorzitter van het Godfried Bomans Genootschap, was Bomans (1913-1971) in de jaren vijftig en zestig de meest gelezen schrijver van Nederland. Hij schreef boeken als Erik, of het klein insectenboek, hij schreef zowel columns als het stripverhaal De avonturen van Pa Pinkelman voor de Volkskrant en hij was een geliefde gast op radio en tv.

Als Godfried Bomans een eenzame week doorbrengt op het eiland Rottummerplaat en daarvan verslag doet voor de radio, is hij zielsblij als hij uiteindelijk door een groepje mensen uit zijn lijden wordt verlost. Bomans laat zich echter niet kennen en spreekt bij die gelegenheid minzaam: ‘Ik heb hier zeven dagen en nachten in mijn eentje tussen slechts krijsende meeuwen gezeten, maar ge ziet nog steeds een heer uit Haarlem voor u.’

Persconferentie van Jan Wolkers en Godfried Bomans over verblijf op Rottumerplaat, 1971. Foto: Rob Mieremet / Anefo. Fotocollectie Anefo, Nationaal Archief.

Heer uit Haarlem

In een van zijn boeken beschrijft ‘de heer uit Haarlem’ zijn geliefde Haarlem als ‘een stille, slaperige stad’ om er met de hem kenmerkende ironie aan toe te voegen dat de bewoners zich ‘met ernst en toewijding op de volstrekte ledigheid toeleggen en hierin een hoogte hebben bereikt, die alleen in de eeuwige zaligheid kan worden overtroffen.’ En hij vervolgt: ‘Door een betreurenswaardige speling der natuur worden er af en toe doortastende mensen geboren. Na een tijdje emigreren zij of worden des nachts in een straatje doodgedrukt.’

Nee, hij heeft niets op met het jachtige van de twintigste eeuw en is een groot bewonderaar van negentiende-eeuwse schrijvers als de Haarlemmer Nicolaas Beets en de Engelse romanschrijver Charles Dickens, wiens werk, net als dat van Bomans, met humor is doorspekt.

Bomans lijkt terug te verlangen naar de negentiende eeuw, toen heren een hoge hoed en dames een parasol droegen. Hij mag zich bij tijd en wijle dan ook graag verkleden als een figuur uit de Camera Obscura of als een karakter uit de boeken van Charles Dickens. Dichter Gabriël Smit verklaart zijn voorliefde voor Dickens als volgt: ‘Zijn Dickensiaanse verkleedpartijen vinden, meen ik, hun oorsprong niet alleen in de speelsheid en bewondering voor de grote Engelse meester, zij schijnen ook ingegeven door vlucht in een tijdsbeeld dat veiliger, beslotener was.’

Literair Dispuut Gezelschap Beets op de Grote Markt, 1955. Links staat Godfried Bomans. Collectie Fotopersbureau De Boer te Haarlem, Noord-Hollands Archief.

Troosteloos asfalt

Stadsvernieuwing is aan Bomans dan ook niet besteed. Het plein Verwulft in de Haarlemse binnenstad vindt hij maar ‘troosteloos asfalt’. Maar gelukkig zijn er nog steeds plekken waar de ‘stilte van de negentiende eeuw’ hangt, zoals de vlakbij het Teylers Museum gelegen Bakenessergracht.

In 1937 is de gemeente Haarlem nog van plan de gracht te dempen. Het water stinkt en de kade is te smal voor modern verkeer. Er volgen protesten, waaronder een ingezonden brief in het Haarlems Dagblad van de ‘Rijnlandsche Academie’, dat volgens dagblad Het Volk, dat de brief overneemt, een gezelschap is van ‘honderden intellectuelen’.

In werkelijkheid is het een schertsgenootschap van slechts twee vrienden: schrijver Godfried Bomans en tekenaar Harry Prenen. Prenen schrijft de brief en Bomans schraapt zijn laatste geld bij elkaar om briefpapier met een gotische letter te laten drukken. Later zal hij een soortgelijke grap uithalen bij de Dickens Fellowship in Londen, als hij zijn gastheren en gastvrouwen laat geloven dat hij in Haarlem een bloeiende Dickensvereniging leidt, die op dat moment nog niet eens bestaat.

De Bakenessergracht voor de versmalling, 1925. Beeldcollectie van de gemeente Haarlem, Noord-Hollands Archief.

Bakenessergracht

Of de ‘Rijnlandsche Academie’ de Bakenessergracht heeft gered, is niet te zeggen, zo schrijft Freek van Leeuwen in zijn zeer informatief en lezenswaardig boekje over het Haarlem van Bomans, maar uiteindelijk besluit de gemeenteraad van Haarlem om de Bakenessergracht niet te dempen, maar te versmallen. Dat gebeurt in de jaren zestig.

Het Haarlemse stadsschoon gaat Bomans sowieso aan het hart. Zo verzoekt de Haarlemse Verlichtingsornamentenfabriek F. Dijkstra hem om een brochure te schrijven, maar daar voelt hij  weinig voor, want, zo schrijft hij aan de directie: ‘U hebt een der schoonste gedeelten van het Spaarne met uw onlangs aangebrachte lichtreclame ernstige schade berokkend.’

De Bakenessergracht na de versmalling (autovrij i.v.m. filmopnamen), 1974. Collectie Bedrijf Openbare Werken te Haarlem, Noord-Hollands Archief.

Parklaan 12

Godfried Bomans wordt op 2 maart 1913 in Den Haag geboren, maar het gezin verhuist al een paar maanden later naar Haarlem, waar zijn vader, die advocaat en zakenman is, uiteindelijk in de politiek belandt. Bomans senior wordt achtereenvolgens wethouder van Haarlem, Kamerlid voor de Rooms Katholieke Staatspartij en uiteindelijk Gedeputeerde van de provincie Noord-Holland. In Haarlem gaat het gezin Bomans aan de Parklaan 12 wonen. Godfried is het derde kind, zijn zus Wally en broer Herman zijn hem voorgegaan en zijn broers Rex, Jan en Arnold zullen volgen. Het gezin wordt bijgestaan door een kindermeisje en een huisknecht.

De familie Bomans is goed katholiek. Als zijn moeder Godfried eens meeneemt naar de Paterskerk aan de Nieuwe Groenmarkt 12, wijst ze naar het tabernakel, waar ‘Onze Lieve Heertje’ zou wonen. Godfried denkt echter dat ze de pastoor bedoelt, die op dat moment net uit de sacristiedeur tevoorschijn komt. In de bundel ‘Beminde Gelovigen’ schrijft hij: ‘Zo heb ik enige maanden lang het voorrecht genoten God zelf door de straten van Haarlem te zien wandelen, een klein sigaartje in de mond. Helaas, op een keer nieste hij en dit kon ik met de illusie van het Opperwezen niet langer verenigen.’

De Haarlemse Parklaan, waar Bomans opgroeide, 1937. Beeldcollectie van de gemeente Haarlem, Noord-Hollands Archief.

Het hertenhuis

In 1924 verhuist de familie Bomans naar een villa aan de Kleine Houtweg 125. De villa zal in 1970 worden gesloopt, maar zeven jaar lang kijkt Godfried Bomans op de Haarlemmer Hout uit, een park dat hij ergens omschrijft als een ‘zachtgolvende grasvlakte, met daar midden in, onder het donkere geboomte, het hertenhuis, als een soort Wirtshaus in Spessart’ (herberg in de bergen van Beieren).

Als liefhebber van Nicolaas Beets, die onder het pseudoniem Hildebrand de Camera Obscura schreef, treedt Godfried Bomans toe tot het derde comité dat zich beijvert voor een monument dat de herinnering aan de Camera Obscura levend wil houden. Een monument dat maar liefst vijftig jaar op zich zal laten wachten. In 1913 krijgt de dan nog jonge beeldhouwer Jan Bronner de opdracht om een beeldengroep te maken, maar om verschillende redenen –  er is bijvoorbeeld lang gesteggeld over de plek van het monument – duurt het tot 1962 voordat de beeldengroep eindelijk een plekje krijgt in de Haarlemmerhout. Bomans beschrijft die halve eeuw als volgt: ‘Het Rijnland werd ingelijfd, Abessinië veroverd, Polen overweldigd, maar Bronner kapte voort. De Tweede Wereldoorlog barstte los. Duitsland stortte in, Japan capituleerde en Bronner kapte voort.’

De beeldengroep zal na de onthulling overigens verschillende malen door vandalisme worden geteisterd, maar inmiddels zijn de acht figuren uit de Camera Obscura in brons uitgevoerd en met staal verankerd, zodat ze weer tegen een stootje kunnen.

De 15000ste bezoeker van “De Camera Obscura in woord en beeld” krijgt het boek uitgereikt door Godfried Bomans, 1952. Collectie Fotopersbureau De Boer te Haarlem, Noord-Hollands Archief.

Naar Heemstede

In 1933 verhuist de familie Bomans naar de Herenweg 133 in Heemstede. Ze gaan nu echt op stand wonen, want Villa Berkenrode is een villa met 23 kamers, waaronder een biljartkamer en een bibliotheek, omgeven door vijvers en bos. Godfried is inmiddels aan een studie rechten begonnen, maar komt er algauw achter dat hij schrijven toch verreweg het leukst vindt. Aan een vriend schrijft hij: ‘Hoeveel meesters in de rechten zijn er in Haarlem? 120. En hoeveel sprookjesvertellers zijn er? Geen een.’

In Berkenrode schrijft hij zijn eerste sprookjes. En hoewel hij eind 1937 naar Amsterdam verhuist om daar – zonder al te veel enthousiasme – zijn rechtenstudie voort te zetten, maakt hij die studie nooit af en kiest hij definitief voor het schrijverschap.

Bevrijdingsmenigte op de Grote Markt, 1945. In de menigte staat Godfried Bomans, als tweede persoon rechts naast het bord met daarop HALT. Beeldcollectie van de gemeente Haarlem, Noord-Hollands Archief.

Een gek aan de Zonnelaan

Na zijn studententijd, die hij zowel in Amsterdam als Nijmegen doorbrengt, keert Bomans in 1943 naar Haarlem terug, waar hij tot 1961 aan de Zonnelaan 17 gaat wonen. De Tweede Wereldoorlog woedt nog volop en Bomans neemt verschillende onderduikers in huis.

In onze tijd van internet en doodsbedreigingen is het nauwelijks nog voor te stellen, maar in het stripverhaal over Pa Pinkelman en Tante Pollewop vermeldt hij doodleuk zijn woonadres. Hij laat het stel uitstappen bij de halte aan de Vijverlaan en aan een voorbijganger vragen: ‘Zeg, er moet hier in de buurt een gek wonen. Waar kan dat ergens zijn?’ ‘Dan moet u in de Zonnelaan wezen,’ antwoordt de man, ‘daar woont, op nummer 17, iemand die stellig aan uw verwachtingen beantwoordt.’ Op het volgende plaatje zien we de schrijver inderdaad als een zot heen en weer springen.

Bomans is een uiterst toegankelijk man. In 1960 mag Lia van het R.K. Lyceum voor Meisjes de schrijver interviewen voor de schoolkrant. Ze sluit het vraaggesprek als volgt af: ‘Tot besluit nog een voorval in huize Bomans. Gedurende het interview had een poes mij snorrend liggen begluren. ‘Moet je je hand eens op zijn kop leggen,’ zei Bomans. Terwijl ik dat deed sprong de poes met een ‘poezegil!’ omhoog. De heer Bomans ging naar hem toe en begon hem te aaien. ‘Hij heet Potter’,  zei hij peinzend, ‘en hij is katholiek.’

Bomans’ ‘Avonturen van Pa Pinkelman’. Foto: Het Nederlands Stripboekmuseum.

Teisterbant

Als Bomans en zijn gezin in 1961 naar een villa in Bloemendaal verhuizen, Villa Boshof aan de Parkweg 10, blijft zijn hart in Haarlem liggen. Hij bezoekt er cafés en vrienden, verzet zich tegen de aanleg van een bloemenplantsoentje op de Grote Markt en maakt zich verdienstelijk voor de restauratie van de Grote Bavokerk. Ook is hij niet te beroerd om kunstmarkten, tentoonstellingen, concerten en zomerfeestweken met enkele kwinkslagen op te luisteren.

Bomans houdt wel van een beetje reuring. In 1949 neemt hij met een groep kunstenaars het initiatief om in de wijnkelder van restaurant Brinkmann aan de Grote Markt een kunstenaarssociëteit op te richten: Teisterbant. De leden vermaken zich met wedstrijden in welsprekendheid, voordrachten en muziekavonden. En soms worden er hartstochtelijke debatten gevoerd. In een uit die tijd bewaard gebleven filmpje bevestigt Bomans met zijn uitermate beschaafde stem dat de debatten soms hoog oplopen. ‘Soms wordt er een lid neergeslagen.’ Hij wijst naar een plek onder de tafel en: ‘Kijk, hier ligt er nog eentje.’

De pretentieloze herenclub houdt het twintig jaar vol, maar dan breken de roerige jaren zestig aan en daar passen herensociëteiten niet meer bij. Op 16 mei 1970 moet Teisterbant de deuren sluiten. In 1982 wordt op die plek nog het beeld onthuld van een lezende Godfried Bomans, dat nog steeds te zien is in de Wijngaardtuin aan de Morinnesteeg.

Goednieuwskrant

Godfried Bomans is niet alleen een populair schrijver, maar door zijn gevatheid en humor ook een graag geziene gast op radio en tv. Nadat hij zich in 1963 in een tv-programma heeft laten ontvallen dat hij zo graag eens een krant wil maken met enkel goed nieuws, reist een wakkere verslaggever naar Haarlem af om de meester een paar sprekende voorbeelden te ontlokken. Bomans steekt zijn pijp aan en brandt los. ‘Dat moest nou kunnen,’ zegt hij, ‘een verhaal over meneer Jansen die gisteren heelhuids is thuisgekomen, die geen ongeluk had, die zijn vrouw omhelsde en zijn kinderen bekeek en daarna dolgelukkig in zijn pantoffels naast de kachel ging zitten.’

Waarna hij met nóg een voorbeeld op de proppen komt: ‘Ja, ja, hier, nog een bericht: er dreigde hier bij ons in de Haarlemse Lindenlaan een ruzie, die bijna op een scheiding zou uitgelopen zijn, maar een toesnellende buurman wist het geschil bij te leggen; nu heeft het echtpaar zich verzoend en hoopt volgend jaar de zilveren bruiloft te vieren.’

Vervolgens neemt hij afscheid van de verslaggever, want schaakliefhebber Bomans moet nog naar het Hoogovenstoernooi. ‘Weet u zo genoeg?’, vraagt hij. U kunt anders zelf nog wel een paar voorbeelden maken.’ Het is genoeg, meneer Bomans, antwoordt de verslaggever. ‘Nou, schuif me anders nog maar wat in de schoenen. Goedendag meneer.’

Schaakwedstrijd tussen Max Euwe en Godfried Bomans op de binnenplaats van de Doelen, 1970. Collectie Fotopersbureau De Boer te Haarlem, Noord-Hollands Archief.

Een zwak hart

Bomans overlijdt op 21 december 1971 aan een zwak hart. Dat zit een beetje in de familie, want ook zijn vader en opa zijn eraan bezweken. Hij is 58 jaar geworden. NRC-redacteur Max van Rooy is die dag toevallig in Haarlem en loopt een café in de buurt van het Haarlemse station binnen. Hij schrijft hoe ‘men verpletterd in groepjes bijeen zat rond kelkjes met brandewijn en suiker,’ en hoort een vrouw opmerken: ‘Zo’n man gaat toch maar ineens dood, ondanks dat hij een broer en een zuster in het klooster heeft.’ Tja, ook al behoort je familie tot de stoottroepen van ‘Onze Lieve Heertje’, als Hij vindt dat je tijd gekomen is, helpt daar geen lieve moedertje aan.

Vijftig jaar na zijn overlijden is er nog het nodige dat aan de Haarlemse schrijver herinnert: Bloemendaal en Vogelenzang kennen een Godfried Bomanslaan, Haarlem kent zijn Bomanshof. Bloemendaalse vrijwilligers organiseren in de zomer een Bomans Schaaktoernooi, de schrijver staat afgebeeld op een Haarlemse fles gin van het merk Doornroosje, in Heemstede bevindt zich restaurant ‘Bij Bomans’, diverse gastouderbureaus vernoemden zich naar Tante Pollewop en, niet in de laatste plaats, er is nog steeds een Godfried Bomans Genootschap actief.

Godfried Bomans spreekt tot het publiek op het Vlooienveld in de Haarlemmerhout, 1967. Collectie Fotopersbureau De Boer te Haarlem, Noord-Hollands Archief.

Een échte Haarlemmer

We begonnen dit artikel met de opmerking dat Bomans Haarlem op de kaart heeft gezet. En dat hij vaak, schertsend weliswaar, heeft beschreven waar een échte Haarlemmer aan moet voldoen. Als hij in 1961 op bezoek gaat bij studenten in Groningen, maakt hij ze het volgende wijs: ‘In Haarlem zitten we de hele dag aan de thee en kijken in spionnetjes en over horretjes met deernis naar de Groningers, die zo hard menen te moeten werken. De Haarlemmer meent dat hij niet op aarde is om te werken, maar om de vruchten te plukken van degenen die werken.’

Kees Fens, op dat moment literatuurcriticus bij de Volkskrant, schrijft twintig jaar later een vermakelijk en relativerend artikel over het beeld dat Bomans graag mag ophangen van Haarlem en zijn inwoners.

Volgens Fens beschrijft Bomans vooral zichzelf als hij het over een échte Haarlemmer heeft. ‘Alle bewoners van Haarlem meenden tenslotte dat ze een echte Haarlemmer waren als ze op Bomans leken. Ze gingen allemaal praten als hij: zeer verzorgd, met lichte pauzes tussen de zinsdelen, wat bedachtzaam, met veel door Nicolaas Beets nog gebruikte woorden als ‘rakker’, ‘uurwerk’, ‘konen’ en ‘sociëteit’, en uiteraard met veel kleine grapjes. (…) En natuurlijk zaten al die Haarlemmers de hele zomer lang op het terras van een café-restaurant dat ‘Brinkmann’ heette. Daar zaten ze dan Haarlemmer te wezen en dat wil zeggen: bijzonder, excentriek, wat artistiek, lichtelijk formeel, maar vooral groot en dat alleen in elkaars ogen. In Haarlem was je al beroemd en typisch Haarlemmer als je kamer nooit opruimde.’

Sculptuur van Godfried Bomans in de Haarlemse Wijngaardtuin. Foto: Tasja, via Wikimedia (CC BY-SA 3.0).

Tekst: Arnoud van Soest

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van kranten- en tijdschriftartikelen uit het digitale archief van de Koninklijke Bibliotheek. Ook is gebruik gemaakt van de digitale lezing die Fred Berendse, voorzitter van het Godfried Bomans Genootschap, op 28 april 2021 hield voor de Historische Vereniging Haarlem. Tevens is geput uit het boekje ‘En nu maar lopen…’ van Freek van Leeuwen. Fred Berendse maakte het wandelboekje ‘Met Bomans door Haarlem’. Informatie over het Godfried Bomans Genootschap is hier te vinden.

Publicatiedatum: 20/01/2022

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

NL | EN