De historie van de historische vereniging

Veel steden en dorpen in Nederland hebben hun eigen historische vereniging. Alleen al in de provincie Noord-Holland zijn meer dan 100 historisch gerelateerde verenigingen te vinden. De eerste historische verenigingen werden vanaf het eind van de negentiende eeuw opgericht. Vaak ontstonden deze initiatieven uit de behoefte om de geschiedenis van een stad of dorp te onderzoeken en te behouden voor de toekomst.

Book 8 min

Kronieken en annalen

Ver voor de oprichting van historische verenigingen waren er al historisch geïnteresseerden, die zich bezighielden met de geschiedenis van een bepaalde stad of streek. Dit betrof vaak plaatselijke notabelen die de lokale of regionale geschiedenis opschreven voor het nageslacht in de vorm van een kroniek. Kronieken en annalen worden al duizenden jaren geschreven en vormen zeker voor de middeleeuwse geschiedenis een belangrijke bron. In deze kronieken werden de gebeurtenissen van een volk of een regio op beknopte en chronologische wijze beschreven. De Annalen van de abdij van Egmond (1110- 1205) en de Rijmkroniek van Melis Stoke (1280-1305) zijn voor de regio Holland een belangrijke bron.

Eerste pagina uit de Rijmkroniek van Melis Stoke (Mauscript A, 14e eeuw). Via Wikimedia.

Stedelijke verenigingen

Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw begonnen historisch geïnteresseerden zich te formeren in groepen en ontstonden de eerste historische verenigingen. Een belangrijke ontwikkeling die op hetzelfde moment speelde, was de ontwikkeling van de monumentenzorg. Tot circa 1850 was er sprake van een impulsief restauratiebeleid met weinig historisch besef. Vanaf de eeuwwisseling werden steeds meer burgers zich bewust van de monumentale gebouwen in hun omgeving en begonnen zich actief in te zetten om deze gebouwen te beschermen. Veel historische verenigingen zijn met een soortgelijk doel opgericht.

In 1859 werd in Dordrecht het eerste initiatief genomen om een historische vereniging op te richten. Deze vereniging kwam uiteindelijk niet van de grond. In 1861 werd de Vereeniging tot beoefening van de geschiedenis der stad ’s-Gravenhage opgericht in Den Haag. Deze kleine vereniging werd in 1890 vervangen door een nieuwe en nog altijd bestaande vereniging Die Haghe. Vanaf die tijd werden er meerdere historische verenigingen opgericht: Amstelodamum in 1900, Haerlem in 1901 en Oud-Leiden in 1902.

In West-Friesland ontstonden eveneens de eerste historische verenigingen aan het begin van de twintigste eeuw. Tekenleraar Johann Christiaan Kerkmeijer meende dat de stad Hoorn een historische vereniging nodig had die het behoud van monumenten als hoofdtaak zou krijgen. Nadat de belangstelling onder het publiek gepeild werd en deze groter was dan verwacht, kon in 1917 Vereniging Oud Hoorn worden opgericht.

Een belangrijke voortrekker op het gebied van monumentenzorg was de Maastrichtse cultuurhistoricus Victor de Stuers (1843-1916). Via Wikimedia.

Lokale geschiedenis op het platteland

Ook op het platteland kwam er steeds meer aandacht voor de plaatselijke geschiedenis. Veel schoolhoofden en predikanten hielden zich bezig met hun eigen dorpsgeschiedenis. Uit interesse voor het verleden beschreven ze het dorpsleven van vroegere tijden. Vaak maakten ze daarbij gebruik van de plaatselijke archieven. Gelijktijdig met de dorpsgeschiedenissen verschenen er meer wetenschappelijke werken van voornamelijk archivarissen en rechtshistorici. Anders dan de onderwijzers en predikanten, beperkten hun onderzoek zich meestal tot het bestuur van een dorp.

Vijf jaar na de oprichting van Vereniging Oud Hoorn kreeg ook de regio West-Friesland haar eigen historische vereniging. Na een voordrachtavond over de West-Friese taal en cultuur, bleek er een grote belangstelling te zijn voor het in ere houden van de West-Friese identiteit. In 1924 werd het initiatief genomen tot oprichting van het Westfries Genootschap.

In de Vlaamse plaats Aarschot is zelfs een Museum voor Heemkunde en Folklore opgericht, gevestigd in het oude Begijnhof. Dit museum bestaat tegenwoordig niet meer. Via Wikimedia (CC BY-SA 4.0).

De omslag

De groei van het aantal verenigingen aan het begin van de twintigste eeuw ging niet gepaard met een bloeiend verenigingsleven. De algemene trend binnen historische verenigingen laat in de jaren voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog een duidelijke daling van ledenaantallen zien. De lokale geschiedschrijving had een nieuwe invalshoek nodig om nieuwe leden te werven: de heemkunde.

Heemkunde is een benadering binnen de lokale geschiedschrijving waarbij de geschiedenis van de stad en voornamelijk het platteland gecombineerd werd met folklore, dialect en natuur. Deze benadering werd grotendeels beïnvloed door de opkomst van de nationaalsocialistische ideologie, waarin opvattingen over ‘bloed en bodem’ een belangrijke rol spelen.

Ook geschiedschrijvers die minder achter de nationaalsocialistische ideeën stonden, waren enthousiast over deze nieuwe benadering binnen de geschiedschrijving. Het behoud en de continuïteit van tradities was daarbij zeer belangrijk. De heemkundige benadering binnen de geschiedschrijving kreeg uiteindelijk in de jaren veertig en vijftig vooral in Noord-Brabant en Limburg voet aan de grond.

Het verloop van het ledenaantal van Vereniging Oud Hoorn en het Westfries Genootschap vanaf de oprichting tot heden.

Sterke stijging

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er meer belangstelling voor regionale geschiedenis. Er kwamen vanaf de tweede helft van de jaren zestig ook steeds meer historische verenigingen bij. In de jaren zeventig telde Nederland 128 lokale en regionale historische verenigingen. In 1985 waren dit er ongeveer 540 en 1995 verdrievoudigde dit aantal naar 1500 historische verenigingen. Deze groei werd deels beïnvloed door ondersteunende instellingen, zoals het Gelders Oudheidkundig Contact. Deze instellingen ontwikkelden hun eigen handleidingen en organiseerden cursussen en werkgroepen voor (nieuwe) historische verenigingen.

Door de invloed van gemeentelijke herindelingen nam het aantal verenigingen nog verder toe en werd de concurrentie met bestaande verenigingen groter. Veel kleine dorpen werden onderdeel van een grotere gemeente. Ze gaven als reactie gestalte aan de historische identiteit van hun eigen dorp in de vorm van een historische vereniging. Ten tijde van de Gemeentewet van 1851 bestond Nederland uit 1200 gemeenten, in 1975 is dit aantal gedaald tot 900 en op 1 januari 2019 had Nederland 355 gemeenten. Steeds meer dorpen werden onderdeel van een grotere gemeente en richtten hun eigen historische vereniging op.

De Historische Kring Ursem is een goed voorbeeld van een vereniging die na een herindeling is opgericht. De gemeente Ursem werd na een gemeentelijke herindeling onderdeel van de nieuwe gemeente Wester-Koggenland, samen met Berkhout, Avenhorn en Oudendijk. Deze herindeling vond plaats op 1 januari 1979. Anderhalf jaar later werd in Ursem de Historische Kring opgericht.

De feestelijke opening van de tentoonstelling ‘Groeten uit Haarlem: Stadsgeschiedenis sinds 1900’ ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Historische Vereniging Haerlem, 1976. Beeldcollectie van de gemeente Haarlem, Noord-Hollands Archief.

Dreiging van buitenaf

De sterke stijging in het aantal historische verenigingen is ook te verklaren door snelle maatschappelijke veranderingen. Het Nederlandse landschap werd soms letterlijk op de schop genomen door herverkaveling, wegenaanleg, afbraak en het verdwijnen van oude gewoontes en gebruiken. De geschiedenis dreigde naar de achtergrond te verdwijnen en dat was voor veel mensen reden om deze geschiedenis actief te onderzoeken en te beschermen.

Een goed voorbeeld van een historische vereniging die werd opgericht na een ingrijpende stedelijke verbouwing in de jaren zestig is de Vereniging Historisch Purmerend. Purmerend werd in de jaren zestig aangewezen als groeikern om het woningtekort in Amsterdam te kunnen oplossen. Vele historische gebouwen, monumenten en straten verdwenen, om plaats te maken voor nieuwe woningen. In reactie daarop werd in 1971 Vereniging Historisch Purmerend opgericht.

Door de dreiging van herverkaveling of de aanleg van wegen, werden historische verenigingen vaak meer actiegericht. Vereniging Oud Enkhuizen begon zich bijvoorbeeld na de Tweede Wereldoorlog actiever te bemoeien met het restauratiebeleid. De houding naar de gemeente toe werd kritischer. De vereniging had op sommige momenten meer weg van een actiegroep. Toen de burgemeester van Enkhuizen een weg wilde aanleggen en daarmee enkele monumenten wilde slopen, kwam de vereniging in actie. De weg is er nooit gekomen.

Stand van de Historische Vereniging Oud -Uitgeest op de Historische Markt Kennemerland in de Grote kerk te Beverwijk, 1995. Beeldcollectie van de gemeente Velsen, Noord-Hollands Archief.

Meer vrije tijd

Na de Tweede Wereldoorlog kregen mensen meer vrije tijd. Het aantal uren vrijetijdsbesteding steeg in de jaren zestig en zeventig aanzienlijk, waardoor mensen meer tijd konden besteden aan bijvoorbeeld historische verenigingen. Rond 1955 had de gemiddelde Nederlander ongeveer 24 uur per week vrije tijd. In 1962 steeg dit aantal naar 29 uur in de week. Na de introductie van de vrije zaterdag voor werknemers is dit aantal in 1975 gestegen tot 46 uur in de week. Daarnaast steeg ook de reële koopkracht per vrij uur, waardoor mensen meer geld hadden om aan vrijetijdsbezigheden te besteden.

Getuige de vele geïnteresseerden die in de jaren zeventig en tachtig lid werden van een historische vereniging, nam de historische belangstelling onder de bevolking toe. Steeds meer mensen gingen zelf op onderzoek uit en bezochten de plaatselijke archieven. Archiefdiensten en historische verenigingen sprongen in dit gat en verzorgden cursussen in oud schrift en genealogie. Tegelijkertijd ontstonden er door de professionalisering van het gebied ook nieuwe instellingen die een begeleidende en ondersteunende rol gingen spelen bij de beoefening van regionale geschiedenis. In Noord-Brabant werd bijvoorbeeld een begeleider regionale geschiedbeoefening aangesteld.

Stadswandeling ‘Wat zou ik vroeger willen worden’, geschiedenisles op locatie, Vereniging Oud Hoorn.

Nieuwe uitdagingen

Tegenwoordig hebben veel historische verenigingen te maken met dalende ledenaantallen. Deze ontwikkeling zien we ook bij sportclubs en politieke partijen. Veel Nederlanders binden zich niet meer aan een vereniging of club, maar geven de voorkeur aan individuele en vrijblijvende activiteiten. Hoe kunnen verenigingen de leden bereiken en aan zich blijven binden? Moeten historische verenigingen professionaliseren net als andere publieke instellingen? Moeten ze een toekomstvisie formuleren; investeren in jeugdactiviteiten? Of creatieve manieren bedenken om geschiedenis aan de man te brengen? Dat zijn de nieuwe uitdagingen in de eenentwintigste eeuw.

Auteur: Loes Knijn
Omslagfoto: , 1922. , Noord-Hollands Archief.

Dit artikel is gebaseerd op de masterscriptie ‘Vroeger was dat dus allemaal anders’. De veranderende historische cultuur binnen historische verenigingen in West-Friesland (2019) door Loes Knijn. Deze is online te lezen op de website van de Vereniging Oud Hoorn.

Publicatiedatum: 17/01/2022

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

4 reacties

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

NL | EN